XVII.

"De meetkundigen weten", zegt Dr. Reid, "dat er slechts drie soorten van

figuren zijn, die men kan nemen, als men een oppervlak in kleine,

gelijke deelen van regelmatigen vorm en van dezelfde grootte, zonder

tusschenruimten wil verdeden.

Het zijn de gelijkzijdige driehoek, het vierkant en de regelmatige

zeshoek, die voor den cellenbouw nog beter is dan de beide andere

figuren wat gemakkelijkheid en weerstandsvermogen betreft. En dezen

regelmatigen zeshoek hebben nu juist de bijen aangenomen, alsof ze

wisten al wat deze voor heeft.

Zoo ook bestaat de bodem der cellen uit drie vlakken, die in één punt

samenkomen, en men heeft aangetoond, dat deze bouworde een belangrijke

besparing aan arbeid en materieel verschaft. Verder was het nog de

vraag, te weten onder welken hoek de vlakken elkaar moeten ontmoeten om

de grootste besparing te geven, een probleem van de hoogere wiskunde,

dat door enkele geleerden, o.a. Maclaurin, is opgelost, welke oplossing

men kan vinden in het verslag van de Koninklijke Academie te Londen[1].

Welnu, de aldus vastgestelde hoek stemt overeen met dien, welke wordt

aangetroffen op den bodem der cellen."

[1] Réaumur had den beroemden wiskunstenaar Koenig het volgende probleem

voorgelegd: "Onder alle zeshoekige cellen met pyramidalen bodem die aan

te wijzen, die met het minste materiaal kan gebouwd worden."--Koenig

bevond, dat zulk een cel een bodem had bestaande uit drie ruiten die

ieder twee groote hoeken hadden van 109 graden 26 minuten en twee kleine

van 70 graden 32 minuten. Een ander geleerde, Maraldi genaamd, stelde

nadat hij zoo nauwkeurig mogelijk de hoeken had gemeten van de door de

bijen gemaakte ruiten, de grooten vast op 109 graden 28 minuten en de

kleinen op 70 graden 32 minuten. Tusschen de beide oplossingen was dus

slechts een verschil van 2 minuten. Naar alle waarschijnlijkheid moet de

vergissing, als het er eene is, eerder aan den kant van Maraldi zijn dan

aan dien der bijen, want met geen enkel instrument kan men met

onfeilbare nauwkeurigheid de hoeken der cellen meten, die niet scherp

genoeg zijn begrensd.

Een ander mathematicus, Cramer, wien men hetzelfde vraagstuk heeft

voorgelegd, gaf trouwens een oplossing, welke die van de bijen nog meer

nabij komt, namelijk 109 graden 28 1/2 minuut voor de grooten, en 70

graden 31 1/2 minuut voor de kleinen. Maclaurin corrigeert Koenig en

geeft 70 graden 32 minuten en 109 graden 28 minuten. Leon Lalanne, 109

graden 28 minuten 16 seconden en 70 graden 31 minuten 44 seconden. Over

de besproken questie zie men: Maclaurin _Philos-Trans. of Londen_ 1743.

Brougham: _Recherches analytiques et expérimentales sur les alvéoles des

abeilles._ L. Lalanne: _Note sur l'Arch. des abeilles_ enz.

Het leven der bijen · 第 69 / 136 题