Men weet dat de bijen vier soorten van cellen bouwen. Ten eerste de
koninklijke cellen, die iets geheel aparts zijn en op eikels gelijken,
dan de groote cellen, die bestemd zijn voor het grootbrengen der darren
en het bergen van de provisie als er buitengewoon veel bloemen zijn,
vervolgens de kleine cellen, die voor wieg van de werkbijen en voor
gewone magazijnen dienen, en die in een normaal geval ongeveer acht
tiende van de bebouwde oppervlakte in den korf beslaan. Eindelijk bouwen
ze, om zonder dat het slordig staat de groote met de kleine te
verbinden, een zeker aantal overgangscellen. Afgezien van de
onvermijdelijke onregelmatigheid dezer laatsten, zijn de afmetingen van
het tweede en derde type zóó juist berekend, dat Réaumur, toen men op
het tijdstip der invoering van het tientallig stelsel zocht naar een
vaste maat in de natuur, die zou kunnen dienen als uitgangspunt en als
onbetwistbare grondmaat, de cel der bijen voorsloeg[1].
Ieder dezer cellen is een zeshoekig buisje, dat rust op een pyramidale
basis, en elke raat bestaat uit twee laagjes van zulke buisjes, die zich
van de basis naar de tegenovergestelde zijde verheffen, en wel zóó, dat
ieder der drie ruiten, welke de pyramidale basis van een cel aan den
rechten kant uitmaken, tegelijk de eveneens pyramidale basis vormt van
drie cellen aan de keerzijde.
In deze prismatische buisjes wordt de honing verzameld. Om te
verhinderen, dat deze er uitloopt in den tijd van het rijp worden, wat
onvermijdelijk gebeuren moest, indien ze strikt horizontaal waren,
zooals ze lijken, zetten de bijen ze eenigszins op, onder een hoek van
vier op vijf graden.
Bij zijne beschouwing over het merkwaardig geheel van het wonderbare
gebouw zegt Réaumur: "Behalve de besparing aan was, die het gevolg is
van de plaatsing der cellen, behalve dat door deze regeling de bijen de
raat vullen zonder dat er één leeg blijft, vloeien er nog andere
voordeelen uit voort, wat de stevigheid van het werk betreft. De hoek
van den bodem eener cel, de top van de pyramidale holte, wordt gesteund
door den hoek, die twee vlakken van den zeshoek eener andere cel met
elkaar vormen. De twee driehoeken of verlengingen van de zeshoekige
vlakken, die een der inspringende hoeken vullen van de holte, welke
wordt ingesloten door de drie ruiten, vormen samen een vlakken hoek aan
de zijde waar ze elkaar raken; ieder dezer hoeken, die concaaf is binnen
in de cel, steunt aan den kant waar hij convex is een der wanden, die
den zeshoek eener andere cel helpen vormen, en deze wand, welke steunt
op dien hoek, is bestand tegen de kracht, die ze naar buiten zou willen
duwen; zoo worden de hoeken steviger. Alle voordelen die men zou kunnen
eischen met betrekking tot de stevigheid van iedere cel, worden haar
verschaft door haar eigen vorm en door de wijze waarop ze tegen elkander
aangeschikt zijn."
[1] Niet zonder grond verwierp men deze maat. De middellijn der cellen
is bewonderenswaardig regelmatig maar ze is, evenals al wat door een
levend organisme wordt voortgebracht, niet _mathematisch_ onveranderlijk
in een zelfden korf. Bovendien hebben, zooals Maurice Gérard opmerkte,
de verschillende soorten van bijen een verschillenden straal voor hunne
cellen, zoodat de grondmaat verschillend zou zijn volgens den eenen korf
of den anderen, al naar het soort bijen, dat er in wordt aangetroffen.