XVI.

Men weet dat de bijen vier soorten van cellen bouwen. Ten eerste de

koninklijke cellen, die iets geheel aparts zijn en op eikels gelijken,

dan de groote cellen, die bestemd zijn voor het grootbrengen der darren

en het bergen van de provisie als er buitengewoon veel bloemen zijn,

vervolgens de kleine cellen, die voor wieg van de werkbijen en voor

gewone magazijnen dienen, en die in een normaal geval ongeveer acht

tiende van de bebouwde oppervlakte in den korf beslaan. Eindelijk bouwen

ze, om zonder dat het slordig staat de groote met de kleine te

verbinden, een zeker aantal overgangscellen. Afgezien van de

onvermijdelijke onregelmatigheid dezer laatsten, zijn de afmetingen van

het tweede en derde type zóó juist berekend, dat Réaumur, toen men op

het tijdstip der invoering van het tientallig stelsel zocht naar een

vaste maat in de natuur, die zou kunnen dienen als uitgangspunt en als

onbetwistbare grondmaat, de cel der bijen voorsloeg[1].

Ieder dezer cellen is een zeshoekig buisje, dat rust op een pyramidale

basis, en elke raat bestaat uit twee laagjes van zulke buisjes, die zich

van de basis naar de tegenovergestelde zijde verheffen, en wel zóó, dat

ieder der drie ruiten, welke de pyramidale basis van een cel aan den

rechten kant uitmaken, tegelijk de eveneens pyramidale basis vormt van

drie cellen aan de keerzijde.

In deze prismatische buisjes wordt de honing verzameld. Om te

verhinderen, dat deze er uitloopt in den tijd van het rijp worden, wat

onvermijdelijk gebeuren moest, indien ze strikt horizontaal waren,

zooals ze lijken, zetten de bijen ze eenigszins op, onder een hoek van

vier op vijf graden.

Bij zijne beschouwing over het merkwaardig geheel van het wonderbare

gebouw zegt Réaumur: "Behalve de besparing aan was, die het gevolg is

van de plaatsing der cellen, behalve dat door deze regeling de bijen de

raat vullen zonder dat er één leeg blijft, vloeien er nog andere

voordeelen uit voort, wat de stevigheid van het werk betreft. De hoek

van den bodem eener cel, de top van de pyramidale holte, wordt gesteund

door den hoek, die twee vlakken van den zeshoek eener andere cel met

elkaar vormen. De twee driehoeken of verlengingen van de zeshoekige

vlakken, die een der inspringende hoeken vullen van de holte, welke

wordt ingesloten door de drie ruiten, vormen samen een vlakken hoek aan

de zijde waar ze elkaar raken; ieder dezer hoeken, die concaaf is binnen

in de cel, steunt aan den kant waar hij convex is een der wanden, die

den zeshoek eener andere cel helpen vormen, en deze wand, welke steunt

op dien hoek, is bestand tegen de kracht, die ze naar buiten zou willen

duwen; zoo worden de hoeken steviger. Alle voordelen die men zou kunnen

eischen met betrekking tot de stevigheid van iedere cel, worden haar

verschaft door haar eigen vorm en door de wijze waarop ze tegen elkander

aangeschikt zijn."

[1] Niet zonder grond verwierp men deze maat. De middellijn der cellen

is bewonderenswaardig regelmatig maar ze is, evenals al wat door een

levend organisme wordt voortgebracht, niet _mathematisch_ onveranderlijk

in een zelfden korf. Bovendien hebben, zooals Maurice Gérard opmerkte,

de verschillende soorten van bijen een verschillenden straal voor hunne

cellen, zoodat de grondmaat verschillend zou zijn volgens den eenen korf

of den anderen, al naar het soort bijen, dat er in wordt aangetroffen.

Het leven der bijen · 第 68 / 136 题