XV.

Weldra kan men de wordende raat reeds onderscheiden. Ze is nog

lensvormig, want de prismatische tubusjes, die haar vormen, zijn

ongelijk van lengte en worden van het middelpunt naar de uiteinden

regelmatig smaller. Op dit oogenblik heeft ze ongeveer het voorkomen en

de dikte van een menschelijke tong, die aan beide kanten bestaat uit

zeshoekige, naast en ruggelings tegen elkaar aan geplaatste cellen.

Zoodra de eerste cellen gevormd zijn, maken de grondlegsters een tweeden

wasklomp aan het gewelf vast en daarna gaandeweg een derden en vierden.

Deze klompjes worden met regelmatige tusschenruimten aangebracht, die

zóó berekend zijn, dat de bijen, als de honingraten geheel gereed zijn

(wat eerst veel later het geval is) altijd de noodige plaats overhouden

om zich tusschen de paralelle wanden te bewegen.

In hun plan moeten ze dus van te voren de definitieve dikte van iedere

raat, die twee- of drie en twintig millimeter bedraagt, en tevens de

breedte van de gangetjes weten, die ze van elkaar scheiden en die

ongeveer elf millimeter breed moeten zijn, namelijk de dubbele hoogte

van een bij, daar ze rug aan rug elkaar moeten passeeren tusschen de

raten door.

Bovendien, onfeilbaar zijn ze niet, en hun beslistheid blijkt niet iets

machinaals te zijns. In moeielijke omstandigheden maken ze soms vrij

groote fouten. Soms is er óf te veel óf te weinig ruimte tusschen de

raten. Dan voorzien ze daarin zoo goed ze kunnen, 't zij door de raat,

die te dicht bij staat, eenigszins te doen hellen, 't zij door in de te

groote ledige ruimte een onregelmatige raat aan te brengen.

Naar aanleiding hiervan zegt Réaumur: "'t Overkomt hun somtijds, dat ze

zich vergissen, en dit is blijkbaar een feit te meer om te bewijzen, dat

ze kunnen oordeelen."

Het leven der bijen · 第 67 / 136 题