Weldra kan men de wordende raat reeds onderscheiden. Ze is nog
lensvormig, want de prismatische tubusjes, die haar vormen, zijn
ongelijk van lengte en worden van het middelpunt naar de uiteinden
regelmatig smaller. Op dit oogenblik heeft ze ongeveer het voorkomen en
de dikte van een menschelijke tong, die aan beide kanten bestaat uit
zeshoekige, naast en ruggelings tegen elkaar aan geplaatste cellen.
Zoodra de eerste cellen gevormd zijn, maken de grondlegsters een tweeden
wasklomp aan het gewelf vast en daarna gaandeweg een derden en vierden.
Deze klompjes worden met regelmatige tusschenruimten aangebracht, die
zóó berekend zijn, dat de bijen, als de honingraten geheel gereed zijn
(wat eerst veel later het geval is) altijd de noodige plaats overhouden
om zich tusschen de paralelle wanden te bewegen.
In hun plan moeten ze dus van te voren de definitieve dikte van iedere
raat, die twee- of drie en twintig millimeter bedraagt, en tevens de
breedte van de gangetjes weten, die ze van elkaar scheiden en die
ongeveer elf millimeter breed moeten zijn, namelijk de dubbele hoogte
van een bij, daar ze rug aan rug elkaar moeten passeeren tusschen de
raten door.
Bovendien, onfeilbaar zijn ze niet, en hun beslistheid blijkt niet iets
machinaals te zijns. In moeielijke omstandigheden maken ze soms vrij
groote fouten. Soms is er óf te veel óf te weinig ruimte tusschen de
raten. Dan voorzien ze daarin zoo goed ze kunnen, 't zij door de raat,
die te dicht bij staat, eenigszins te doen hellen, 't zij door in de te
groote ledige ruimte een onregelmatige raat aan te brengen.
Naar aanleiding hiervan zegt Réaumur: "'t Overkomt hun somtijds, dat ze
zich vergissen, en dit is blijkbaar een feit te meer om te bewijzen, dat
ze kunnen oordeelen."