Een nog vormeloos klompje was hangt nu tegen den top van het gewelf aan.
Als het groot genoeg blijkt te zijn, ziet men uit den tros een andere
bij te voorschijn komen, wier uiterlijk merkbaar verschilt van hare
voorgangsters, die de grondslagen hebben gelegd. Als men de zekerheid
ziet waarmede zij optreedt, en de verwachting der haar omringenden, dan
komt men op de gedachte, dat het een soort van begaafd ingenieur is, die
plotseling daar in het ledig de plaats aanwijst waar de eerste cel moet
komen, van welke die van alle overige mathematisch afhangt. In ieder
geval behoort deze tot de klasse der bouwbijen, die geen was
voortbrengen en er zich mee tevreden stellen de materialen, die men hun
verschaft, aan hunne bestemming te doen beantwoorden. Ze kiest dus de
plaats van de eerste cel uit en graaft een oogenblik in den klomp,
terwijl ze het was dat ze van binnen uithaalt, op de kanten werpt, die
zich rondom de holte verheffen. Dan laat ze, even plotseling als de
grondlegsters, haar werk in den steek; een ongeduldige arbeidster komt
haar vervangen en vat haar werk op, dat weer door een derde wordt
voltooid, terwijl anderen uit hun omgeving naar dezelfde methode van
werken, door de een afgebroken en door de ander voortgezet, de verdere
oppervlakte en de tegenovergestelde zijde van den muur van was ter hand
nemen. Men zou zoo zeggen, dat een der eerste wetten van den bijenkorf
zorgt voor verdeeling van de eer van het werk, en dat iedere arbeid er
gemeenschappelijk en anoniem moet wezen om daardoor des te broedelijker
te zijn.