XIV.

Een nog vormeloos klompje was hangt nu tegen den top van het gewelf aan.

Als het groot genoeg blijkt te zijn, ziet men uit den tros een andere

bij te voorschijn komen, wier uiterlijk merkbaar verschilt van hare

voorgangsters, die de grondslagen hebben gelegd. Als men de zekerheid

ziet waarmede zij optreedt, en de verwachting der haar omringenden, dan

komt men op de gedachte, dat het een soort van begaafd ingenieur is, die

plotseling daar in het ledig de plaats aanwijst waar de eerste cel moet

komen, van welke die van alle overige mathematisch afhangt. In ieder

geval behoort deze tot de klasse der bouwbijen, die geen was

voortbrengen en er zich mee tevreden stellen de materialen, die men hun

verschaft, aan hunne bestemming te doen beantwoorden. Ze kiest dus de

plaats van de eerste cel uit en graaft een oogenblik in den klomp,

terwijl ze het was dat ze van binnen uithaalt, op de kanten werpt, die

zich rondom de holte verheffen. Dan laat ze, even plotseling als de

grondlegsters, haar werk in den steek; een ongeduldige arbeidster komt

haar vervangen en vat haar werk op, dat weer door een derde wordt

voltooid, terwijl anderen uit hun omgeving naar dezelfde methode van

werken, door de een afgebroken en door de ander voortgezet, de verdere

oppervlakte en de tegenovergestelde zijde van den muur van was ter hand

nemen. Men zou zoo zeggen, dat een der eerste wetten van den bijenkorf

zorgt voor verdeeling van de eer van het werk, en dat iedere arbeid er

gemeenschappelijk en anoniem moet wezen om daardoor des te broedelijker

te zijn.

Het leven der bijen · 第 66 / 136 题