't Is uiterst moeielijk de verschillende phases na te gaan van de
afscheiding en het gebruik van het was in een zwerm, die begint te
bouwen. Alles gebeurt midden in de massa, wier steeds dichter en dichter
wordende opeenhooping de temperatuur moet verschaffen, die bevorderlijk
is voor deze afscheiding, het voorrecht der jongste bijen. Huber, die ze
het eerst bestudeerd heeft met ongeloofelijk geduld en dikwijls ten
koste van ernstige gevaren, wijdt meer dan tweehonderd vijftig
interessante, maar uiterst verwarde bladzijden aan dit verschijnsel.
Daar ik geen technisch werk schrijf, zal ik, gebruik makende waar het
noodig is van hetgeen hij zoo goed heeft waargenomen, er mij toe bepalen
datgene mee te deelen, wat ieder, die een zwerm in een observatie-korf
heeft, zien kan.
Allereerst dan de bekentenis, dat men nog niet weet door welke chemische
bewerking de honing verandert in was in het nog zoo raadselachtig
lichaam van onze hangende bijen. Men kan alleen constateeren, dat na
verloop van achttien tot vierentwintig uren wachtens, in zulk een hooge
temperatuur, dat het is alsof er een vlam brandt onder in den korf,
witte en doorschijnende schubjes verschijnen in de opening van vier
kleine zakjes, die ter weerszijden aan het achterlijf van de bij liggen.
Wanneer de meesten van al diegenen, die den omgekeerden kegel vormen,
aldus hun lichaam zien belegd met ivoren plaatjes, ziet men er eensklaps
een, als bezield door een plotselinge ingeving, zich losmaken uit de
menigte, vlug over de lijdelijke massa heenklimmen tot aan den top van
den koepel, waar ze zich stevig vasthoudt, telkens met haar kopje de
buren wegduwend, die haar hinderen in hare bewegingen. Dan pakt ze met
haar pooten en haar mond een der acht schubjes van haar achterlijf,
begint er aan te knagen, te schaven, te buigen, te kneden, vermengt het
met haar speeksel, vouwt het open en dicht, drukt het plat en vervormt
het weer met de handigheid van een schrijnwerker, die een of ander
paneel bewerkt. Als dan eindelijk de aldus geknede substantie naar haar
idee de vereischte afmetingen en dichtheid heeft verkregen, maakt ze die
vast tegen den top van den kegel en legt alzoo den eersten steen of
liever den sluitsteen van de nieuwe stad; want hier hebben we te doen
met een omgekeerde stad, die van den hemel neerdaalt en niet van den
aardbodem omhoog rijst zooals de steden der menschen.
Als dat gedaan is, legt ze tegen dezen sluitsteen, die daar in het ledig
hangt, andere brokjes was aan, die ze gaandeweg onder haar hoornen
ringen uit haalt; dan geeft ze aan 't geheel een laatsten lik, een
laatsten duw met de sprieten, en haastig als ze gekomen is, gaat ze weer
heen en verliest zich in de menigte.
Onmiddellijk wordt ze vervangen door een andere bij, die den arbeid
opvat op het punt waarin zij dien gelaten had, er den haren aan
toevoegt, vervormt wat niet geheel in overeenstemming lijkt met het
ideale plan van den stam en op hare beurt weer verdwijnt, terwijl een
derde, vierde, vijfde haar opvolgen; een gansche serie van plotselinge,
geïnspireerde verschijningen, die geen van allen het geheele werk
afmaken, maar allen hun steentje bijdragen tot den eenparigen arbeid.