Laten we nu de geschiedenis van onzen korf weer opvatten, waar we die
hebben laten rusten, om zooveel doenlijk een der plooien van het gordijn
van slingers op te lichten, waaronder die vreemde uitwaseming begint,
die den zwerm bedekt met dat zweet bijna zoo wit als sneeuw en lichter
dan het dons van een vleugel. Want het was gelijkt bij zijn ontstaan
volstrekt niet op dat, wat wij kennen: het is ongerept, bijna zonder
gewicht, en gelijkt inderdaad de ziel van den honing (welke zelf de
geest is der bloemen) aangeroepen in een stille bezwering, om later in
onze handen, ongetwijfeld in herinnering aan zijn oorsprong, waarbij
zooveel azuur, zooveel geuren, zooveel gekrystalliseerde ruimte,
gesublimeerde stralen, reinheid en pracht voorkomen, tot het geurende
licht onzer laatste altaren te worden.