XII.

Laten we nu de geschiedenis van onzen korf weer opvatten, waar we die

hebben laten rusten, om zooveel doenlijk een der plooien van het gordijn

van slingers op te lichten, waaronder die vreemde uitwaseming begint,

die den zwerm bedekt met dat zweet bijna zoo wit als sneeuw en lichter

dan het dons van een vleugel. Want het was gelijkt bij zijn ontstaan

volstrekt niet op dat, wat wij kennen: het is ongerept, bijna zonder

gewicht, en gelijkt inderdaad de ziel van den honing (welke zelf de

geest is der bloemen) aangeroepen in een stille bezwering, om later in

onze handen, ongetwijfeld in herinnering aan zijn oorsprong, waarbij

zooveel azuur, zooveel geuren, zooveel gekrystalliseerde ruimte,

gesublimeerde stralen, reinheid en pracht voorkomen, tot het geurende

licht onzer laatste altaren te worden.

Het leven der bijen · 第 64 / 136 题