XI.

Maar, zal men misschien zeggen, wat kan het ons schelen of de bijen al

of niet verstand bezitten? Waartoe dat zorgvuldig wegen van een klein

deeltje eener bijna onzichtbare materie, alsof het een fluïdum gold

waarvan het lot der menschen afhing? Zonder overdrijving meen ik, dat

wij er een onwaardeerbaar belang bij hebben. Wanneer we buiten de

menschenwereld onmiskenbare teekenen van verstand bespeuren, dan voelen

we iets van dezelfde aandoening als Robinson bij het ontdekken van het

voetspoor eens menschen op het strand van zijn eiland. We schijnen

minder eenzaam te zijn dan we meenden. Wanneer we ons rekenschap

trachten te geven van het verstand der bijen, dan bestudeeren we in hen

ten slotte het kostbaarste deel van onze eigen substantie, een atoom van

die buitengewone materie, die overal waar ze zich vasthecht, de

prachtige eigenschap bezit de blinde noodwendigheid om te scheppen, het

leven te organiseeren, te verfraaien en te vermenigvuldigen en wat nog

meer zegt, de onverbiddelijke macht des doods en dien redeloozen stroom,

die bijna al wat bestaat in eeuwige onbewustheid dompelt, voor een tijd

althans af te wenden.

Indien alleen wij een deeltje der materie in dien bijzonderen toestand

van ontwikkeling of verhitting dien wij verstand noemen, bezaten of

konden onderhouden, dan zouden we ons niet zonder grond voor

bevoorrechte wezens mogen houden, en ons verbeelden, dat de natuur in

ons een soort van doel had bereikt; maar daar zien we een gansche

categorie van wezens, de vliesvleugeligen, waarin ze een bijna geheel

gelijk doel bereikt. Dat bewijst niets zoo men wil, maar niettemin neemt

dit feit een eervolle plaats in onder de menigte kleine feiten, die er

toe meewerken licht te verspreiden over onze plaats op deze aarde. Van

zeker oogpunt bezien hebben wij hier een proef op de som met betrekking

tot het meest onberekenbaar deel van ons wezen; we hebben hier te doen

met de lotgevallen van zich opvolgende geslachten, die wij kunnen

overzien van een hooger standpunt dan we ooit bereiken bij de

beschouwing van de lotgevallen der menschen. Hier hebben we in 't

verkort groote en eenvoudige lijnen, die we in onze zoo oneindig wijder

sfeer nooit gelegenheid hebben na te sporen of te volgen. Hier hebben we

geest en stof, soort en individu, evolutie en stilstand, verleden en

toekomst, leven en dood alles bijeen in een verblijf, dat door onze hand

kan worden opgenomen en dat we met één oogopslag omvatten; en men mag

zich afvragen of de macht door de lichamen uitgeoefend en de plaats

welke zij innemen in tijd en ruimte, wel in zoo groote mate als wij dat

meenen de geheime idee der natuur wijzigen, die wij trachten te vatten

in de kleine geschiedenis van den bijenkorf, waar de dagen zijn als

eeuwen en in de groote geschiedenis der menschen, bij wie drie

geslachten reeds den duur eener lange eeuw overschrijden.

Het leven der bijen · 第 63 / 136 题