Maar, zal men misschien zeggen, wat kan het ons schelen of de bijen al
of niet verstand bezitten? Waartoe dat zorgvuldig wegen van een klein
deeltje eener bijna onzichtbare materie, alsof het een fluïdum gold
waarvan het lot der menschen afhing? Zonder overdrijving meen ik, dat
wij er een onwaardeerbaar belang bij hebben. Wanneer we buiten de
menschenwereld onmiskenbare teekenen van verstand bespeuren, dan voelen
we iets van dezelfde aandoening als Robinson bij het ontdekken van het
voetspoor eens menschen op het strand van zijn eiland. We schijnen
minder eenzaam te zijn dan we meenden. Wanneer we ons rekenschap
trachten te geven van het verstand der bijen, dan bestudeeren we in hen
ten slotte het kostbaarste deel van onze eigen substantie, een atoom van
die buitengewone materie, die overal waar ze zich vasthecht, de
prachtige eigenschap bezit de blinde noodwendigheid om te scheppen, het
leven te organiseeren, te verfraaien en te vermenigvuldigen en wat nog
meer zegt, de onverbiddelijke macht des doods en dien redeloozen stroom,
die bijna al wat bestaat in eeuwige onbewustheid dompelt, voor een tijd
althans af te wenden.
Indien alleen wij een deeltje der materie in dien bijzonderen toestand
van ontwikkeling of verhitting dien wij verstand noemen, bezaten of
konden onderhouden, dan zouden we ons niet zonder grond voor
bevoorrechte wezens mogen houden, en ons verbeelden, dat de natuur in
ons een soort van doel had bereikt; maar daar zien we een gansche
categorie van wezens, de vliesvleugeligen, waarin ze een bijna geheel
gelijk doel bereikt. Dat bewijst niets zoo men wil, maar niettemin neemt
dit feit een eervolle plaats in onder de menigte kleine feiten, die er
toe meewerken licht te verspreiden over onze plaats op deze aarde. Van
zeker oogpunt bezien hebben wij hier een proef op de som met betrekking
tot het meest onberekenbaar deel van ons wezen; we hebben hier te doen
met de lotgevallen van zich opvolgende geslachten, die wij kunnen
overzien van een hooger standpunt dan we ooit bereiken bij de
beschouwing van de lotgevallen der menschen. Hier hebben we in 't
verkort groote en eenvoudige lijnen, die we in onze zoo oneindig wijder
sfeer nooit gelegenheid hebben na te sporen of te volgen. Hier hebben we
geest en stof, soort en individu, evolutie en stilstand, verleden en
toekomst, leven en dood alles bijeen in een verblijf, dat door onze hand
kan worden opgenomen en dat we met één oogopslag omvatten; en men mag
zich afvragen of de macht door de lichamen uitgeoefend en de plaats
welke zij innemen in tijd en ruimte, wel in zoo groote mate als wij dat
meenen de geheime idee der natuur wijzigen, die wij trachten te vatten
in de kleine geschiedenis van den bijenkorf, waar de dagen zijn als
eeuwen en in de groote geschiedenis der menschen, bij wie drie
geslachten reeds den duur eener lange eeuw overschrijden.