Zonder eenige gevolgtrekking te maken uit de zeer onvolledige
proefneming, zijn er toch verscheidene andere merkwaardige feiten, die
ons noodzaken te erkennen, dat ze een geestelijk rapport met elkaar
onderhouden, dat meer beduidt dan een "ja" of "neen" of eenvoudig zou
bestaan in een gebaar of in een voorbeeld ter navolging. Men zou o.a.
kunnen noemen de treffende harmonie van den arbeid in den korf, de
merkwaardige verdeeling van arbeid, de geregelde afwisseling, die men er
in aantreft. Ik heb b.v. dikwijls geconstateerd, dat de
honingdraagsters, die ik 's morgens gemerkt had, 's middags--tenzij er
overvloed van bloemen was--bezig waren met het verwarmen of afkoelen van
het broedsel; of wel ik ontdekte ze tusschen de menigte, welke die
geheimzinnige kettingen vormen, te midden waarvan de waswerksters en de
bouwbijen arbeiden. Ik heb ook opgelet, dat de werksters, die ik
gedurende één of twee dagen stuifmeel zag inzamelen, het den volgenden
dag niet meebrachten doch uitsluitend op honingsap uitgingen, en zoo
omgekeerd. Ook kan men ten opzichte van de verdeeling van arbeid nog
aanhalen, wat de beroemde Fransche bijenkenner George de Layens de
_verdeeling der bijen over de honingdragende planten_ noemt. Iederen
dag, dadelijk bij het eerste lichten der zon, hoort de ontwakende korf,
bij de terugkomst van de boden, die den dageraad tegenvlogen, de
gunstige berichten omtrent den bodem: "Heden de linden langs de gracht
in bloei", --"de witte klaver schittert in het gras langs den weg",--"op
de weiden ontluiken steenklaver en salie",--"de lelies en reseda's
vloeien over van stuifmeel". Spoedig moeten ze zich organiseeren, hunne
maatregelen nemen, den arbeid verdeelen. Vijf duizend van de sterksten
gaan naar de linden, drie duizend van de jongsten moeten leven brengen
op de witte klaver. Deze hier smaakten gisteren den nektar der bloemen,
vandaag moeten ze maar, om aan hun tong en de klieren van hun
honingblaas wat rust te gunnen, het roode stuifmeel der reseda's gaan
inzamelen, en die anderen ginds het gele stuifmeel der groote lelies.
Want nooit ziet ge een bij stuifmeel van verschillende kleur of soort
met elkaar vermengen, en een der dingen, waaraan de bijen uit den korf
de meeste zorg besteden, is het methodisch indeelen van het schoone,
geurige meel in de voorraadschuren, volgens kleuren en soorten. Zoo
worden de orders gegeven door den verborgen genius. Dadelijk gaan de
werkbijen uit in lange rijen en ieder hunner vliegt recht op haar doel
af. "'t Schijnt wel", zegt de Layens, "dat de bijen volkomen goed zijn
ingelicht omtrent de localiteit, den betrekkelijken rijkdom aan honing
en den afstand van alle planten, die binnen een bepaalden kring rondom
den korf staan.
Als men de verschillende richtingen, die de honingdraagsters inslaan,
zorgvuldig waarneemt, en dan tot in bijzonderheden den oogst der bijen
uit de verschillende planten van den omtrek onderzoekt, bemerkt men dat
de werkbijen zich over de bloemen verdeelen, zoowel in verhouding tot
het aantal der planten als tot hun rijkdom aan honing. Nog meer: ze
weten iederen dag op nieuw nauwkeurig de waarde te schatten van de beste
zoete vloeistof, die ze kunnen inzamelen.
Als de bijen b.v. in de lente na den bloeitijd der wilgen, op een tijd
dat nog niets op de velden in bloei staat, geen andere keuze hebben dan
de eerste woudbloemen, dan kan men ze ijverig de anemonen, het
longkruid, de stekende brem en de viooltjes zien bezoeken. Beginnen er
enkele dagen daarna genoeg kool- en koolzaadvelden te bloeien, dan
geven ze hunne bezoeken aan de woudbloemen, die nog in vollen bloei
staan, zoo goed als geheel op, om zich te wijden aan den bloesem van
kool en koolzaad.
Zoo regelen ze dagelijks hunne verdeeling over de planten, ten einde in
den kortst mogelijken tijd het beste zoete vocht te kunnen inzamelen.
Men kan dus zeggen, dat de bijen-kolonie even goed bij hare inzamelingen
als binnen in den korf een verstandige indeeling van het aantal
werkbijen weet te treffen, terwijl ze tevens het beginsel van verdeeling
van arbeid toepast."