IX.

Bij uwe waarneming zult ge ook bemerken, dat de vriendinnen, die aan de

oproeping voor dit buitenkansje gehoor geven, niet altijd in gezelschap

vliegen en dat er dikwijls een tusschenpooze van verscheidene seconden

ligt tusschen de komst van de eene en die der andere. We moeten dus wat

dit vermogen van mededeelen betreft, de vraag stellen, die sir John

Lubbock heeft opgelost met betrekking tot de mieren.

Wat doen de gezellinnen, die op den schat van de eerste bij afkomen,

enkel haar volgen of wel kunnen ze door haar hierheen gezonden zijn en

hem zelf vinden door hare aanwijzingen en de door haar gegeven

plaatsbeschrijving? 't Is duidelijk, dat dit een enorm onderscheid maakt

wat den omvang en het werk van het verstand betreft. De Engelsche

geleerde heeft met behulp van een zeer ingewikkelde en vernuftige

inrichting van bruggetjes, gangen, slootjes met water en gierponten,

uitgemaakt, dat in zulke gevallen de mieren eenvoudig het spoor volgden

van hun wegwijzer. Deze proeven waren uitvoerbaar met mieren, die men

kan dwingen te gaan waarheen men wil, maar voor de bij met hare vleugels

staan alle wegen open. Men zou dus eenig ander middel moeten bedenken.

Ik wil er een noemen, waarvan ik gebruik heb gemaakt, en dat wel geen

overtuigende resultaten heeft opgeleverd, maar dat als het wat beter

werd ingericht en onder gunstiger omstandigheden naar mijn oordeel,

voldoende zekerheid zou geven.

Mijn studeerkamer op mijn buiten ligt op de eerste verdieping, terwijl

de gelijkvloersche vertrekken zelf reeds vrij hoog liggen. Behalve in

den tijd wanneer de linde- en kastanje-boomen in bloei staan, zijn de

bijen zóó weinig gewend zoo hoog te vliegen, dat ik langer dan een week

vóór mijne waarneming op mijn tafel een open honingraat had laten staan,

(d.i. eene waarvan de cellen open zijn) zonder dat ook maar een enkele

bij door den geur was aangelokt en er een bezoek aan kwam brengen. Toen

nam ik een Italiaansche bij uit een observatie-korf, die op eenigen

afstand van mijn huis stond. Ik nam die mee naar mijn kamer, zette haar

op de honingraat en merkte haar terwijl ze zich te goed deed.

Toen ze verzadigd was, vloog ze terug naar den korf en daar ik haar

gevolgd was, zag ik dat ze haastig over de menigte heenliep, haar kopje

in een ledige cel stak, haar honing afzette en zich gereedmaakte te

vertrekken. Ik loerde op haar en greep haar toen ze weer aan den ingang

verscheen. Twintig malen aaneen herhaalde ik de proef met verschillende

bijen, terwijl ik telkens de "aangelokte" bij achterhield, zoodat de

anderen haar spoor niet konden volgen. Om het gemakkelijk te kunnen

doen, had ik voor den ingang van den korf een doos geplaatst, die door

een schuif in twee afdeelingen was verdeeld. Als de gemerkte bij er

alleen uitkwam, sloot ik haar enkel op zooals ik met de eerste had

gedaan en ging op mijne kamer zitten wachten op de komst der

honingdraagsters, aan wie ze de tijding had kunnen meedeelen. Als ze er

uitkwam met een of twee bijen, dan hield ik haar gevangen in liet

eerste vakje van de doos om haar van hare vriendinnen te scheiden, en

nadat ik die met een andere kleur gemerkt had, gaf ik hun de vrijheid

doch volgde hen met mijne oogen. 't Is duidelijk, dat indien er een

mondelinge of magnetische mededeeling had plaats gehad, een beschrijving

van de plaats, een methode om zich te oriënteeren, enz., ik in mijn

kamer een zeker aantal der aldus ingelichte bijen had moeten vinden. Ik

moet erkennen, dat ik er maar één zag komen. Volgde deze de

aanwijzingen, die ze in den korf gekregen had, of was het louter toeval?

De waarneming was onvolledig, maar de omstandigheden lieten niet toe,

dat ik ze voortzette. Ik liet de "aangelokte" bijen weer los, en weldra

was mijn studeerkamer overstroomd door de gonzende menigte, aan wie zij

volgens hun gewone methode, den weg naar den schat hadden gewezen.[1]

[1] Ik heb de proefneming hervat in de eerste zonnige dagen van deze

ongunstige lente. Ze heeft weer hetzelfde negatieve resultaat

opgeleverd. Van een anderen kant schrijft mij een ymker onder mijne

vrienden, die zeer knap en zeer eerlijk zijne waarnemingen doet, en wien

ik dit probleem had voorgelegd, dat hij langs denzelfden weg vier

onweerlegbare bewijzen voor mededeelingen gekregen heeft. Het feit

vereischt nog nader bevestiging en de kwestie is nog niet opgelost. Maar

ik ben overtuigd, dat mijn vriend zich door zijn zeer begrijpelijk

verlangen, de proef te zien gelukken, op een dwaalspoor heeft laten

brengen.

Het leven der bijen · 第 61 / 136 题