Bij uwe waarneming zult ge ook bemerken, dat de vriendinnen, die aan de
oproeping voor dit buitenkansje gehoor geven, niet altijd in gezelschap
vliegen en dat er dikwijls een tusschenpooze van verscheidene seconden
ligt tusschen de komst van de eene en die der andere. We moeten dus wat
dit vermogen van mededeelen betreft, de vraag stellen, die sir John
Lubbock heeft opgelost met betrekking tot de mieren.
Wat doen de gezellinnen, die op den schat van de eerste bij afkomen,
enkel haar volgen of wel kunnen ze door haar hierheen gezonden zijn en
hem zelf vinden door hare aanwijzingen en de door haar gegeven
plaatsbeschrijving? 't Is duidelijk, dat dit een enorm onderscheid maakt
wat den omvang en het werk van het verstand betreft. De Engelsche
geleerde heeft met behulp van een zeer ingewikkelde en vernuftige
inrichting van bruggetjes, gangen, slootjes met water en gierponten,
uitgemaakt, dat in zulke gevallen de mieren eenvoudig het spoor volgden
van hun wegwijzer. Deze proeven waren uitvoerbaar met mieren, die men
kan dwingen te gaan waarheen men wil, maar voor de bij met hare vleugels
staan alle wegen open. Men zou dus eenig ander middel moeten bedenken.
Ik wil er een noemen, waarvan ik gebruik heb gemaakt, en dat wel geen
overtuigende resultaten heeft opgeleverd, maar dat als het wat beter
werd ingericht en onder gunstiger omstandigheden naar mijn oordeel,
voldoende zekerheid zou geven.
Mijn studeerkamer op mijn buiten ligt op de eerste verdieping, terwijl
de gelijkvloersche vertrekken zelf reeds vrij hoog liggen. Behalve in
den tijd wanneer de linde- en kastanje-boomen in bloei staan, zijn de
bijen zóó weinig gewend zoo hoog te vliegen, dat ik langer dan een week
vóór mijne waarneming op mijn tafel een open honingraat had laten staan,
(d.i. eene waarvan de cellen open zijn) zonder dat ook maar een enkele
bij door den geur was aangelokt en er een bezoek aan kwam brengen. Toen
nam ik een Italiaansche bij uit een observatie-korf, die op eenigen
afstand van mijn huis stond. Ik nam die mee naar mijn kamer, zette haar
op de honingraat en merkte haar terwijl ze zich te goed deed.
Toen ze verzadigd was, vloog ze terug naar den korf en daar ik haar
gevolgd was, zag ik dat ze haastig over de menigte heenliep, haar kopje
in een ledige cel stak, haar honing afzette en zich gereedmaakte te
vertrekken. Ik loerde op haar en greep haar toen ze weer aan den ingang
verscheen. Twintig malen aaneen herhaalde ik de proef met verschillende
bijen, terwijl ik telkens de "aangelokte" bij achterhield, zoodat de
anderen haar spoor niet konden volgen. Om het gemakkelijk te kunnen
doen, had ik voor den ingang van den korf een doos geplaatst, die door
een schuif in twee afdeelingen was verdeeld. Als de gemerkte bij er
alleen uitkwam, sloot ik haar enkel op zooals ik met de eerste had
gedaan en ging op mijne kamer zitten wachten op de komst der
honingdraagsters, aan wie ze de tijding had kunnen meedeelen. Als ze er
uitkwam met een of twee bijen, dan hield ik haar gevangen in liet
eerste vakje van de doos om haar van hare vriendinnen te scheiden, en
nadat ik die met een andere kleur gemerkt had, gaf ik hun de vrijheid
doch volgde hen met mijne oogen. 't Is duidelijk, dat indien er een
mondelinge of magnetische mededeeling had plaats gehad, een beschrijving
van de plaats, een methode om zich te oriënteeren, enz., ik in mijn
kamer een zeker aantal der aldus ingelichte bijen had moeten vinden. Ik
moet erkennen, dat ik er maar één zag komen. Volgde deze de
aanwijzingen, die ze in den korf gekregen had, of was het louter toeval?
De waarneming was onvolledig, maar de omstandigheden lieten niet toe,
dat ik ze voortzette. Ik liet de "aangelokte" bijen weer los, en weldra
was mijn studeerkamer overstroomd door de gonzende menigte, aan wie zij
volgens hun gewone methode, den weg naar den schat hadden gewezen.[1]
[1] Ik heb de proefneming hervat in de eerste zonnige dagen van deze
ongunstige lente. Ze heeft weer hetzelfde negatieve resultaat
opgeleverd. Van een anderen kant schrijft mij een ymker onder mijne
vrienden, die zeer knap en zeer eerlijk zijne waarnemingen doet, en wien
ik dit probleem had voorgelegd, dat hij langs denzelfden weg vier
onweerlegbare bewijzen voor mededeelingen gekregen heeft. Het feit
vereischt nog nader bevestiging en de kwestie is nog niet opgelost. Maar
ik ben overtuigd, dat mijn vriend zich door zijn zeer begrijpelijk
verlangen, de proef te zien gelukken, op een dwaalspoor heeft laten
brengen.