Ik wil de waarheid niet opsieren, zooals veel schrijvers over de bijen
wèl deden. Opmerkingen van dezen aard zijn slechts dan belangrijk als ze
volkomen waar zijn. Indien ik had waargenomen, dat de bijen niet in
staat zijn elkaar een uitwendige gebeurtenis mee te deelen, dan zou ik
dunkt me tegenover deze kleine teleurstelling met eenig genoegen weer op
nieuw constateeren, dat ten slotte de mensch toch het eenige waarlijk
intelligente wezen is, dat onzen aardbol bewoont. En dan nog, als men op
een zeker punt van zijn leven gekomen is, gevoelt men meer voor het
meedeelen van dingen die waar, dan die frappant zijn. Ook hier zoo goed
als in andere gevallen behoort men zich te houden aan het principe, dat
zoo de naakte waarheid voor het oogenblik minder grootsch, minder edel
of minder interessant lijkt dan de opsiering, welke onze verbeelding
daaraan kon toevoegen, de schuld daarvan ligt aan ons, die nog niet
weten te onderscheiden in welk een altijd opmerkelijk verband ze moet
staan tot ons ware wezen, dat we nog niet kennen, en tot de wetten van
het heelal; en in dit geval is het niet de waarheid, maar ons verstand,
dat behoefte heeft aan vergrooting en veredeling.
Ik wil dus bekennen, dat de gemerkte bijen dikwijls alleen terugkeeren.
Waarschijnlijk bestaat bij hen hetzelfde verschil in karakter als bij de
menschen, en zijn er onder hen gesloten en babbelachtige naturen.
Iemand, die mijn proefnemingen bijwoonde, beweerde dat klaarblijkelijk
zelfzucht of ijdelheid de reden is waarom velen niet graag de bron van
hun rijkdom willen bekend maken of met een hunner zusteren den roem
deelen van een werk, dat de korf wel wonderbaarlijk moet vinden. Dat
zijn heel leelijke ondeugden, die niet den aangenamen geur van
openhartigheid en frischheid ademen van het huis der duizend zusteren.
Hoe dit ook zij, het komt ook dikwijls voor, dat de door het lot
begunstigde bij naar den honing terugkomt vergezeld van twee of drie
mede-arbeidsters. Ik weet, dat sir John Lubbock in het bijvoegsel van
zijn werk over _mieren, bijen en wespen_, lange en nauwkeurige
observatie-tabellen geeft, waaruit men kan opmaken, dat bijna nooit eene
andere bij de gids volgt. 't Is mij onbekend met welk soort van bijen de
geleerde natuuronderzoeker te doen had, of dat de omstandigheden
bijzonder ongunstig waren. Doch als ik zelf mijn eigen tabellen
raadpleeg, die met zorg zijn opgemaakt nadat ik alle mogelijke
maatregelen genomen had, dat de bijen niet direkt door den geur van den
honing konden worden aangelokt, dan zie ik, dat gemiddeld vier keer op
de tien de gemerkte bij wel andere meebracht.
Eens zelfs heb ik een heel bijzonder Italiaansch bijtje gehad, wier
lijfje ik met een blauw vlekje gemerkt had. Al dadelijk bij haar tweeden
tocht kwam ze met twee harer zusters. Ik sloot deze beiden op en liet
haar ongemoeid. Ze ging weer heen, en kwam terug met drie gezellinnen,
die ik weer opsloot, en zoo steeds door tot op het eind van den middag
toen ik, mijne gevangenen tellende, constateerde, dat ze het nieuws aan
achttien bijen had meegedeeld.
In 't kort, indien ge dezelfde proeven neemt, zult ge bevinden, dat zulk
een mededeelzaamheid zoo al niet geregeld, dan toch op zijn minst
herhaaldelijk voorkomt. Deze eigenschap is zóó bekend bij de
bijen-verzamelaars in Amerika, dat ze er partij van trekken om een nest
te ontdekken. "Ze kiezen," zegt Josiah Itmery (aangehaald bij Romanus in
zijn werk _Het verstand der Dieren_ deel I, bl. 117) "ze kiezen om hunne
operaties te beginnen, een veld of een bosch, dat ver van eenige kolonie
van tamme bijen af ligt. Op het terrein aangekomen zien ze uit naar
bijen, die aan 't inzamelen zijn op de bloemen, vangen ze en sluiten ze
op in een doos met honing; als ze verzadigd zijn, laten zij ze vliegen.
Dan volgt een oogenblik van afwachting, waarvan de lengte afhangt van
den afstand waarop de boom met bijen zich bevindt; en met wat geduld
krijgt de jager ten slotte altijd zijn bijen weer in 't oog, die
terugkomen in gezelschap van verscheidene andere. Even als den eersten
keer maakt hij zich van hen meester, trakteert hen en laat hen los ieder
naar een ander punt, waarbij hij zorg draagt, de richting die zij nemen
goed in het oog te houden; het punt waar ze allen schijnen samen te
komen, wijst hem ten naasten bij de plaats van het nest aan."