VIII.

Ik wil de waarheid niet opsieren, zooals veel schrijvers over de bijen

wèl deden. Opmerkingen van dezen aard zijn slechts dan belangrijk als ze

volkomen waar zijn. Indien ik had waargenomen, dat de bijen niet in

staat zijn elkaar een uitwendige gebeurtenis mee te deelen, dan zou ik

dunkt me tegenover deze kleine teleurstelling met eenig genoegen weer op

nieuw constateeren, dat ten slotte de mensch toch het eenige waarlijk

intelligente wezen is, dat onzen aardbol bewoont. En dan nog, als men op

een zeker punt van zijn leven gekomen is, gevoelt men meer voor het

meedeelen van dingen die waar, dan die frappant zijn. Ook hier zoo goed

als in andere gevallen behoort men zich te houden aan het principe, dat

zoo de naakte waarheid voor het oogenblik minder grootsch, minder edel

of minder interessant lijkt dan de opsiering, welke onze verbeelding

daaraan kon toevoegen, de schuld daarvan ligt aan ons, die nog niet

weten te onderscheiden in welk een altijd opmerkelijk verband ze moet

staan tot ons ware wezen, dat we nog niet kennen, en tot de wetten van

het heelal; en in dit geval is het niet de waarheid, maar ons verstand,

dat behoefte heeft aan vergrooting en veredeling.

Ik wil dus bekennen, dat de gemerkte bijen dikwijls alleen terugkeeren.

Waarschijnlijk bestaat bij hen hetzelfde verschil in karakter als bij de

menschen, en zijn er onder hen gesloten en babbelachtige naturen.

Iemand, die mijn proefnemingen bijwoonde, beweerde dat klaarblijkelijk

zelfzucht of ijdelheid de reden is waarom velen niet graag de bron van

hun rijkdom willen bekend maken of met een hunner zusteren den roem

deelen van een werk, dat de korf wel wonderbaarlijk moet vinden. Dat

zijn heel leelijke ondeugden, die niet den aangenamen geur van

openhartigheid en frischheid ademen van het huis der duizend zusteren.

Hoe dit ook zij, het komt ook dikwijls voor, dat de door het lot

begunstigde bij naar den honing terugkomt vergezeld van twee of drie

mede-arbeidsters. Ik weet, dat sir John Lubbock in het bijvoegsel van

zijn werk over _mieren, bijen en wespen_, lange en nauwkeurige

observatie-tabellen geeft, waaruit men kan opmaken, dat bijna nooit eene

andere bij de gids volgt. 't Is mij onbekend met welk soort van bijen de

geleerde natuuronderzoeker te doen had, of dat de omstandigheden

bijzonder ongunstig waren. Doch als ik zelf mijn eigen tabellen

raadpleeg, die met zorg zijn opgemaakt nadat ik alle mogelijke

maatregelen genomen had, dat de bijen niet direkt door den geur van den

honing konden worden aangelokt, dan zie ik, dat gemiddeld vier keer op

de tien de gemerkte bij wel andere meebracht.

Eens zelfs heb ik een heel bijzonder Italiaansch bijtje gehad, wier

lijfje ik met een blauw vlekje gemerkt had. Al dadelijk bij haar tweeden

tocht kwam ze met twee harer zusters. Ik sloot deze beiden op en liet

haar ongemoeid. Ze ging weer heen, en kwam terug met drie gezellinnen,

die ik weer opsloot, en zoo steeds door tot op het eind van den middag

toen ik, mijne gevangenen tellende, constateerde, dat ze het nieuws aan

achttien bijen had meegedeeld.

In 't kort, indien ge dezelfde proeven neemt, zult ge bevinden, dat zulk

een mededeelzaamheid zoo al niet geregeld, dan toch op zijn minst

herhaaldelijk voorkomt. Deze eigenschap is zóó bekend bij de

bijen-verzamelaars in Amerika, dat ze er partij van trekken om een nest

te ontdekken. "Ze kiezen," zegt Josiah Itmery (aangehaald bij Romanus in

zijn werk _Het verstand der Dieren_ deel I, bl. 117) "ze kiezen om hunne

operaties te beginnen, een veld of een bosch, dat ver van eenige kolonie

van tamme bijen af ligt. Op het terrein aangekomen zien ze uit naar

bijen, die aan 't inzamelen zijn op de bloemen, vangen ze en sluiten ze

op in een doos met honing; als ze verzadigd zijn, laten zij ze vliegen.

Dan volgt een oogenblik van afwachting, waarvan de lengte afhangt van

den afstand waarop de boom met bijen zich bevindt; en met wat geduld

krijgt de jager ten slotte altijd zijn bijen weer in 't oog, die

terugkomen in gezelschap van verscheidene andere. Even als den eersten

keer maakt hij zich van hen meester, trakteert hen en laat hen los ieder

naar een ander punt, waarbij hij zorg draagt, de richting die zij nemen

goed in het oog te houden; het punt waar ze allen schijnen samen te

komen, wijst hem ten naasten bij de plaats van het nest aan."

Het leven der bijen · 第 60 / 136 题