Om ons nog een juister denkbeeld te vormen van hun verstand, blijft nog
te onderzoeken op welke wijze ze met elkander gemeenschap oefenen.
Klaarblijkelijk verstaan ze elkaar, en zou een republiek, die zooveel
leden telt, en wier arbeid zoo verschillend is en zoo wonderbaarlijk in
overeenstemming met elkaar, niet kunnen bestaan, indien zooveel
duizenden weezens in stilzwijgen en geestelijke afzondering naast
elkander leefden. Ze moeten dus het vermogen bezitten, hunne gedachten
of gevoelens te uiten, hetzij door middel van een woordenschat in
klanken, hetzij en dat is waarschijnlijker door middel van een voelbare
taal of magnetische intuïtie, die misschien in verband staat met
zintuigen of met eigenschappen der stof, die ons totaal onbekend zijn;
een intuïtie, die misschien zetelt in die geheimzinnige sprieten, die de
duisternis voelen en begrijpen, en die volgens de schatting van Cheshire
bij de werkbijen bestaan uit twaalf duizend voel-haren en vijf duizend
reukholten. Een bewijs, dat ze niet alleen overleg plegen met elkaar
omtrent hun gewonen arbeid, maar dat het buitengewone even goed een naam
en een plaats heeft in hun taal, is de wijze waarop een of ander
bericht, goed of ongunstig, gewoon of bovennatuurlijk, in den korf wordt
verbreid; het verlies of de terugkomst hunner moeder, de val van een
raat, de komst van een vijand, het indringen van een vreemde koningin,
de nadering van een bende roovers, de ontdekking van een schat, enz. Bij
ieder dezer gebeurtenissen zijn de houding en de geluiden der bijen zóó
verschillend en zóó karakteristiek, dat een ervaren bijenhouder vrij
gemakkelijk raadt, wat daar in de duisternis bij de verontruste menigte
voorvalt.
Wilt ge een duidelijk bewijs, neem dan eens eene bij waar, die op het
kozijn van uw raam of een hoekje van uw tafel eenige droppels honing
vindt, welke daar gemorst zijn. Dadelijk zal ze zich zóó begeerig
daarmee volproppen, dat ge op uw gemak en zonder gevaar haar af te
leiden, haar lijfje door een klein vlekje verf kunt merken. Maar deze
gulzigheid is slechts schijnbaar. Die honing komt niet in de eigenlijke
maag, in wat men haar persoonlijke maag zou kunnen noemen; hij blijft in
de honingblaas, de voormaag, die om zoo te zeggen de maag is van de
gemeenschap. Zoodra dit vaatje is gevuld, verwijdert zich de bij, maar
niet in eens en niet woest, zooals een vlinder of een vlieg doen zou. Ge
ziet haar integendeel eenige oogenblikken achteruit vliegen en met alle
attentie in het vensterkozijn of rondom uwe tafel heen en weer gaan met
het gelaat naar uw kamer gekeerd.
Ze verkent de plaats en neemt opmerkzaam de juiste ligging van den
schat in haar geheugen op. Dan begeeft ze zich naar den korf, zet daar
haar buit af in een der cellen van de voorraadschuur, om drie of vier
minuten later terug te keeren en een nieuw vrachtje te halen van dat
goedgunstige venster. Alle vijf minuten zoolang er nog honing is, tot
aan den avond toe als het moet, doet ze geregeld deze reisjes van het
raam naar den korf en van den korf naar het raam.