VII.

Om ons nog een juister denkbeeld te vormen van hun verstand, blijft nog

te onderzoeken op welke wijze ze met elkander gemeenschap oefenen.

Klaarblijkelijk verstaan ze elkaar, en zou een republiek, die zooveel

leden telt, en wier arbeid zoo verschillend is en zoo wonderbaarlijk in

overeenstemming met elkaar, niet kunnen bestaan, indien zooveel

duizenden weezens in stilzwijgen en geestelijke afzondering naast

elkander leefden. Ze moeten dus het vermogen bezitten, hunne gedachten

of gevoelens te uiten, hetzij door middel van een woordenschat in

klanken, hetzij en dat is waarschijnlijker door middel van een voelbare

taal of magnetische intuïtie, die misschien in verband staat met

zintuigen of met eigenschappen der stof, die ons totaal onbekend zijn;

een intuïtie, die misschien zetelt in die geheimzinnige sprieten, die de

duisternis voelen en begrijpen, en die volgens de schatting van Cheshire

bij de werkbijen bestaan uit twaalf duizend voel-haren en vijf duizend

reukholten. Een bewijs, dat ze niet alleen overleg plegen met elkaar

omtrent hun gewonen arbeid, maar dat het buitengewone even goed een naam

en een plaats heeft in hun taal, is de wijze waarop een of ander

bericht, goed of ongunstig, gewoon of bovennatuurlijk, in den korf wordt

verbreid; het verlies of de terugkomst hunner moeder, de val van een

raat, de komst van een vijand, het indringen van een vreemde koningin,

de nadering van een bende roovers, de ontdekking van een schat, enz. Bij

ieder dezer gebeurtenissen zijn de houding en de geluiden der bijen zóó

verschillend en zóó karakteristiek, dat een ervaren bijenhouder vrij

gemakkelijk raadt, wat daar in de duisternis bij de verontruste menigte

voorvalt.

Wilt ge een duidelijk bewijs, neem dan eens eene bij waar, die op het

kozijn van uw raam of een hoekje van uw tafel eenige droppels honing

vindt, welke daar gemorst zijn. Dadelijk zal ze zich zóó begeerig

daarmee volproppen, dat ge op uw gemak en zonder gevaar haar af te

leiden, haar lijfje door een klein vlekje verf kunt merken. Maar deze

gulzigheid is slechts schijnbaar. Die honing komt niet in de eigenlijke

maag, in wat men haar persoonlijke maag zou kunnen noemen; hij blijft in

de honingblaas, de voormaag, die om zoo te zeggen de maag is van de

gemeenschap. Zoodra dit vaatje is gevuld, verwijdert zich de bij, maar

niet in eens en niet woest, zooals een vlinder of een vlieg doen zou. Ge

ziet haar integendeel eenige oogenblikken achteruit vliegen en met alle

attentie in het vensterkozijn of rondom uwe tafel heen en weer gaan met

het gelaat naar uw kamer gekeerd.

Ze verkent de plaats en neemt opmerkzaam de juiste ligging van den

schat in haar geheugen op. Dan begeeft ze zich naar den korf, zet daar

haar buit af in een der cellen van de voorraadschuur, om drie of vier

minuten later terug te keeren en een nieuw vrachtje te halen van dat

goedgunstige venster. Alle vijf minuten zoolang er nog honing is, tot

aan den avond toe als het moet, doet ze geregeld deze reisjes van het

raam naar den korf en van den korf naar het raam.

Het leven der bijen · 第 59 / 136 题