Niettemin moeten wij de geheele waarheid zeggen. Naast alle wonderen van
hunne nijverheid, staatkunde en zelfvergetelheid, zal één ding ons
altijd verbazen en onze bewondering in toom houden: namelijk hunne
onverschilligheid voor den dood en het lijden hunner gezellinnen.
In het karakter der bij ligt een zonderlinge tegenstrijdigheid. In den
korf hebben allen elkaar lief en verleenen elkander hulp. Dan zijn ze
één als de goede gedachten eener zelfde ziel. Kwetst ge er ééne,
duizenden zullen zich opofferen om die beleediging te wreken. Buiten den
korf echter kennen ze elkaar niet. Vermink, verpletter--of liever doe
het vooral niet, 't zou noodelooze wreedheid zijn, want het feit staat
vast,--maar enfin laten we eens aannemen, dat ge op een raat, die een
paar schreden van hunne woning verwijderd is, tien, twintig of dertig
bijen verplettert, die uit denzelfden korf zijn gekomen; en de anderen,
die ge niet hebt aangeraakt, kijken er niet naar om en gaan kalm voort
door middel van hun tong, even fantastisch gevormd als een Chineesch
wapen, de vloeistof te putten, die hun meer waard is dan het leven,
onbekommerd om dien doodstrijd, aan welks laatste stuiptrekkingen ze
rakelings voorbijgaan, en om de wanhoopskreten, die rondom hen worden
geuit. En als de raat leeg is zullen ze kalm, om vooral niets verloren
te laten gaan en ook nog den honing te verzamelen, die aan de
slachtoffers kleeft, op de dooden en gewonden gaan zitten, zonder
geroerd te worden door de tegenwoordigheid der eersten, of er over te
denken, de laatsten te helpen. In dit geval hebben ze dus noch eenige
notie van het gevaar dat ze loopen, de dood toch die rondom hen woedt
verontrust hen niet, noch ook maar het geringste gevoel van solidariteit
of medelijden. Wat het gevaar betreft is dit zeer verklaarbaar, de bij
kent geen vrees en niets ter wereld jaagt haar vrees aan, behalve rook.
Als ze den korf verlaat ademt ze met de lucht tevens lankmoedigheid en
toegevendheid in. Ze gaat wie haar hindert uit den weg en neemt den
schijn aan zelfs het bestaan te ignoreeren van allen, die haar niet te
na komen. 't Is alsof ze zich bewust is in een heelal te verkeeren, dat
allen toebehoort, waar ieder recht heeft op zijne plaats, waar men
bescheiden en vreedzaam behoort te zijn. Maar onder deze toegevendheid
verbergt zich een moed, die zoo zeker is van zichzelf, dat hij er niet
aan denkt zich naar buiten te openbaren. Ze maakt een omweg als iemand
haar bedreigt, maar neemt nooit de vlucht. In den korf echter bepaalt ze
zich niet tot dat lijdelijk ignoreeren van het gevaar. Met ongehoorde
woestheid werpt ze zich op elk levend wezen: mier, leeuw of mensch, die
de heilige ark durft aan te tasten. Dat kunnen we al naar de gesteldheid
onzes geestes, drift, domme woede of heldenmoed noemen.
Maar over dat gebrek aan solidariteit buiten den korf en zelfs aan
sympathie in den korf valt er niets te zeggen. Moet men gelooven, dat er
zulke onvermoede grenzen bestaan voor ieder soort van verstand en dat
het vlammetje, dat met groote moeite uit een schedel opstijgt, door de
moeizame verbranding van zooveel levenlooze materie heen, altijd zóó
iets onzekers is, dat het alleen ten koste van veel andere dingen één
enkel ding eenigszins beter kan verlichten? Men mag aannemen, dat de
bij, of de natuur in de bij, op volmaakter wijze dan ergens elders, den
gemeenschappelijken arbeid, de vereering en liefde voor de toekomst
heeft georganiseerd. Is dit de reden waarom ze al het overige uit het
oog verliezen? Zij hebben lief vóór zich uit, en wij vooral om ons heen.
Misschien is 't voldoende hier lief te hebben, om geen liefde meer over
te houden voor ginds. Niets is wisselender dan de voorwerpen, waarop
onze liefde of ons medelijden zich richt. Wij zelven zouden in vroeger
tijd ons minder gekwetst hebben gevoeld dan tegenwoordig door deze
onverschilligheid der bijen, en velen uit den ouden tijd zouden er niet
over gedacht hebben, er hun eenig verwijt van te maken. En verder,
kunnen wij inzien, wat al reden tot verbazing een wezen hebben zou, dat
ons kon waarnemen, zooals wij de bijen?