VI.

Niettemin moeten wij de geheele waarheid zeggen. Naast alle wonderen van

hunne nijverheid, staatkunde en zelfvergetelheid, zal één ding ons

altijd verbazen en onze bewondering in toom houden: namelijk hunne

onverschilligheid voor den dood en het lijden hunner gezellinnen.

In het karakter der bij ligt een zonderlinge tegenstrijdigheid. In den

korf hebben allen elkaar lief en verleenen elkander hulp. Dan zijn ze

één als de goede gedachten eener zelfde ziel. Kwetst ge er ééne,

duizenden zullen zich opofferen om die beleediging te wreken. Buiten den

korf echter kennen ze elkaar niet. Vermink, verpletter--of liever doe

het vooral niet, 't zou noodelooze wreedheid zijn, want het feit staat

vast,--maar enfin laten we eens aannemen, dat ge op een raat, die een

paar schreden van hunne woning verwijderd is, tien, twintig of dertig

bijen verplettert, die uit denzelfden korf zijn gekomen; en de anderen,

die ge niet hebt aangeraakt, kijken er niet naar om en gaan kalm voort

door middel van hun tong, even fantastisch gevormd als een Chineesch

wapen, de vloeistof te putten, die hun meer waard is dan het leven,

onbekommerd om dien doodstrijd, aan welks laatste stuiptrekkingen ze

rakelings voorbijgaan, en om de wanhoopskreten, die rondom hen worden

geuit. En als de raat leeg is zullen ze kalm, om vooral niets verloren

te laten gaan en ook nog den honing te verzamelen, die aan de

slachtoffers kleeft, op de dooden en gewonden gaan zitten, zonder

geroerd te worden door de tegenwoordigheid der eersten, of er over te

denken, de laatsten te helpen. In dit geval hebben ze dus noch eenige

notie van het gevaar dat ze loopen, de dood toch die rondom hen woedt

verontrust hen niet, noch ook maar het geringste gevoel van solidariteit

of medelijden. Wat het gevaar betreft is dit zeer verklaarbaar, de bij

kent geen vrees en niets ter wereld jaagt haar vrees aan, behalve rook.

Als ze den korf verlaat ademt ze met de lucht tevens lankmoedigheid en

toegevendheid in. Ze gaat wie haar hindert uit den weg en neemt den

schijn aan zelfs het bestaan te ignoreeren van allen, die haar niet te

na komen. 't Is alsof ze zich bewust is in een heelal te verkeeren, dat

allen toebehoort, waar ieder recht heeft op zijne plaats, waar men

bescheiden en vreedzaam behoort te zijn. Maar onder deze toegevendheid

verbergt zich een moed, die zoo zeker is van zichzelf, dat hij er niet

aan denkt zich naar buiten te openbaren. Ze maakt een omweg als iemand

haar bedreigt, maar neemt nooit de vlucht. In den korf echter bepaalt ze

zich niet tot dat lijdelijk ignoreeren van het gevaar. Met ongehoorde

woestheid werpt ze zich op elk levend wezen: mier, leeuw of mensch, die

de heilige ark durft aan te tasten. Dat kunnen we al naar de gesteldheid

onzes geestes, drift, domme woede of heldenmoed noemen.

Maar over dat gebrek aan solidariteit buiten den korf en zelfs aan

sympathie in den korf valt er niets te zeggen. Moet men gelooven, dat er

zulke onvermoede grenzen bestaan voor ieder soort van verstand en dat

het vlammetje, dat met groote moeite uit een schedel opstijgt, door de

moeizame verbranding van zooveel levenlooze materie heen, altijd zóó

iets onzekers is, dat het alleen ten koste van veel andere dingen één

enkel ding eenigszins beter kan verlichten? Men mag aannemen, dat de

bij, of de natuur in de bij, op volmaakter wijze dan ergens elders, den

gemeenschappelijken arbeid, de vereering en liefde voor de toekomst

heeft georganiseerd. Is dit de reden waarom ze al het overige uit het

oog verliezen? Zij hebben lief vóór zich uit, en wij vooral om ons heen.

Misschien is 't voldoende hier lief te hebben, om geen liefde meer over

te houden voor ginds. Niets is wisselender dan de voorwerpen, waarop

onze liefde of ons medelijden zich richt. Wij zelven zouden in vroeger

tijd ons minder gekwetst hebben gevoeld dan tegenwoordig door deze

onverschilligheid der bijen, en velen uit den ouden tijd zouden er niet

over gedacht hebben, er hun eenig verwijt van te maken. En verder,

kunnen wij inzien, wat al reden tot verbazing een wezen hebben zou, dat

ons kon waarnemen, zooals wij de bijen?

Het leven der bijen · 第 58 / 136 题