Dezelfde natuuronderzoeker geeft een ander bewijs van hun gebrek aan
verstand en vindt dat in de volgende bladzijde van den grooten
Amerikaanschen bijenkenner, den eerwaardigen en vaderlijken Langstroth.
"Daar de vlieg", zegt Langstroth, "niet bestemd is te leven van bloemen
maar van stoffen, waarin ze gemakkelijk zou kunnen verdrinken, gaat ze
omzichtig op den rand van de voorwerpen zitten, die een vloeibaar
voedsel bevatten en zoo put ze voorzichtig daaruit; terwijl de arme bij
er zich hals over kop inwerpt en er weldra in sterft. Het rampzalig lot
hunner zusteren houdt de anderen ook geen oogenblik terug, wanneer zij
op hunne beurt in de nabijheid van het lokaas komen, want ze gaan als
onzinnigen op de lijken en de stervenden zitten, om hun treurig lot te
deelen. Niemand kan zich een voorstelling maken van den omvang hunner
dwaasheid, die niet den winkel van een banketbakker heeft belegerd
gezien door myriaden hongerige bijen. Ik heb er duizenden uit de stropen
zien halen, waarin ze waren verdronken, duizenden op de kokende suiker
zien vliegen, terwijl de grond was bedekt en de ramen verduisterd door
bijen, sommigen zich voortsleepend, andere vliegend, en nog andere zoo
totaal vastgekleefd, dat ze konden kruipen noch vliegen; er was er niet
één op de tien in staat de moeielijk verworven buit huiswaarts te
dragen, en toch was de lucht vol van nieuwe legioenen aankomenden, die
even onverstandig waren."
Dat is geen deugdelijker bewijs dan voor een bovenmenschelijken
waarnemer, die de grenzen van ons verstand zou willen bepalen, het
gezicht zou zijn van de verwoestingen door den alcohol of op een
slagveld aangericht. Misschien nog in mindere mate. De positie van de
bij is, wanneer men die met de onze vergelijkt, zeer vreemd in deze
wereld. Ze is daarin geplaatst om er te leven in de onbewuste en
onverschillige natuur, en niet naast een heel buitengewoon wezen, dat om
haar heen de meest vaste wetten onderst boven gooit en grootsche,
onbegrijpelijke natuurverschijnselen schept. In de gewone orde van
zaken, in het eentonig bestaan van het geboorte-woud, zou de
verdwaasdheid door Langstroth beschreven enkel mogelijk zijn indien
eenig toeval een korf vol honing deed breken. Maar dan zouden daar noch
doodelijke vensters, noch kokende suiker, noch al te dikke stropen zijn,
en bij gevolg weinig dooden en geen andere gevaren dan die welke ieder
dier loopt bij het vervolgen van zijne prooi.
Zouden wij beter dan zij onze koelbloedigheid bewaren, indien een
onverwachts opduikende macht bij iedere schrede onze rede in verzoeking
bracht? 't Is dus zeer moeielijk voor ons een oordeel te vellen over de
bijen, die wij zelven dol maken en wier verstand er niet op is ingericht
onze lagen te doorzien; zoo min als het onze er op is ingericht die van
een hooger maar niettemin bestaanbaar wezen te verijdelen. Daar we hier
niets kennen, dat over ons heerschappij voert, trekken we daaruit het
besluit, dat wij op onze aarde het hoogtepunt van het leven innemen;
maar alles in alles gerekend, is dat niet onbetwistbaar. Ik eisch van
niemand te gelooven, dat wij, wanneer we buitensporige of slechte dingen
doen, in de strikken vallen van een hooger wezen, maar onwaarschijnlijk
is het niet, dat dit eenmaal zal blijken zoo te zijn. Van een anderen
kant kan men niet redelijkerwijze beweren, dat de bijen ontbloot zijn
van verstand, omdat ze er nog niet in zijn geslaagd ons te onderscheiden
van een grooten aap of een beer, en ons behandelen zooals ze deze
trouwhartige gasten van het oer-woud zouden behandelen. Zeker is het,
dat er in ons en om ons heen invloeden en machten zijn, die onderling
evenzeer verschillen, en die wij evenmin van elkaar kunnen
onderscheiden.
En ten slotte, om te eindigen met deze apologie, waarmee ik eenigszins
in het zwak verval, waarvan ik sir John Lubbock een verwijt maakte, moet
men niet verstandig zijn, om in staat te zijn tot zóó groote dwaasheid?
Zoo gaat het altijd in het nog zoo onzekere domein van het verstand, dat
de meest wankele en de meest wisselvallige toestand is van de materie.
Onder hetzelfde licht als het verstand valt de hartstocht, waarvan men
niet met zekerheid zou kunnen zeggen of het de walm of de pit is van de
vlam. En hier is de hartstocht der bijen edel genoeg om het flikkeren
van het verstand te verontschuldigen. Wat hen tot deze onvoorzichtigheid
drijft, is niet de dierlijke begeerte zich vol te proppen met honing.
Dat konden ze naar hartelust doen in de voorraadschuren hunner eigen
woning.
Neem hen maar eens waar en volg hen in geheel overeenkomstige
omstandigheden; zoodra ze hun honingmaag vol hebben zult ge ze naar den
korf zien terugkeeren, hun buit daar afzetten, en wel dertig maal in een
uur den wonderbaren oogst zien verlaten en weer opzoeken. 't Is hier dus
dezelfde begeerte, die zooveel bewonderenswaardigs tot stand brengt: het
verlangen zooveel als ze maar kunnen van die goede gaven mee te brengen
naar het huis hunner zusters en der toekomst. Wanneer de dwaasheden der
menschen zooveel belangeloosheid tot grond hebben, geven we daaraan
dikwijls een gansch anderen naam.