V.

Dezelfde natuuronderzoeker geeft een ander bewijs van hun gebrek aan

verstand en vindt dat in de volgende bladzijde van den grooten

Amerikaanschen bijenkenner, den eerwaardigen en vaderlijken Langstroth.

"Daar de vlieg", zegt Langstroth, "niet bestemd is te leven van bloemen

maar van stoffen, waarin ze gemakkelijk zou kunnen verdrinken, gaat ze

omzichtig op den rand van de voorwerpen zitten, die een vloeibaar

voedsel bevatten en zoo put ze voorzichtig daaruit; terwijl de arme bij

er zich hals over kop inwerpt en er weldra in sterft. Het rampzalig lot

hunner zusteren houdt de anderen ook geen oogenblik terug, wanneer zij

op hunne beurt in de nabijheid van het lokaas komen, want ze gaan als

onzinnigen op de lijken en de stervenden zitten, om hun treurig lot te

deelen. Niemand kan zich een voorstelling maken van den omvang hunner

dwaasheid, die niet den winkel van een banketbakker heeft belegerd

gezien door myriaden hongerige bijen. Ik heb er duizenden uit de stropen

zien halen, waarin ze waren verdronken, duizenden op de kokende suiker

zien vliegen, terwijl de grond was bedekt en de ramen verduisterd door

bijen, sommigen zich voortsleepend, andere vliegend, en nog andere zoo

totaal vastgekleefd, dat ze konden kruipen noch vliegen; er was er niet

één op de tien in staat de moeielijk verworven buit huiswaarts te

dragen, en toch was de lucht vol van nieuwe legioenen aankomenden, die

even onverstandig waren."

Dat is geen deugdelijker bewijs dan voor een bovenmenschelijken

waarnemer, die de grenzen van ons verstand zou willen bepalen, het

gezicht zou zijn van de verwoestingen door den alcohol of op een

slagveld aangericht. Misschien nog in mindere mate. De positie van de

bij is, wanneer men die met de onze vergelijkt, zeer vreemd in deze

wereld. Ze is daarin geplaatst om er te leven in de onbewuste en

onverschillige natuur, en niet naast een heel buitengewoon wezen, dat om

haar heen de meest vaste wetten onderst boven gooit en grootsche,

onbegrijpelijke natuurverschijnselen schept. In de gewone orde van

zaken, in het eentonig bestaan van het geboorte-woud, zou de

verdwaasdheid door Langstroth beschreven enkel mogelijk zijn indien

eenig toeval een korf vol honing deed breken. Maar dan zouden daar noch

doodelijke vensters, noch kokende suiker, noch al te dikke stropen zijn,

en bij gevolg weinig dooden en geen andere gevaren dan die welke ieder

dier loopt bij het vervolgen van zijne prooi.

Zouden wij beter dan zij onze koelbloedigheid bewaren, indien een

onverwachts opduikende macht bij iedere schrede onze rede in verzoeking

bracht? 't Is dus zeer moeielijk voor ons een oordeel te vellen over de

bijen, die wij zelven dol maken en wier verstand er niet op is ingericht

onze lagen te doorzien; zoo min als het onze er op is ingericht die van

een hooger maar niettemin bestaanbaar wezen te verijdelen. Daar we hier

niets kennen, dat over ons heerschappij voert, trekken we daaruit het

besluit, dat wij op onze aarde het hoogtepunt van het leven innemen;

maar alles in alles gerekend, is dat niet onbetwistbaar. Ik eisch van

niemand te gelooven, dat wij, wanneer we buitensporige of slechte dingen

doen, in de strikken vallen van een hooger wezen, maar onwaarschijnlijk

is het niet, dat dit eenmaal zal blijken zoo te zijn. Van een anderen

kant kan men niet redelijkerwijze beweren, dat de bijen ontbloot zijn

van verstand, omdat ze er nog niet in zijn geslaagd ons te onderscheiden

van een grooten aap of een beer, en ons behandelen zooals ze deze

trouwhartige gasten van het oer-woud zouden behandelen. Zeker is het,

dat er in ons en om ons heen invloeden en machten zijn, die onderling

evenzeer verschillen, en die wij evenmin van elkaar kunnen

onderscheiden.

En ten slotte, om te eindigen met deze apologie, waarmee ik eenigszins

in het zwak verval, waarvan ik sir John Lubbock een verwijt maakte, moet

men niet verstandig zijn, om in staat te zijn tot zóó groote dwaasheid?

Zoo gaat het altijd in het nog zoo onzekere domein van het verstand, dat

de meest wankele en de meest wisselvallige toestand is van de materie.

Onder hetzelfde licht als het verstand valt de hartstocht, waarvan men

niet met zekerheid zou kunnen zeggen of het de walm of de pit is van de

vlam. En hier is de hartstocht der bijen edel genoeg om het flikkeren

van het verstand te verontschuldigen. Wat hen tot deze onvoorzichtigheid

drijft, is niet de dierlijke begeerte zich vol te proppen met honing.

Dat konden ze naar hartelust doen in de voorraadschuren hunner eigen

woning.

Neem hen maar eens waar en volg hen in geheel overeenkomstige

omstandigheden; zoodra ze hun honingmaag vol hebben zult ge ze naar den

korf zien terugkeeren, hun buit daar afzetten, en wel dertig maal in een

uur den wonderbaren oogst zien verlaten en weer opzoeken. 't Is hier dus

dezelfde begeerte, die zooveel bewonderenswaardigs tot stand brengt: het

verlangen zooveel als ze maar kunnen van die goede gaven mee te brengen

naar het huis hunner zusters en der toekomst. Wanneer de dwaasheden der

menschen zooveel belangeloosheid tot grond hebben, geven we daaraan

dikwijls een gansch anderen naam.

Het leven der bijen · 第 57 / 136 题