IV.

Het heeft er wel den schijn van alsof dit vermogen van zich aan te

passen de grenzen van het instinkt verre te buiten gaat.

Overigens is niets zoo willekeurig als deze onderscheiding tusschen het

instinkt en het eigenlijk gezegd verstand. Sir John Lubbock, die zulke

persoonlijke en zoo merkwaardige waarnemingen heeft gedaan met de

mieren, wespen en bijen, is zeer geneigd, misschien door een onbewuste

en eenigszins onrechtvaardige voorliefde voor de mieren, die hij meer

speciaal heeft waargenomen,--want ieder waarnemer wil, dat het insekt

hetwelk hij bestudeert verstandiger of merkwaardiger is dan de overige,

en 't is goed op zijne hoede te zijn tegen dit kleine zwak van onze

eigenliefde,--sir John Lubbock, zeg ik, is zeer geneigd aan de bij alle

onderscheidingsvermogen en alle overleg te ontzeggen, zoodra ze komt

buiten de routine van haar gewone werk. Als bewijs geeft hij een proef,

die ieder gemakkelijk kan nadoen. Breng in een karaf een half dozijn

vliegen en een half dozijn bijen en keer dan de karaf, als ze

horizontaal ligt, met den onderkant naar het raam van de kamer. De bijen

zullen uren lang, tot ze van vermoeienis en uitputting sterven,

voortgaan met een uitgang te zoeken door den bodem van het glas, terwijl

de vliegen binnen de twee minuten alle aan den tegenovergestelden kant

door den hals er uit zijn gekomen. Daaruit besluit sir John Lubbock, dat

het verstand der bij uiterst beperkt is en dat de vlieg veel meer

handigheid heeft om zich uit een moeielijkheid te redden en haar weg

terug te vinden. Deze gevolgtrekking komt me echter niet geheel

onberispelijk voor. Keer twintigmaal zoo ge wilt beurtelings den bodem

en den hals van den doorschijnenden bol naar het licht en twintigmalen

achtereen zullen de bijen zich tegelijk daarmee omkeeren naar het licht

toe. Wat bij de proef van den Engelschen geleerde hun ongeluk is, dat is

hun liefde voor het licht, en dat is hun verstand tevens.

Klaarblijkelijk verbeelden ze zich, dat in iedere gevangenis de

bevrijding moet komen van den kant waar het 't lichtst is, ze handelen

in overeenstemming daarmee en volharden in het al te logisch handelen.

Ze hebben nog nooit kennis genomen van dat bovennatuurlijk mysterie, dat

het glas voor hen is, van deze plotseling ondoordringbaar geworden

atmosfeer, die in de natuur niet voorkomt; en deze hinderpaal en dit

mysterie moeten hun des te ongeoorloofder en des te onbegrijpelijker

voorkomen, hoe verstandiger ze zijn. De domme vliegen daarentegen, die

zich niet om logica, om den drang naar het licht en het raadsel van het

kristal bekommeren, wentelen op goed geluk in den bol rond en, hier

genietende van het gunstig gesternte der onnoozelen, die somtijds een

uitweg vinden waar de wijzeren ondergaan, komen ze ten slotte

noodzakelijk bij den goeden hals terecht, die hen bevrijdt.

Het leven der bijen · 第 56 / 136 题