Het heeft er wel den schijn van alsof dit vermogen van zich aan te
passen de grenzen van het instinkt verre te buiten gaat.
Overigens is niets zoo willekeurig als deze onderscheiding tusschen het
instinkt en het eigenlijk gezegd verstand. Sir John Lubbock, die zulke
persoonlijke en zoo merkwaardige waarnemingen heeft gedaan met de
mieren, wespen en bijen, is zeer geneigd, misschien door een onbewuste
en eenigszins onrechtvaardige voorliefde voor de mieren, die hij meer
speciaal heeft waargenomen,--want ieder waarnemer wil, dat het insekt
hetwelk hij bestudeert verstandiger of merkwaardiger is dan de overige,
en 't is goed op zijne hoede te zijn tegen dit kleine zwak van onze
eigenliefde,--sir John Lubbock, zeg ik, is zeer geneigd aan de bij alle
onderscheidingsvermogen en alle overleg te ontzeggen, zoodra ze komt
buiten de routine van haar gewone werk. Als bewijs geeft hij een proef,
die ieder gemakkelijk kan nadoen. Breng in een karaf een half dozijn
vliegen en een half dozijn bijen en keer dan de karaf, als ze
horizontaal ligt, met den onderkant naar het raam van de kamer. De bijen
zullen uren lang, tot ze van vermoeienis en uitputting sterven,
voortgaan met een uitgang te zoeken door den bodem van het glas, terwijl
de vliegen binnen de twee minuten alle aan den tegenovergestelden kant
door den hals er uit zijn gekomen. Daaruit besluit sir John Lubbock, dat
het verstand der bij uiterst beperkt is en dat de vlieg veel meer
handigheid heeft om zich uit een moeielijkheid te redden en haar weg
terug te vinden. Deze gevolgtrekking komt me echter niet geheel
onberispelijk voor. Keer twintigmaal zoo ge wilt beurtelings den bodem
en den hals van den doorschijnenden bol naar het licht en twintigmalen
achtereen zullen de bijen zich tegelijk daarmee omkeeren naar het licht
toe. Wat bij de proef van den Engelschen geleerde hun ongeluk is, dat is
hun liefde voor het licht, en dat is hun verstand tevens.
Klaarblijkelijk verbeelden ze zich, dat in iedere gevangenis de
bevrijding moet komen van den kant waar het 't lichtst is, ze handelen
in overeenstemming daarmee en volharden in het al te logisch handelen.
Ze hebben nog nooit kennis genomen van dat bovennatuurlijk mysterie, dat
het glas voor hen is, van deze plotseling ondoordringbaar geworden
atmosfeer, die in de natuur niet voorkomt; en deze hinderpaal en dit
mysterie moeten hun des te ongeoorloofder en des te onbegrijpelijker
voorkomen, hoe verstandiger ze zijn. De domme vliegen daarentegen, die
zich niet om logica, om den drang naar het licht en het raadsel van het
kristal bekommeren, wentelen op goed geluk in den bol rond en, hier
genietende van het gunstig gesternte der onnoozelen, die somtijds een
uitweg vinden waar de wijzeren ondergaan, komen ze ten slotte
noodzakelijk bij den goeden hals terecht, die hen bevrijdt.