II.

Vóór we de plooien opheffen van het geheimzinnig gordijn in welks

beschutting de fondamenten worden gelegd van de eigenlijke woning,

willen we trachten er ons rekenschap van te geven, hoeveel verstand ons

volk van uitgewekenen zal moeten ontplooien, welk een juistheid van

blik, wat al berekeningen en hoeveel nijverheid er van hen worden

vereischt, om zich dit oord toe te eigenen, om in het ledig de plannen

te schetsen van de stad, er logisch de plaats in aan te geven van de

gebouwen, die zoo zuinig mogelijk en zoo snel mogelijk moeten gebouwd

worden, want de koningin heeft haast met het eieren leggen, en

verspreidt ze reeds over den grond.

Bovendien moeten ze in dezen doolhof van gebouwen, die nog slechts in de

verbeelding bestaan en wier vorm noodwendig ongewoon is, letten op de

wetten van luchtverversching, duurzaamheid en stevigheid; verder moeten

ze het weerstandsvermogen der was zoowel als de natuur der

levensmiddelen, die moeten worden opgedaan, de gemakkelijke

toegankelijkheid, de gewoonten der souvereine, de verdeeling der

entrepots, huizen, straten en stegen (die in zekeren zin reeds

vaststaat, omdat ze organisch de beste is,) en nog verscheidene andere

problemen, te veel om op te noemen, in aanmerking nemen.

De vorm der korven, die de mensch den bijen aanbiedt, is uiterst

verschillend, van af den hollen boom of den langwerpig steenen pot, die

nog in Afrika en Azië in gebruik is, tot den klassieken strooien korf,

dien men tusschen een groep zonnebloemen, phloxen en malven, onder de

vensters of in den moestuin van de meeste onzer boerderijen ziet staan,

en verder tot aan de formeele machines van het tegenwoordig

mobielstelsel, waarin somtijds meer dan honderdvijftig kilogrammen

honing zijn opgehoopt in drie of vier verdiepingen van boven elkander

geplaatste honingtafels, omgeven door een kastje of trommel, waardoor

men ze er uit kan nemen, ze hanteeren, den oogst er uit verwijderen door

de middelpuntvliedende kracht met behulp van een raderwerk, en ze weer

op hun plaats zetten, precies als een boek in een goed geordende

bibliotheek.

Een gril des menschen of de nijverheid brengt op zekeren dag den

volgzamen zwerm in de eene of andere soort dezer verbijsterende

woningen. Aan de kleine bij dan de taak zich daar op haar plaats te

vinden, zich te oriënteeren, plannen te wijzigen die de macht der dingen

om zoo te zeggen onveranderlijk maakte, in deze ongewone ruimte de

plaatsing vast te stellen van de wintermagazijnen, die moeten blijven

binnen het bereik van de warmte-zone welke door het half verdoofde

volkje wordt ontwikkeld; aan haar de taak te overzien op welk punt de

raten van het broedsel moeten komen, wier plaatsing op straffe van

onheil bijna onveranderlijk dezelfde moet zijn, noch te hoog, noch te

laag, noch te dicht bij, noch te ver van de deur. Ze komt b.v. uit den

stam van een omgevallen boom, die enkel één lange, horizontale, nauwe en

ineengedrongen galerij uitmaakte, en hier bevindt ze zich in een gebouw

zoo hoog als een toren en welks dak zich in de duisternis verliest. Of

wel om nog beter door te dringen tot hare 't meest voorkomende

verbazing, sedert eeuwen was ze gewend onder den strooien koepel onzer

dorps-korven te wonen, en daar brengt men haar nu in een soort van

groote kast of kist, drie a vier maal grooter dan haar geboorte-huis en

te midden van een warboel van raampjes boven elkaar opgehangen nu eens

parallel, dan weer loodrecht op den ingang, en die een heele stellage

vormen, waardoor geen der wanden harer woning meer te herkennen is.

Het leven der bijen · 第 54 / 136 题