Vóór we de plooien opheffen van het geheimzinnig gordijn in welks
beschutting de fondamenten worden gelegd van de eigenlijke woning,
willen we trachten er ons rekenschap van te geven, hoeveel verstand ons
volk van uitgewekenen zal moeten ontplooien, welk een juistheid van
blik, wat al berekeningen en hoeveel nijverheid er van hen worden
vereischt, om zich dit oord toe te eigenen, om in het ledig de plannen
te schetsen van de stad, er logisch de plaats in aan te geven van de
gebouwen, die zoo zuinig mogelijk en zoo snel mogelijk moeten gebouwd
worden, want de koningin heeft haast met het eieren leggen, en
verspreidt ze reeds over den grond.
Bovendien moeten ze in dezen doolhof van gebouwen, die nog slechts in de
verbeelding bestaan en wier vorm noodwendig ongewoon is, letten op de
wetten van luchtverversching, duurzaamheid en stevigheid; verder moeten
ze het weerstandsvermogen der was zoowel als de natuur der
levensmiddelen, die moeten worden opgedaan, de gemakkelijke
toegankelijkheid, de gewoonten der souvereine, de verdeeling der
entrepots, huizen, straten en stegen (die in zekeren zin reeds
vaststaat, omdat ze organisch de beste is,) en nog verscheidene andere
problemen, te veel om op te noemen, in aanmerking nemen.
De vorm der korven, die de mensch den bijen aanbiedt, is uiterst
verschillend, van af den hollen boom of den langwerpig steenen pot, die
nog in Afrika en Azië in gebruik is, tot den klassieken strooien korf,
dien men tusschen een groep zonnebloemen, phloxen en malven, onder de
vensters of in den moestuin van de meeste onzer boerderijen ziet staan,
en verder tot aan de formeele machines van het tegenwoordig
mobielstelsel, waarin somtijds meer dan honderdvijftig kilogrammen
honing zijn opgehoopt in drie of vier verdiepingen van boven elkander
geplaatste honingtafels, omgeven door een kastje of trommel, waardoor
men ze er uit kan nemen, ze hanteeren, den oogst er uit verwijderen door
de middelpuntvliedende kracht met behulp van een raderwerk, en ze weer
op hun plaats zetten, precies als een boek in een goed geordende
bibliotheek.
Een gril des menschen of de nijverheid brengt op zekeren dag den
volgzamen zwerm in de eene of andere soort dezer verbijsterende
woningen. Aan de kleine bij dan de taak zich daar op haar plaats te
vinden, zich te oriënteeren, plannen te wijzigen die de macht der dingen
om zoo te zeggen onveranderlijk maakte, in deze ongewone ruimte de
plaatsing vast te stellen van de wintermagazijnen, die moeten blijven
binnen het bereik van de warmte-zone welke door het half verdoofde
volkje wordt ontwikkeld; aan haar de taak te overzien op welk punt de
raten van het broedsel moeten komen, wier plaatsing op straffe van
onheil bijna onveranderlijk dezelfde moet zijn, noch te hoog, noch te
laag, noch te dicht bij, noch te ver van de deur. Ze komt b.v. uit den
stam van een omgevallen boom, die enkel één lange, horizontale, nauwe en
ineengedrongen galerij uitmaakte, en hier bevindt ze zich in een gebouw
zoo hoog als een toren en welks dak zich in de duisternis verliest. Of
wel om nog beter door te dringen tot hare 't meest voorkomende
verbazing, sedert eeuwen was ze gewend onder den strooien koepel onzer
dorps-korven te wonen, en daar brengt men haar nu in een soort van
groote kast of kist, drie a vier maal grooter dan haar geboorte-huis en
te midden van een warboel van raampjes boven elkaar opgehangen nu eens
parallel, dan weer loodrecht op den ingang, en die een heele stellage
vormen, waardoor geen der wanden harer woning meer te herkennen is.