I.

Laat ons liever eens zien wat de zwerm, dien de ymker in den korf heeft

opgevangen, daarin uitvoert. En laten we dan allereerst een gedachte

wijden aan het offer, dat er gebracht is door de vijftig duizend

maagden, die naar het woord van Ronsard "een teeder hart in een klein

lichaam omdragen", en nogmaals den moed bewonderen, die er toe vereischt

wordt om een nieuw leven te beginnen in de woestijn, waarin ze zijn

neergevallen. Ze vergeten dus de weelderige, prachtige stad, waarin ze

geboren zijn, waar het leven zoo veilig voor hen was en zoo prachtig

geregeld, waar het sap van alle bloemen, die een herinnering bewaren van

de zon, hen kon doen lachen om de dreigementen des winters. Ze hebben er

duizenden en duizenden kleintjes slapend in hun wieg achtergelaten, die

ze niet zullen weerzien. Behalve den enormen voorraad aan was, voorwas

en stuifmeel, die door hen was bijeengebracht, hebben ze meer dan

honderdtwintig pond honing in den steek gelaten, dat wil zeggen twaalf

maal het gewicht van het gansche volkje, bijna zes honderd duizend maal

het gewicht van iedere bij, wat voor den mensch zou gelijkstaan met twee

en veertig duizend vaten levensmiddelen, een gansche vloot van groote

vaartuigen beladen met kostbaarder en volmaakter spijzen dan alle, die

wij kennen; want de honing is voor de bijen een soort van vloeibaar

leven, een soort van chyl, die onmiddellijk en bijna zonder verlies

wordt geassimileerd.

Hier in de nieuwe woning vinden ze niets, geen druppel honig, geen

enkele wastafel, geen kenmerkend teeken, geen steunpunt. Een

troostelooze naaktheid als van een geweldig gebouw met niets dan een dak

en muren. De ronde, gladde wanden houden niets dan schaduw in zich

besloten en daarboven welft zich de monsterachtige koepel over het

ledig. Doch de bij kent geen ijdel geklaag, in ieder geval blijft ze er

niet bij stilstaan. Haar ijver, wel verre van te worden uitgedoofd door

een beproeving, die ieder ander wezen den moed zou doen verliezen, is

grooter dan ooit. Nauwelijks is de korf opgericht en op zijn plaats

gezet, nauwelijks begint de wanorde door dien geweldigen val veroorzaakt

eenigszins te bekomen, of men ziet in de verwarde menigte een duidelijk

afgescheiden en geheel onverwachte indeeling tot stand komen, Het

grootste deel der bijen begint als een leger, dat aan een duidelijk

geformuleerd bevel gehoorzaamt, in dichte rijen langs de vertikale

wanden te klimmen. Tot aan den koepel genaderd klampen de eerst

aangekomenen zich met de nagels hunner voorpooten daaraan vast; zij, die

daarna komen, haken zich vast aam de eersten en zoo voort, totdat er

lange ketenen gevormd zijn, die als brug dienen voor de aldoor maar

opstijgende menigte.

Langzamerhand als deze ketens tot in het oneindige zijn vermeerderd,

versterkt en in elkaar vastgemaakt, worden ze tot guirlandes, die op

hunne beurt onder het onafgebroken opklimmen van ontelbare bijen in een

dik en driehoekig gordijn veranderen, of veeleer in een soort van

stevigen, omgekeerden kegel, waarvan de punt aan den top van den koepel

is vastgehecht en welks basis al breeder wordend afdaalt tot op de helft

of twee derde van de totale hoogte van den korf. En dan, als de laatste

bij die zich door een inwendige stem geroepen voelt deel uit te maken

van dezen greep, het gordijn heeft bereikt, dat daar hangt in de

duisternis, komt er een einde aan het opklimmen; langzamerhand komt alle

beweging in den koepel tot rust, en de zonderlinge omgekeerde kegel

wacht uren lang, onder een stilte, die men voor gewijd zou kunnen houden

en in een onbewegelijkheid, die ons vrees zou kunnen aanjagen, op het

wonder van de was.

De rest der bijen, dat wil zeggen alle die onder in den korf zijn

gebleven, zijn, zonder zich te bekommeren om de vorming van het

wonderbaar gordijn, tusschen welks plooien een heerlijke gave zal

neerdalen, onderwijl bezig met onderzoeken van het gebouw, en slaan de

hand aan allen noodzakelijken arbeid.

De grond wordt zorgvuldig geveegd en alle vergane bladeren, alle takjes,

alle zandkorreltjes worden één voor één verwijderd; want de

zindelijkheid der bijen grenst aan eene manie, en als in het hartje van

den winter de strenge kou hen belet te volbrengen wat onder bijenkenners

hun "zindelijkheids-vlucht" genoemd wordt, dan sterven ze in massa als

slachtoffers van hevige ingewandsziekten, liever dan den korf te

bevuilen. Alleen de darren zijn onverbeterlijk onverschillig, en

bedekken schaamteloos de raten die zij bezoeken met vuil, zoodat de

werkbijen verplicht zijn onophoudelijk achter hen aan schoon te maken.

Na den schoonmaak beginnen de bijen van dezelfde profane groep, die zich

niet bemoeit met den kegel, welke daar in een soort van extase hangt,

zorgvuldig den binnensten omtrek der gemeenschappelijke woning te

dichten. Dan moeten alle spleten de revue passeeren en worden gevuld en

bestreken met voorwas, en dan begint het vernissen der wanden van boven

tot beneden. Er wordt een wacht geplaatst bij den ingang, en weldra gaan

een zeker aantal werkbijen naar de velden, om beladen met honingsap en

stuifmeel terug te keeren.

Het leven der bijen · 第 53 / 136 题