Laat ons nu terugkeeren tot onze bijen, die willen gaan zwermen en niet
hebben gewacht op het einde onzer overpeinzingen om het teeken van
vertrek te geven. Op het oogenblik, dat dit gegeven wordt, zou men
kunnen meenen, dat alle poorten der stad precies te gelijk door een
plotselingen en onverstandigen duw werden geopend, en de zwarte massa
komt er uit of liever borrelt er uit op, al naar het aantal openingen,
in een dubbelen, drievoudigen of viervoudigen straal, eerst recht,
trillend, gespannen, onafgebroken, maar in de ruimte dadelijk
uiteenvloeiend en zich uitbreidend tot een gonzend net, geweven uit
honderd duizenden van zenuwachtig trillende, doorschijnende
vleugeltjes. Gedurende enkele minuten zweeft dat net aldus boven den
bijenkorf onder een wonderbaar geruisch, alsof het doorschijnende zijde
ware, door duizenden en duizenden geëlectriseerde vingeren onophoudelijk
gescheurd en weer aaneengehecht. Het golft op en neer, aarzelt nog en
trilt als een feest-sluier door onzichtbare handen ten hemel geheven,
waar 't is alsof ze hem samenvouwen en weer ontplooien van af de bloemen
tot aan het azuur, in afwachting van de aankomst of 't vertrek van een
verheven persoonlijkheid. Eindelijk slaat één der kanten neer, een
andere wordt opgeheven, de vier zonnige hoeken van den blinkenden mantel
worden bijeengevoegd, en gelijk één dier met verstand bedeelde
tafellakens[1], die in de feeënsprookjes door de lucht vliegen om een of
anderen wensch te vervullen, richt hij zich, ten einde op nieuw de
gewijde vertegenwoordigster van de toekomst te omgeven, in zijn geheel
en reeds weer saamgevouwen naar de linde, den pereboom of den wilg,
waarop de koningin zich zoo juist heeft neergelaten, als een gouden
spijker, waaraan hij één voor één zijn muzikale golvingen bevestigt en
waar hij zijn paarlkleurige stof, verlicht door die tallooze
vleugeltjes, om heen rolt.
Eindelijk treed weder stilte in; al dat rumoer en die vreeselijke
sluier, die scheen gemaakt van louter bedreigingen, louter woede, die
oorverdoovende gouden hagel, die, maar steeds daar boven blijvende
hangen, onophoudelijk weerklonk over alle voorwerpen in de rondte, dat
alles wordt een oogenblik later omgezet in een grooten tros,
onschadelijk en vreedzaam hangend aan een boomtak en gevormd door
duizenden levende maar onbewegelijke besjes, die geduldig de terugkomst
afwachten van de verkenners, welke er op uit zijn om een toevluchtsoord
te zoeken.
[1] Waarschijnlijk een toespeling op het "Tafeltje dek u." VERT.