XXIX.

Laat ons nu terugkeeren tot onze bijen, die willen gaan zwermen en niet

hebben gewacht op het einde onzer overpeinzingen om het teeken van

vertrek te geven. Op het oogenblik, dat dit gegeven wordt, zou men

kunnen meenen, dat alle poorten der stad precies te gelijk door een

plotselingen en onverstandigen duw werden geopend, en de zwarte massa

komt er uit of liever borrelt er uit op, al naar het aantal openingen,

in een dubbelen, drievoudigen of viervoudigen straal, eerst recht,

trillend, gespannen, onafgebroken, maar in de ruimte dadelijk

uiteenvloeiend en zich uitbreidend tot een gonzend net, geweven uit

honderd duizenden van zenuwachtig trillende, doorschijnende

vleugeltjes. Gedurende enkele minuten zweeft dat net aldus boven den

bijenkorf onder een wonderbaar geruisch, alsof het doorschijnende zijde

ware, door duizenden en duizenden geëlectriseerde vingeren onophoudelijk

gescheurd en weer aaneengehecht. Het golft op en neer, aarzelt nog en

trilt als een feest-sluier door onzichtbare handen ten hemel geheven,

waar 't is alsof ze hem samenvouwen en weer ontplooien van af de bloemen

tot aan het azuur, in afwachting van de aankomst of 't vertrek van een

verheven persoonlijkheid. Eindelijk slaat één der kanten neer, een

andere wordt opgeheven, de vier zonnige hoeken van den blinkenden mantel

worden bijeengevoegd, en gelijk één dier met verstand bedeelde

tafellakens[1], die in de feeënsprookjes door de lucht vliegen om een of

anderen wensch te vervullen, richt hij zich, ten einde op nieuw de

gewijde vertegenwoordigster van de toekomst te omgeven, in zijn geheel

en reeds weer saamgevouwen naar de linde, den pereboom of den wilg,

waarop de koningin zich zoo juist heeft neergelaten, als een gouden

spijker, waaraan hij één voor één zijn muzikale golvingen bevestigt en

waar hij zijn paarlkleurige stof, verlicht door die tallooze

vleugeltjes, om heen rolt.

Eindelijk treed weder stilte in; al dat rumoer en die vreeselijke

sluier, die scheen gemaakt van louter bedreigingen, louter woede, die

oorverdoovende gouden hagel, die, maar steeds daar boven blijvende

hangen, onophoudelijk weerklonk over alle voorwerpen in de rondte, dat

alles wordt een oogenblik later omgezet in een grooten tros,

onschadelijk en vreedzaam hangend aan een boomtak en gevormd door

duizenden levende maar onbewegelijke besjes, die geduldig de terugkomst

afwachten van de verkenners, welke er op uit zijn om een toevluchtsoord

te zoeken.

[1] Waarschijnlijk een toespeling op het "Tafeltje dek u." VERT.

Het leven der bijen · 第 48 / 136 题