XXVIII.

Maar genoeg over dit punt; indien ik alle voorbeelden moest aanhalen,

zou ik niet uitgepraat raken. Om te resumeeren welke de rol en de

positie zijn der koningin, kan men zeggen, dat zij het hart doch tevens

de slavin is der stad, wier intellekt haar overal omgeeft. Zij is de

eenige souvereine, maar ook de koninklijke dienstmaagd, de gevangen

schatbewaarster der liefde en de verantwoordelijke afgevaardigde

daarvan. Haar volk dient en eerbiedigt haar, doch vergeet nimmer dat het

zich niet onderwerpt aan haar persoon, maar aan de zending, die ze

vervult en de levens, die zij vertegenwoordigt. Het zou moeite kosten

een menschelijke republiek te vinden, wier ontwerpen zulk een

aanmerkelijk deel der wenschen onzer planeet verwezenlijkten, een

democratie, waarbij de onafhankelijkheid tegelijkertijd volkomener en

redelijker was, en de onderwerping vollediger en meer beredeneerd. Maar

men zou er evenmin een vinden, waarin zwaardere en meer algeheele offers

werden gebracht. Meent niet, dat ik voor deze offers evenveel

bewondering koester als voor hun gevolgen. Zeer zeker ware het

wenschelijk, dat deze resultaten met minder lijden, minders offers

konden verkregen worden. Maar eenmaal dat beginsel aangenomen--en

misschien is het noodzakelijk in de gedachte die onzen aardbol

beheerscht--is de organisatie daarvan bewonderenswaardig. Hoeveel of hoe

weinig waarheid er moge schuilen in de menschelijke opvatting, in den

bijenkorf wordt het leven niet beschouwd als een rij min of meer

aangename uren, waarvan men verstandig doet er zoo min mogelijk te

verdonkeren of te verbitteren behalve de minuten die onvermijdelijk

zijn om het te onderhouden: doch als een groote gemeenschappelijke

plicht tegenover een toekomst, die al maar verder wijkt sedert den

aanvang der wereld. Ieder doet er afstand van de grootste helft van zijn

geluk en zijne rechten. De koningin zegt vaarwel aan 't zonlicht, de

bloemkelken en de vrijheid, de werkbijen aan de liefde, aan vier of vijf

levensjaren en de moederweelde. De koningin ziet hare hersenen

gereduceerd tot niets ten behoeve van de organen der voortplanting, en

de werkbijen zien deze zelfde organen afsterven ten bate van hun

verstand. 't Zou onbillijk zijn te beweren, dat de wil in 't geheel geen

aandeel heeft aan deze offers. We hebben gezien, dat elke larve eener

werkbij, als ze gevoed en gehuisvest werd op koninklijke wijze, koningin

zou kunnen worden; en evenzoo zou iedere koninklijke larve, als men haar

voedsel veranderde en hare cel verkleinde, in een werkbij veranderd

worden. Zulk eene merkwaardige keuze vindt dagelijks plaats in de gouden

schaduw van den bijenkorf. Ze is niet de vrucht van het toeval; maar een

wijsheid, wier diepe ernst en eerlijkheid alleen de mensch kan

miskennen, een wijsheid, die altijd waakzaam is, doet of vernietigt die

keuze, in verband met al wat buiten de stad zoowel als binnen hare muren

plaats grijpt. Als er zich plotseling een ongedachte menigte bloemen

voordoet, als de koningin oud is of minder vruchtbaar, als de bevolking

zich ophoopt en geen ruimte genoeg heeft, dan zult ge koninklijke cellen

zien ontstaan. Deze zelfde cellen kunnen weer vernietigd worden, indien

de oogst mislukt of de korf wordt vergroot. Dikwijls worden ze in wezen

gehouden zoolang de jeugdige koningin haar parings-vlucht nog niet of

nog zonder succes heeft volbracht, om vernietigd te worden zoodra ze in

den korf terugkeert met het onbedriegelijk teeken harer bevruchting als

een trophee achter zich aan.

Waar is nu deze wijsheid te vinden, die aldus heden en toekomst in de

weegschaal legt en voor welke het nog niet zichtbare zwaarder weegt dan

al wat men aanschouwt? Waar zetelt die anonyme voorzichtigheid, die

verwerpt en verkiest, verheft en vernedert, die van zoovele werkbijen

evenveel koninginnen zou kunnen maken en van zoovele moeders een volk

van maagden vormt? Elders hebben we gezegd, dat ze te vinden is in "den

geest van den bijenkorf"; maar waar hebben we dan dien "geest van den

korf" te zoeken, zoo niet in de vereeniging der werkbijen? Om er zich

van te overtuigen, dat hij daar thuis behoort, was het misschien niet

noodig geweest zoo nauwkeurig de gewoonten der koninklijke republiek na

te gaan. Het ware voldoende geweest, even als Dujardin, Brandt, Girard,

Vogel en andere insectenkenners gedaan hebben, het kleine, onoogelijke

kopje vol zorgen van de maagdelijke werkbij onder het microscoop te

plaatsen naast den eenigszins leegen schedel der koningin en den

prachtigen kop van een dar, waarin zesentwintig duizend oogen

schitteren. We hadden dan kunnen zien, dat in dat kleine kopje de

kronkelingen van de grootste en volmaakste hersenen van den ganschen

bijenkorf opgesloten liggen. 't Zijn zelfs na die van den mensch, in een

andere orde en met verschillende organisatie, de schoonste,

ingewikkeldste, teederste en volmaaktste hersenen, die in de natuur

voorkomen[1].

Ook hier, zoo goed als overal elders in de ons bekende wereld, is het

gezag, de ware kracht, de wijsheid en de zegepraal daar te vinden, waar

de hersenen zijn. Ook hier is het een bijna onzichtbaar atoom van deze

geheimzinnige stof, dat de materie aan zich onderwerpt en organiseert en

dat zich een duurzame en zegevierende plaats weet te scheppen te midden

van de enorme en inerte machten van dood en niet-zijn.

[1] De hersenen der bijen vormen naar de berekening van Dujardin het

174ste deel van het totale gewicht van 't insect; die van de mieren het

296ste. Daarentegen zijn de _peduncidi cerebri_ (een bundel

zenuw-vezelen), die zich schijnen te ontwikkelen naar evenredigheid der

overwinningen van het intellekt over het instinkt, van minder beteekenis

bij de bij dan bij de mier. Daar het een tegen het ander opweegt,

schijnt men uit deze berekeningen te kunnen opmaken, (als men maar niet

vergeet dat het voor een deel slechts een hypothese is, en als men

rekening houdt met de onbekendheid der materie,) dat de intellektueele

beteekenis der mieren en die der bijen ongeveer gelijk moet zijn.

Het leven der bijen · 第 47 / 136 题