Maar genoeg over dit punt; indien ik alle voorbeelden moest aanhalen,
zou ik niet uitgepraat raken. Om te resumeeren welke de rol en de
positie zijn der koningin, kan men zeggen, dat zij het hart doch tevens
de slavin is der stad, wier intellekt haar overal omgeeft. Zij is de
eenige souvereine, maar ook de koninklijke dienstmaagd, de gevangen
schatbewaarster der liefde en de verantwoordelijke afgevaardigde
daarvan. Haar volk dient en eerbiedigt haar, doch vergeet nimmer dat het
zich niet onderwerpt aan haar persoon, maar aan de zending, die ze
vervult en de levens, die zij vertegenwoordigt. Het zou moeite kosten
een menschelijke republiek te vinden, wier ontwerpen zulk een
aanmerkelijk deel der wenschen onzer planeet verwezenlijkten, een
democratie, waarbij de onafhankelijkheid tegelijkertijd volkomener en
redelijker was, en de onderwerping vollediger en meer beredeneerd. Maar
men zou er evenmin een vinden, waarin zwaardere en meer algeheele offers
werden gebracht. Meent niet, dat ik voor deze offers evenveel
bewondering koester als voor hun gevolgen. Zeer zeker ware het
wenschelijk, dat deze resultaten met minder lijden, minders offers
konden verkregen worden. Maar eenmaal dat beginsel aangenomen--en
misschien is het noodzakelijk in de gedachte die onzen aardbol
beheerscht--is de organisatie daarvan bewonderenswaardig. Hoeveel of hoe
weinig waarheid er moge schuilen in de menschelijke opvatting, in den
bijenkorf wordt het leven niet beschouwd als een rij min of meer
aangename uren, waarvan men verstandig doet er zoo min mogelijk te
verdonkeren of te verbitteren behalve de minuten die onvermijdelijk
zijn om het te onderhouden: doch als een groote gemeenschappelijke
plicht tegenover een toekomst, die al maar verder wijkt sedert den
aanvang der wereld. Ieder doet er afstand van de grootste helft van zijn
geluk en zijne rechten. De koningin zegt vaarwel aan 't zonlicht, de
bloemkelken en de vrijheid, de werkbijen aan de liefde, aan vier of vijf
levensjaren en de moederweelde. De koningin ziet hare hersenen
gereduceerd tot niets ten behoeve van de organen der voortplanting, en
de werkbijen zien deze zelfde organen afsterven ten bate van hun
verstand. 't Zou onbillijk zijn te beweren, dat de wil in 't geheel geen
aandeel heeft aan deze offers. We hebben gezien, dat elke larve eener
werkbij, als ze gevoed en gehuisvest werd op koninklijke wijze, koningin
zou kunnen worden; en evenzoo zou iedere koninklijke larve, als men haar
voedsel veranderde en hare cel verkleinde, in een werkbij veranderd
worden. Zulk eene merkwaardige keuze vindt dagelijks plaats in de gouden
schaduw van den bijenkorf. Ze is niet de vrucht van het toeval; maar een
wijsheid, wier diepe ernst en eerlijkheid alleen de mensch kan
miskennen, een wijsheid, die altijd waakzaam is, doet of vernietigt die
keuze, in verband met al wat buiten de stad zoowel als binnen hare muren
plaats grijpt. Als er zich plotseling een ongedachte menigte bloemen
voordoet, als de koningin oud is of minder vruchtbaar, als de bevolking
zich ophoopt en geen ruimte genoeg heeft, dan zult ge koninklijke cellen
zien ontstaan. Deze zelfde cellen kunnen weer vernietigd worden, indien
de oogst mislukt of de korf wordt vergroot. Dikwijls worden ze in wezen
gehouden zoolang de jeugdige koningin haar parings-vlucht nog niet of
nog zonder succes heeft volbracht, om vernietigd te worden zoodra ze in
den korf terugkeert met het onbedriegelijk teeken harer bevruchting als
een trophee achter zich aan.
Waar is nu deze wijsheid te vinden, die aldus heden en toekomst in de
weegschaal legt en voor welke het nog niet zichtbare zwaarder weegt dan
al wat men aanschouwt? Waar zetelt die anonyme voorzichtigheid, die
verwerpt en verkiest, verheft en vernedert, die van zoovele werkbijen
evenveel koninginnen zou kunnen maken en van zoovele moeders een volk
van maagden vormt? Elders hebben we gezegd, dat ze te vinden is in "den
geest van den bijenkorf"; maar waar hebben we dan dien "geest van den
korf" te zoeken, zoo niet in de vereeniging der werkbijen? Om er zich
van te overtuigen, dat hij daar thuis behoort, was het misschien niet
noodig geweest zoo nauwkeurig de gewoonten der koninklijke republiek na
te gaan. Het ware voldoende geweest, even als Dujardin, Brandt, Girard,
Vogel en andere insectenkenners gedaan hebben, het kleine, onoogelijke
kopje vol zorgen van de maagdelijke werkbij onder het microscoop te
plaatsen naast den eenigszins leegen schedel der koningin en den
prachtigen kop van een dar, waarin zesentwintig duizend oogen
schitteren. We hadden dan kunnen zien, dat in dat kleine kopje de
kronkelingen van de grootste en volmaakste hersenen van den ganschen
bijenkorf opgesloten liggen. 't Zijn zelfs na die van den mensch, in een
andere orde en met verschillende organisatie, de schoonste,
ingewikkeldste, teederste en volmaaktste hersenen, die in de natuur
voorkomen[1].
Ook hier, zoo goed als overal elders in de ons bekende wereld, is het
gezag, de ware kracht, de wijsheid en de zegepraal daar te vinden, waar
de hersenen zijn. Ook hier is het een bijna onzichtbaar atoom van deze
geheimzinnige stof, dat de materie aan zich onderwerpt en organiseert en
dat zich een duurzame en zegevierende plaats weet te scheppen te midden
van de enorme en inerte machten van dood en niet-zijn.
[1] De hersenen der bijen vormen naar de berekening van Dujardin het
174ste deel van het totale gewicht van 't insect; die van de mieren het
296ste. Daarentegen zijn de _peduncidi cerebri_ (een bundel
zenuw-vezelen), die zich schijnen te ontwikkelen naar evenredigheid der
overwinningen van het intellekt over het instinkt, van minder beteekenis
bij de bij dan bij de mier. Daar het een tegen het ander opweegt,
schijnt men uit deze berekeningen te kunnen opmaken, (als men maar niet
vergeet dat het voor een deel slechts een hypothese is, en als men
rekening houdt met de onbekendheid der materie,) dat de intellektueele
beteekenis der mieren en die der bijen ongeveer gelijk moet zijn.