XXVII.

Zooals men ziet, wordt alles aan deze toekomst ondergeschikt gemaakt met

een scherpheid van blik, een eenstemmigheid, een onbuigzaamheid, eene

vaardigheid in het verklaren der omstandigheden en het partij trekken

daarvan, die ons verbaasd doen staan, als men rekening houdt met al het

onverwachte, al het bovennatuurlijke, dat in den laatsten tijd door onze

inmenging onophoudelijk in hunne woningen binnendringt. Misschien zal

men zeggen, dat ze in het laatst aangehaalde geval al een heel slechte

verklaring geven van de onmacht hunner koningin hen te volgen. Zouden

wij veel meer doorzicht hebben, indien een geest van een andere orde,

die een lichaam tot zijn dispositie had zóó kolossaal, dat zijne

bewegingen bijna even ontastbaar zouden zijn als die van een

natuurverschijnsel, er behagen in schepte ons dergelijke strikken te

spannen? Hebben wij niet eenige duizenden jaren noodig gehad om een

eenigszins aannemelijke verklaring van den bliksem te vinden? Elk

intellekt is met langzaamheid geslagen als het komt buiten zijn altijd

beperkte sfeer, en zich geplaatst ziet tegenover gebeurtenissen, waartoe

het niet zelf den eersten stoot heeft gegeven. Bovendien is 't niet eens

zeker of de bijen, indien de proef met het traliewerk algemeen werd en

eenigen tijd aanhield, niet zouden eindigen met begrijpen en aan de

bezwaren zouden tegemoet komen. Ze hebben reeds vele andere

proefnemingen begrepen en er op de best mogelijke wijze partij van

getrokken, b.v. bij die van de "bewegelijke honingraten", of van de

"secties", waardoor men hen noodzaakt hunne provisie honing op te bergen

in symmetrisch op elkaar gestapelde doosjes; of ook bij de buitengewone

proef met de "kunstraten voorzien van cellen-indruk," waarbij de cellen

enkel zijn aangegeven door een dun omtrekje van was; dadelijk zien ze

het nut daarvan in en werken ze zorgvuldig uit, zoodat ze zonder verlies

van materiaal of arbeid, volmaakte celletjes daaruit vormen. Ontdekken

ze niet in al die omstandigheden, die zich niet voordoen onder den vorm

van een of anderen strik, gespannen door een soort van boosaardigen en

geslepen godheid, de beste en de eenige menschelijke oplossing? Om maar

eens een dergelijke natuurlijke maar gansch abnormale omstandigheid te

noemen: laat er een slak of een muis in den korf zijn gekomen en er ter

dood gebracht, wat doen ze dan om zich te ontdoen van het lijk, dat

weldra de atmosfeer zou vergiftigen? Als ze het onmogelijk kunnen

verwijderen of stuk maken, dan sluiten ze het methodisch en hermetisch

op in een echt graf van was en maagdenwas, dat een wonderlijken indruk

maakt te midden der gewone monumenten der stad. Verleden jaar vond ik in

een mijner bijenkorven drie zulke graven aaneen, onderling gescheiden op

de wijze der cellen van een honingraat door tusschenschotten, waardoor

zoo min mogelijk was verbruikt werd. De voorzichtige lijkbezorgsters

hadden ze gebouwd op de overblijfselen van drie kleine huisjesslakken,

die een kind binnen hun kolonie gebracht had. Als ze met huisjesslakken

te doen hebben, vergenoegen ze er zich gewoonlijk mee, de opening der

schelp met was te bedekken. Maar hier vonden ze het eenvoudiger, daar de

schelpen min of meer gebroken of gebarsten waren, ze in hun geheel te

begraven, en om het in- en uitgaan door de poort niet te belemmeren,

hadden ze in deze hinderlijke massa een zeker aantal galerijen weten te

maken, geheel van de juiste afmetingen niet voor hun lichaam maar voor

dat der darren, die ongeveer tweemaal dikker zijn dan zij. Geeft dit

feit, en ook het volgende, ons niet het recht te meenen, dat ze ook wel

eenmaal zouden weten te ontcijferen, wat de reden is waarom de koningin

hen niet kan volgen door de tralies? Ze hebben een zeer juisten blik

voor afmetingen en voor de ruimte, die eenig lichaam noodig heeft om

zich te bewegen. In de streken, waar de afschuwelijke doodshoofdvlinder

tiert, de _Acherontia Atropos_, maken ze aan den ingang van hun korf

wassen pilaartjes, waar de nachtelijke roover met zijn enorm achterlijf

niet tusschen door kan.

Het leven der bijen · 第 46 / 136 题