"Men zal het met mij eens zijn", zegt Buffon--die een grappigen wrok
tegen de bijen koestert--"men zal het met mij eens zijn, dat deze
diertjes als men ze afzonderlijk neemt, minder geniaal zijn dan de
hond, de aap en de meeste dieren; men zal het met mij eens zijn, dat ze
minder leerzaam zijn, minder aanhankelijk, minder gevoelig, in één woord
minder eigenschappen bezitten, die met de onze te vergelijken zijn;
indien dit zoo is, moet men toegeven, dat hun schijnbaar verstand enkel
voortspruit uit hun samen-zijn; aan deze vereeniging echter op zichzelf
behoeft geenerlei verstand ten grondslag te liggen, want ze komen niet
samen uit eenig moreel oogpunt, buiten hun toedoen zien ze zich bijeen.
Deze maatschappij is dus enkel een physiek bijeenzijn, door de natuur
verordend, onafhankelijk van alle inzicht, alle kennis en alle
redeneering. De moeder-bij brengt tien duizend individuen voort, alle
tegelijk en op dezelfde plaats; deze tien duizend individuen zullen, al
waren ze duizend maal dommer dan ik aanneem, enkel reeds om te kunnen
blijven bestaan, genoodzaakt zijn, zich op een of andere wijze naar
elkaar te schikken; daar ze alle werken met gelijke krachten zullen ze,
al wilden ze ook aanvankelijk elkaar afbreuk doen, juist daarom al
spoedig elkaar zoo min mogelijk schaden, dat wil zeggen elkaar helpen;
dan lijkt het dus alsof ze 't met elkaar eens zijn en meewerken tot
eenzelfde doel; de toeschouwer verleent hun al spoedig allerlei
inzichten en al het verstand, dat hun ontbreekt; hij wil rekenschap
geven van iedere handeling, iedere beweging krijgt weldra haar motief,
en van daar tallooze wonderbare of monsterachtige redeneeringen. Want
deze tien duizend individuen, die alle tegelijk zijn voortgebracht, die
samen hebben gewoond, die alle ongeveer in denzelfden tijd hunne
gedaanteverwisseling hebben ondergaan, moeten noodzakelijk alle
hetzelfde doen, en als ze ook maar een greintje gevoel bezitten,
gemeenschappelijke gewoonten aannemen, zich naar elkaar schikken, op
goeden voet met elkaar komen te staan, hunne aandacht wijden aan hunne
woning, daarheen terugkeeren nadat ze er zich van verwijderd hebben
enz., en daar hebben we nu de bouwkunst, de geometrie, de orde, het
vooruitzien, de liefde voor 't vaderland, voor de republiek, wat alles
gebaseerd is, gelijk men ziet, op de bewondering van den toeschouwer."
Dat is nu eens een gansch andere manier om het leven der bijen te
verklaren. Aanvankelijk kan ze natuurlijker schijnen, doch zou dat niet
zijn om de zeer eenvoudige reden, dat ze bijna niets verklaart? De
zakelijke dwalingen van deze bladzijde ga ik met stilzwijgen voorbij,
maar zou dit zich voegen naar de noodzakelijkheid en het
gemeenschappelijk leven, elkaar zoo min mogelijk benadeelend, zou dat
niet evenzeer een zeker verstand verraden, dat des te opmerkelijker is
als men van meer nabij beschouwt, hoe deze "tien duizend individuen" het
aanleggen om elkaar te helpen en niet te benadeelen? En bovendien is 't
niet onze eigen geschiedenis, en wat zegt onze oude, booze
natuuronderzoeker, dat niet precies evengoed op onze geheele
menschelijke maatschappij kan worden toegepast? En wederom, zoo men dan
wil, dat onze bijen geen enkel der ideeën of gevoelens zullen bezitten,
die wij hun toeschrijven, wat maakt het uit waarheen men onze verbazing
verwijst? Oordeelt men het onvoorzichtig de bijen te bewonderen, dan
zullen we de natuur bewonderen, er komt toch altijd een punt waarop men
ons onze bewondering niet kan ontrooven, en we zullen er niets bij
verliezen, dat we hebben uitgesteld en afgewacht.