XXII.

"Men zal het met mij eens zijn", zegt Buffon--die een grappigen wrok

tegen de bijen koestert--"men zal het met mij eens zijn, dat deze

diertjes als men ze afzonderlijk neemt, minder geniaal zijn dan de

hond, de aap en de meeste dieren; men zal het met mij eens zijn, dat ze

minder leerzaam zijn, minder aanhankelijk, minder gevoelig, in één woord

minder eigenschappen bezitten, die met de onze te vergelijken zijn;

indien dit zoo is, moet men toegeven, dat hun schijnbaar verstand enkel

voortspruit uit hun samen-zijn; aan deze vereeniging echter op zichzelf

behoeft geenerlei verstand ten grondslag te liggen, want ze komen niet

samen uit eenig moreel oogpunt, buiten hun toedoen zien ze zich bijeen.

Deze maatschappij is dus enkel een physiek bijeenzijn, door de natuur

verordend, onafhankelijk van alle inzicht, alle kennis en alle

redeneering. De moeder-bij brengt tien duizend individuen voort, alle

tegelijk en op dezelfde plaats; deze tien duizend individuen zullen, al

waren ze duizend maal dommer dan ik aanneem, enkel reeds om te kunnen

blijven bestaan, genoodzaakt zijn, zich op een of andere wijze naar

elkaar te schikken; daar ze alle werken met gelijke krachten zullen ze,

al wilden ze ook aanvankelijk elkaar afbreuk doen, juist daarom al

spoedig elkaar zoo min mogelijk schaden, dat wil zeggen elkaar helpen;

dan lijkt het dus alsof ze 't met elkaar eens zijn en meewerken tot

eenzelfde doel; de toeschouwer verleent hun al spoedig allerlei

inzichten en al het verstand, dat hun ontbreekt; hij wil rekenschap

geven van iedere handeling, iedere beweging krijgt weldra haar motief,

en van daar tallooze wonderbare of monsterachtige redeneeringen. Want

deze tien duizend individuen, die alle tegelijk zijn voortgebracht, die

samen hebben gewoond, die alle ongeveer in denzelfden tijd hunne

gedaanteverwisseling hebben ondergaan, moeten noodzakelijk alle

hetzelfde doen, en als ze ook maar een greintje gevoel bezitten,

gemeenschappelijke gewoonten aannemen, zich naar elkaar schikken, op

goeden voet met elkaar komen te staan, hunne aandacht wijden aan hunne

woning, daarheen terugkeeren nadat ze er zich van verwijderd hebben

enz., en daar hebben we nu de bouwkunst, de geometrie, de orde, het

vooruitzien, de liefde voor 't vaderland, voor de republiek, wat alles

gebaseerd is, gelijk men ziet, op de bewondering van den toeschouwer."

Dat is nu eens een gansch andere manier om het leven der bijen te

verklaren. Aanvankelijk kan ze natuurlijker schijnen, doch zou dat niet

zijn om de zeer eenvoudige reden, dat ze bijna niets verklaart? De

zakelijke dwalingen van deze bladzijde ga ik met stilzwijgen voorbij,

maar zou dit zich voegen naar de noodzakelijkheid en het

gemeenschappelijk leven, elkaar zoo min mogelijk benadeelend, zou dat

niet evenzeer een zeker verstand verraden, dat des te opmerkelijker is

als men van meer nabij beschouwt, hoe deze "tien duizend individuen" het

aanleggen om elkaar te helpen en niet te benadeelen? En bovendien is 't

niet onze eigen geschiedenis, en wat zegt onze oude, booze

natuuronderzoeker, dat niet precies evengoed op onze geheele

menschelijke maatschappij kan worden toegepast? En wederom, zoo men dan

wil, dat onze bijen geen enkel der ideeën of gevoelens zullen bezitten,

die wij hun toeschrijven, wat maakt het uit waarheen men onze verbazing

verwijst? Oordeelt men het onvoorzichtig de bijen te bewonderen, dan

zullen we de natuur bewonderen, er komt toch altijd een punt waarop men

ons onze bewondering niet kan ontrooven, en we zullen er niets bij

verliezen, dat we hebben uitgesteld en afgewacht.

Het leven der bijen · 第 41 / 136 题