Men zal zeggen, dat dit zeer gewaagde en veel te menschelijke gissingen
zijn, dat de bijen waarschijnlijk in 't geheel geen ideeën van dezen
aard hebben en dat het denkbeeld van toekomst, van liefde tot hun
geslacht en dergelijke meer, die wij hun toeschrijven, in den grond der
zaak alleen de vorm is, dien de noodzakelijkheid van te leven, de vrees
voor lijden en dood en de aantrekkingskracht van 't genot voor hen
aanneemt. Ik geef het toe, zoo men wil is dat alles slechts bij manier
van spreken, ik hecht er dan ook niet veel gewicht aan. 't Eenige wat
vaststaat is, hierin evenals in vele andere gevallen, dat men heeft
geconstateerd hoe de bijen in die en die omstandigheid met hunne
koningin zus of zoo handelen. De rest is een mysterie, waaromtrent men
slechts meer of minder welgevallige, meer of minder vernuftige gissingen
kan maken. Maar als we over de menschen eens juist zoo spraken als 't
misschien verstandig is over de bijen te spreken, zouden we er dan veel
meer van kunnen zeggen? Wij ook gehoorzamen enkel aan den drang der
noodzakelijkheid, aan de aantrekkingskracht van het genot of den afkeer
van het lijden, en wat wij ons verstand noemen heeft denzelfden
oorsprong en dezelfde bedoeling, als wat wij bij de dieren instinct
noemen. Wij volbrengen zekere daden waarvan we ons vleien de oorzaak
beter te begrijpen dan zij; maar behalve dat deze onderstelling op
geenerlei vasten grond berust, deze daden zijn onbeduidend en gering in
aantal vergeleken bij de enorme massa onzer andere daden, en alle, de
meest bekende en de meest onbekende, de kleinste en de grootste, de
naastbijliggende en de meest verwijderde, grijpen plaats in een
stikdonkeren nacht, waarin wij waarschijnlijk ongeveer even blind zijn
als wij dat van de bijen veronderstellen.