XXI.

Men zal zeggen, dat dit zeer gewaagde en veel te menschelijke gissingen

zijn, dat de bijen waarschijnlijk in 't geheel geen ideeën van dezen

aard hebben en dat het denkbeeld van toekomst, van liefde tot hun

geslacht en dergelijke meer, die wij hun toeschrijven, in den grond der

zaak alleen de vorm is, dien de noodzakelijkheid van te leven, de vrees

voor lijden en dood en de aantrekkingskracht van 't genot voor hen

aanneemt. Ik geef het toe, zoo men wil is dat alles slechts bij manier

van spreken, ik hecht er dan ook niet veel gewicht aan. 't Eenige wat

vaststaat is, hierin evenals in vele andere gevallen, dat men heeft

geconstateerd hoe de bijen in die en die omstandigheid met hunne

koningin zus of zoo handelen. De rest is een mysterie, waaromtrent men

slechts meer of minder welgevallige, meer of minder vernuftige gissingen

kan maken. Maar als we over de menschen eens juist zoo spraken als 't

misschien verstandig is over de bijen te spreken, zouden we er dan veel

meer van kunnen zeggen? Wij ook gehoorzamen enkel aan den drang der

noodzakelijkheid, aan de aantrekkingskracht van het genot of den afkeer

van het lijden, en wat wij ons verstand noemen heeft denzelfden

oorsprong en dezelfde bedoeling, als wat wij bij de dieren instinct

noemen. Wij volbrengen zekere daden waarvan we ons vleien de oorzaak

beter te begrijpen dan zij; maar behalve dat deze onderstelling op

geenerlei vasten grond berust, deze daden zijn onbeduidend en gering in

aantal vergeleken bij de enorme massa onzer andere daden, en alle, de

meest bekende en de meest onbekende, de kleinste en de grootste, de

naastbijliggende en de meest verwijderde, grijpen plaats in een

stikdonkeren nacht, waarin wij waarschijnlijk ongeveer even blind zijn

als wij dat van de bijen veronderstellen.

Het leven der bijen · 第 40 / 136 题