Er zijn duizend voorbeelden van deze aanhankelijkheid, deze volkomen
toewijding der werkbijen aan hunne souvereine. Bij alle rampen der
kleine republiek, het vallen van korf of honingraat, de ruwheid of
onkunde van den mensch, koude, hongersnood of zelfs ziekte, waarbij het
volk in menigte omkomt, blijft de koningin bijna altijd behouden en men
vindt haar lovend onder de lijken harer trouwe dochteren. Dat komt
doordat allen haar beschermen, haar helpen vluchten, eene schutsmuur en
schuilplaats voor haar vormen met hunne lichamen, en voor haar het
gezondste voedsel en den laatsten druppel honing bewaren. En zoolang zij
nog in leven is dringt de wanhoop niet binnen in de stad der "kuische
dauw-drinksters", hoe groote ramp hen moge treffen. Breek tot twintig
malen toe hunne honingraten, ontneem hun twintig malen hunne kinderen en
levensmiddelen, ge zult er niet in slagen hen aan de toekomst te doen
vertwijfelen: en zelfs gedecimeerd, uitgehongerd, ingeslonken tot een
klein troepje, dat slechts met moeite de moeder voor de oogen des
vijands kan verbergen, zullen ze de instellingen der kolonie op nieuw
organiseeren, in het noodigste voorzien, de bezigheden onder elkaar
verdelen volgens de nieuwe eischen van de ongunst des oogenbliks, en
onmiddellijk den arbeid weer hervatten met een geduld, een ijver, een
verstand en volharding, die men in dezelfde mate niet dikwijls in de
natuur aantreft, al leggen de meeste wezens meer moed en vertrouwen aan
den dag dan de mensch.
Om de moedeloosheid verre te houden en hunne liefde bestendig, is de
aanwezigheid der koningin zelfs niet eens noodzakelijk; 't is al
voldoende dat ze op het uur van haar dood of vertrek ook maar de
flauwste hoop op nakomelingschap heeft achtergelaten. "We hebben eene
kolonie gezien", zegt de eerbiedwaardige Langstroth, een der vaders der
moderne bijenteelt, "die niet genoeg bijen had om een raat van tien
vierkante centimeter te bedekken en die toch een koningin trachtte te
fokken. Gedurende twee gansche weken bleven ze die hoop koesteren;
eindelijk, toen hun aantal tot op de helft verminderd was, werd hunne
koningin geboren, maar hare vleugeltjes waren zoo onvolkomen, dat ze
niet kon vliegen.
Al was ze impotent, toch behandelden hare bijen haar met niet minder
eerbied. Een week later was er niet veel meer dan een dozijn bijen
overgebleven, en eindelijk was enkele dagen daarna de koningin verdwenen
en liet op de honigraat eenige ontroostbare ongelukkigen achter".