XVIII.

Er zijn duizend voorbeelden van deze aanhankelijkheid, deze volkomen

toewijding der werkbijen aan hunne souvereine. Bij alle rampen der

kleine republiek, het vallen van korf of honingraat, de ruwheid of

onkunde van den mensch, koude, hongersnood of zelfs ziekte, waarbij het

volk in menigte omkomt, blijft de koningin bijna altijd behouden en men

vindt haar lovend onder de lijken harer trouwe dochteren. Dat komt

doordat allen haar beschermen, haar helpen vluchten, eene schutsmuur en

schuilplaats voor haar vormen met hunne lichamen, en voor haar het

gezondste voedsel en den laatsten druppel honing bewaren. En zoolang zij

nog in leven is dringt de wanhoop niet binnen in de stad der "kuische

dauw-drinksters", hoe groote ramp hen moge treffen. Breek tot twintig

malen toe hunne honingraten, ontneem hun twintig malen hunne kinderen en

levensmiddelen, ge zult er niet in slagen hen aan de toekomst te doen

vertwijfelen: en zelfs gedecimeerd, uitgehongerd, ingeslonken tot een

klein troepje, dat slechts met moeite de moeder voor de oogen des

vijands kan verbergen, zullen ze de instellingen der kolonie op nieuw

organiseeren, in het noodigste voorzien, de bezigheden onder elkaar

verdelen volgens de nieuwe eischen van de ongunst des oogenbliks, en

onmiddellijk den arbeid weer hervatten met een geduld, een ijver, een

verstand en volharding, die men in dezelfde mate niet dikwijls in de

natuur aantreft, al leggen de meeste wezens meer moed en vertrouwen aan

den dag dan de mensch.

Om de moedeloosheid verre te houden en hunne liefde bestendig, is de

aanwezigheid der koningin zelfs niet eens noodzakelijk; 't is al

voldoende dat ze op het uur van haar dood of vertrek ook maar de

flauwste hoop op nakomelingschap heeft achtergelaten. "We hebben eene

kolonie gezien", zegt de eerbiedwaardige Langstroth, een der vaders der

moderne bijenteelt, "die niet genoeg bijen had om een raat van tien

vierkante centimeter te bedekken en die toch een koningin trachtte te

fokken. Gedurende twee gansche weken bleven ze die hoop koesteren;

eindelijk, toen hun aantal tot op de helft verminderd was, werd hunne

koningin geboren, maar hare vleugeltjes waren zoo onvolkomen, dat ze

niet kon vliegen.

Al was ze impotent, toch behandelden hare bijen haar met niet minder

eerbied. Een week later was er niet veel meer dan een dozijn bijen

overgebleven, en eindelijk was enkele dagen daarna de koningin verdwenen

en liet op de honigraat eenige ontroostbare ongelukkigen achter".

Het leven der bijen · 第 37 / 136 题