Maar het echte signaal is nog niet gegeven. In den korf heerscht een
onbegrijpelijke drukte en wanorde, waarin men geen gedachte kan
ontdekken. In gewone tijden schijnen de bijen als ze thuis zijn te
vergeten, dat ze vleugels hebben, en ieder blijft bijna onbewegelijk
doch niet werkeloos op de raat, op de plaats, die haar is aangewezen
door den aard van haren arbeid. En nu, als dol bewegen ze zich in
dichte kringen langs de vertikale wanden van boven naar beneden, als een
rijzend en zinkend deeg door onzichtbare hand beslagen. De temperatuur
daar binnen stijgt snel, somtijds zelfs zóó, dat het was der gebouwen
zacht wordt en uitzakt. De koningin, die in den regel de binnenste raten
nooit verlaat, loopt nu verschrikt en hijgend over de woelige menigte
heen, die ronddraait om haar eigen as. Doet ze dat om het vertrek te
verhaasten of wel om het te vertragen? Geeft ze bevelen of is ze
smeekelinge? Werkt ze die wondere opwinding in de hand of wel is ze er
de dupe van? Na al wat wij van de algemeene psychologie der bijen weten
is het vrij duidelijk, dat het zwermen altijd geschiedt tegen den wensch
der oude souvereine. In den grond der zaak is de koningin in de oogen
der ascetische werksters, hare dochters, het onmisbaar en gewijd orgaan
der liefde, maar een beetje onbewust en dikwijls kinderachtig. Ze
behandelen haar dan ook als eene moeder onder voogdijschap. Ze koesteren
eerbied voor haar en een heroïsche, onbegrensde liefde. Voor haar de
zuiverste honing, die nog extra wordt gereinigd en bijna geheel te
verteren is. Ze heeft een hofstoet, die dag en nacht over haar waakt,
haren moederlijken arbeid verlicht, de celletjes gereed maakt, waarin ze
hare eitjes moet leggen, haar vertroetelt, liefkoost, voedt, reinigt, ja
zelfs hare uitwerpselen opzuigt. Bij 't minste ongeval, dat haar treft,
gaat het bericht van de een op de ander, en het volkje raakt in
beroering en begint te jammeren. Indien men haar wegneemt uit den korf,
en de bijen geen hoop kunnen koesteren haar te vervangen, 't zij omdat
ze geen aangewezen nakroost heeft achtergelaten, 't zij dat er geen
werkster-larven zijn jonger dan drie dagen (want iedere larf eener
werkbij, die nog geen drie dagen oud is, kan door middel van een
bijzondere voeding worden veranderd in een koninklijke nymph, dit is het
groote democratische beginsel van den bijenkorf, dat opweegt tegen al de
voorrechten van het voorbeschikte moederschap); als men onder zulke
omstandigheden haar grijpt, opsluit, verre van hare woning brengt, en
als dit verlies is geconstateerd,--somtijds verloopen er twee of drie
uren vóór het bericht aan iedereen bekend is, zóó uitgebreid is de
stad,--dan houdt de arbeid bijna overal op. Dan verlaat men de
kleintjes, een gedeelte der bevolking zwerft rond om hare moeder op te
sporen, een ander gedeelte gaat uit om navraag naar haar te doen, de
slingers van werksters, die bezig waren de raten te bouwen, breken en
laten los, de honingdraagsters bezoeken de bloemen niet langer, de
deurwachteressen verlaten hun post, en de vreemde plunderaars, alle
parasieten van den honing, die voortdurend loeren op een buitenkansje,
komen en gaan vrijelijk, zonder dat iemand er aan denkt, den moeizaam
bijeengegaarden schat te verdedigen. Langzamerhand verarmt de stad en
wordt ontvolkt, en hare moedelooze bewoonsters sterven al spoedig van
droefheid en ellende, hoewel alle bloemen van den zomer voor haar
schitteren.
Maar laat men de souvereine vervangen vóór nog haar verlies een
voldongen en onherstelbaar feit is geworden, vóór de demoralisatie al te
grooten omvang heeft aangenomen (de bijen zijn als de menschen, te
langdurige vertwijfeling of rampen doen afbreuk aan hun verstand en
verlagen hun karakter), laat men enkele uren daarna de souvereine
vervangen, en ze bereiden deze een buitengewoon en aandoenlijk onthaal.
Allen verdringen zich rondom haar, vormen groepjes, klimmen op en over
elkaar, liefkoozen haar in 't voorbijgaan met hunne lange sprieten, die
zooveel voor ons nog onverklaarde organen bezitten, brengen haar honing,
en geleiden haar in optocht naar de koninklijke vertrekken. Onmiddellijk
is de orde weer hersteld en 't werk wordt weer hervat van de binnenste
raten der broedplaats tot aan de verste bijgebouwen, waar het overschot
van den oogst wordt opgeborgen: de honingdraagsters gaan uit in dichte
rijen en komen soms in minder dan drie minuten terug beladen met
honingsap en stuifmeel, de plunderaars en parasieten worden uitgedreven
of vermoord, de straten worden geveegd, en de korf weerklinkt liefelijk
en eentonig van dat lied van geluk, iets geheel eigenaardigs, dat om zoo
te zeggen het lied van de koninklijke presentie is.