En toch schijnt de aantrekkingskracht bijna onweerstaanbaar. 't Is de
misschien onbewuste waanzin der zelfopoffering, door den god bevolen; 't
is het honingfeest, de zegepraal van het ras en van de toekomst; 't is
de eenige dag van vreugde, vergetelheid en dwaasheid; 't is de eenige
Zondag der bijen, 't schijnt ook de eenige dag te zijn dat ze naar
hartelust eten en ten volle de zoetigheid van den schat, dien ze
verzamelen, leeren kennen. Ze gelijken op gevangenen, die plotseling
worden in vrijheid gesteld en overgebracht naar een land van overdaad en
rust. Ze worden opgewonden, zijn geheel buiten zich zelven. Zij, die
anders nooit eenige verkeerde of noodelooze beweging maken, komen nu en
gaan, komen terug en gaan op nieuw heen om hunne zusters aan te drijven,
te zien of de koningin klaar is en den tijd van afwachting te dooden. Ze
vliegen veel hooger dan gewoonlijk en doen in de gansche omgeving van
den korf de bladeren der groote boomen trillen. Ze kennen geen zorgen of
vrees meer. Ze zijn niet langer woest, bemoeiziek, prikkelbaar,
strijdlustig en ontembaar. De mensch, hun meester zonder dat ze het
weten, dien ze nooit herkennen en die hen enkel aan zich onderwerpt door
zich naar al hunne werkgewoonten te schikken, al hunne wetten te
eerbiedigen, pas voor pas het spoor te volgen, in hun leven getrokken
door hun verstand, dat zich altijd richt op het welzijn van de toekomst
en door niets wordt ontmoedigd of afgeleid van zijn doel,--de mensch kan
hen nu naderen, het gordijn verscheuren, dat rondom hem wordt gevormd
door die dwarrelende, gonzende massa, ze in handen nemen, ze plukken als
een druiventros; ze zijn even zacht en onschadelijk als een zwerm
libellen of nachtvlinders, en op zulk een dag, zich gelukkig voelend,
niets meer bezittend, vertrouwend op de toekomst, mits men hen niet
scheide van hunne koningin die deze toekomst in zich draagt, onderwerpen
ze zich aan alles en kwetsen niemand.