Welk een vreemd republiekje, zoo ernstig en zoo logisch, zoo positief,
zoo nauwkeurig, zoo zuinig, en toch ten prooi aan een zoo grootschen en
zoo onzekeren droom! Klein volkje, gij zoo beslist en zoo diepzinnig,
gevoed met warmte en lucht en met het allerpuurste in de natuur, de ziel
der bloemen, dat wil zeggen met datgene, wat meer dan al het overige de
glimlach der materie mag genoemd worden, haar aandoenlijkst streven naar
geluk en schoonheid,--wie zal ons zeggen wat al vraagstukken gij hebt
opgelost, die ons nog onverklaard blijven, wat al zekerheden gij
verworven hebt, die wij nog moeten verwerven? En zoo het waar is, dat
gij deze problemen hebt opgelost en deze zekerheid verkregen niet door
middel van uw verstand, maar krachtens een of andere oorspronkelijken en
blinden aandrang, voor welk een nog onoplosbaarder raadsel plaatst gij
ons dan? Klein stadje vol geloof, hoop en mysterie, waarom aanvaarden
uwe honderdduizend maagden een taak, die een menschelijke slaaf nimmer
heeft aangedurfd? Ontzagen ze wat meer hunne krachten, vergaten ze
zichzelven wat minder, waren ze wat minder ijverig bij den arbeid, dan
zouden ze een nieuwe lente en een tweeden zomer aanschouwen, maar op het
magisch oogenblik wanneer alle bloemen hen tot zich roepen, schijnen ze
bevangen door de doodelijke bedwelming van den arbeid, en met gebroken
vleugeltjes en een geheel uitgeput, met wonden overdekt lichaam komen ze
bijna allen om in minder dan vijf weken.
_Tantus amor florum, et generandi gloria mellis,_ roept Virgilius uit,
die in het vierde boek der Georgica, aan de bijen gewijd, de bekoorlijke
dwaalbegrippen der ouden heeft vereeuwigd, die de natuur beschouwden met
oogen nog geheel verblind door de aanwezigheid van denkbeeldige goden.