Is 't niet verbazingwekkend, dat de bijenkorf, waarop wij uit eene
gansch andere wereld neerzien en dien we dus niet duidelijk kunnen
onderscheiden, ons bij den eersten blik dien we daarop werpen, een
beslist en diepzinnig antwoord geeft? Is 't niet bewonderenswaardig, dat
zijn gebouwen vol regelmaat, zijn gebruiken en wetten, zijn
huishoudelijke en staatkundige inrichting, zelfs zijne deugden en
wreedheden, ons onmiddellijk de gedachte of den god openbaren, dien de
bijen dienen, en die niet de minst wettige of redelijke god is, dien men
zich kan voorstellen, al is 't misschien de eenige, dien wij nog niet in
ernst hebben aangebeden, ik bedoel de toekomst? In de geschiedenis der
menschheid trachten we somwijlen de kracht en de zedelijke grootheid van
een volk of een ras te peilen, en we vinden geen anderen maatstaf dan de
vastheid en den omvang van het ideaal, dat ze najagen, en de
zelfverloochening, waarmee ze zich daaraan wijden. Hebben wij dikwijls
een ideaal aangetroffen, dat meer in overeenstemming is met de wenschen
des Heelals, dat hechter, verhevener, belangeloozer en duidelijker is,
zaagt ge dikwijls een meer algeheele en heldhaftige zelfverzaking?