Waarom doen ze afstand van den slaap, van 't genot van den honing, van
de liefde, van de verrukkelijke vrijheid, die bij voorbeeld hun oudste
broeder, de vlinder, zoo goed kent? Ze konden toch leven zooals hij? De
honger kan 't niet zijn, die er hen toe noodzaakt. Twee of drie bloemen
volstaan voor hun voedsel en ze bezoeken er ieder uur twee of drie
honderd om een schat bijeen te garen, waarvan zij het genot niet zullen
smaken. Waartoe zich zelven zoo te kwellen, van waar die verzekerdheid?
Is het dan zóó zeker, dat het geslacht waarvoor ge sterft dit offer
waard is, dat het schooner en gelukkiger zijn zal, dat het iets zal doen
wat gij niet gedaan hebt? We zien uw doel, even duidelijk als het onze:
ge wilt in uwe nakomelingschap leven zoolang als de aarde zelve, maar
wat is dan het doel van dit groote doel en de taak van dit eeuwigdurend
vernieuwd bestaan?
Maar zijn wij het niet veeleer, die ons zelven kwellen in onze aarzeling
en dwaling, zijn wij niet kinderachtige droomers en stellen we geen
ijdele vragen? Al waart ge door evolutie op evolutie almachtig en
welgelukzalig geworden, al hadt ge de laatste hoogten bestegen, van waar
ge alle wetten der natuur zoudt beheerschen, kortom al waart ge
onsterfelijke godinnen geworden, dan nog zouden we u ondervragen om te
weten wat ge hoopt, waarheen ge wenscht te gaan, waar ge denkt op te
houden en aan het eindpunt uwer wenschen gekomen te zijn. Wij zijn zoo
geschapen, dat niets ons bevredigt, dat voor ons niets zijn doel in
zichzelf schijnt te hebben, dat niets ons voorkomt maar eenvoudig te
bestaan zonder meer, zonder nevengedachte. Hebben wij tot op dezen dag
ons een enkelen onzer goden, van den primitiefsten af tot den
verstandigsten toe, kunnen voorstellen zonder onmiddellijk beweging,
onrust daarnaast te denken, zonder hem te noodzaken een massa wezens en
dingen te scheppen, op duizenderlei wijzen een doel te zoeken buiten
zichzelven, en zullen wij er ooit in berusten kalm en gedurende enkele
uren een interessanten verschijningsvorm van de werkzaamheid der stof
voor te stellen, om weldra zonder spijt en zonder verwondering den
anderen vorm weer aan te nemen, den vorm van onbewustheid, onbekendheid,
slaap, eeuwigheid?