XII.

Waarom doen ze afstand van den slaap, van 't genot van den honing, van

de liefde, van de verrukkelijke vrijheid, die bij voorbeeld hun oudste

broeder, de vlinder, zoo goed kent? Ze konden toch leven zooals hij? De

honger kan 't niet zijn, die er hen toe noodzaakt. Twee of drie bloemen

volstaan voor hun voedsel en ze bezoeken er ieder uur twee of drie

honderd om een schat bijeen te garen, waarvan zij het genot niet zullen

smaken. Waartoe zich zelven zoo te kwellen, van waar die verzekerdheid?

Is het dan zóó zeker, dat het geslacht waarvoor ge sterft dit offer

waard is, dat het schooner en gelukkiger zijn zal, dat het iets zal doen

wat gij niet gedaan hebt? We zien uw doel, even duidelijk als het onze:

ge wilt in uwe nakomelingschap leven zoolang als de aarde zelve, maar

wat is dan het doel van dit groote doel en de taak van dit eeuwigdurend

vernieuwd bestaan?

Maar zijn wij het niet veeleer, die ons zelven kwellen in onze aarzeling

en dwaling, zijn wij niet kinderachtige droomers en stellen we geen

ijdele vragen? Al waart ge door evolutie op evolutie almachtig en

welgelukzalig geworden, al hadt ge de laatste hoogten bestegen, van waar

ge alle wetten der natuur zoudt beheerschen, kortom al waart ge

onsterfelijke godinnen geworden, dan nog zouden we u ondervragen om te

weten wat ge hoopt, waarheen ge wenscht te gaan, waar ge denkt op te

houden en aan het eindpunt uwer wenschen gekomen te zijn. Wij zijn zoo

geschapen, dat niets ons bevredigt, dat voor ons niets zijn doel in

zichzelf schijnt te hebben, dat niets ons voorkomt maar eenvoudig te

bestaan zonder meer, zonder nevengedachte. Hebben wij tot op dezen dag

ons een enkelen onzer goden, van den primitiefsten af tot den

verstandigsten toe, kunnen voorstellen zonder onmiddellijk beweging,

onrust daarnaast te denken, zonder hem te noodzaken een massa wezens en

dingen te scheppen, op duizenderlei wijzen een doel te zoeken buiten

zichzelven, en zullen wij er ooit in berusten kalm en gedurende enkele

uren een interessanten verschijningsvorm van de werkzaamheid der stof

voor te stellen, om weldra zonder spijt en zonder verwondering den

anderen vorm weer aan te nemen, den vorm van onbewustheid, onbekendheid,

slaap, eeuwigheid?

Het leven der bijen · 第 31 / 136 题