Men zal zeggen: "Dat is nu juist iets wat de menschen niet zouden doen,
een dier feiten die bewijzen, dat hier ondanks de wonderen dezer
organisatie, geen echt intellekt of bewustzijn voorhanden is." Wat weten
wij er van? Nog daargelaten de mogelijkheid, dat er in andere wezens een
intelligentie werkt van anderen aard dan de onze en die gansch andere
uitkomsten geeft, zonder daarom nog van lager orde te zijn, zijn wij,
als we nimmer buiten onze kleine menschelijke parochie komen, zoo
bevoegd te oordeelen over de dingen des geestes? We behoeven maar twee
of drie personen achter een venster te zien spreken en gesticuleeren
zonder te hooren wat ze zeggen, en reeds dan valt het ons zeer moeielijk
te raden welke gedachte hen leidt. Meent ge, dat een bewoner van Mars of
Venus, die boven op een berg staande ons als zwarte stipjes in de ruimte
zag komen en gaan langs de straten en pleinen onzer steden, zich op het
gezicht van onze bewegingen, onze gebouwen, kanalen en machines een
nauwkeurig denkbeeld zou vormen van ons verstand, onze zedelijkheid,
onze wijze van liefhebben, denken, hopen, in één woord van ons dieper en
waarachtig wezen? Hij zou er zich toe bepalen enkele vrij verrassende
feiten te constateeren, zooals wij dat doen bij den bijenkorf, en zou er
waarschijnlijk even onzekere, even verkeerde conclusies uit trekken als
wij in dit geval.
't Zou hem althans vrij wat moeite kosten, in "onze zwarte stipjes", de
groote zedelijke leiding, het bewonderenswaardig éénheids-gevoel te
ontdekken, dat zich in den bijenkorf openbaart. "Waar gaan ze toch
heen?" zou hij zich afvragen, nadat hij ons gedurende jaren of eeuwen
had geobserveerd, "wat doen ze toch? Wat is het centrale punt en het
doel huns levens? Gehoorzamen ze aan een of anderen god? Ik zie niets
dat hunne schreden leidt. Den eenen dag schijnen ze kleine voorwerpen te
bouwen en te verzamelen, en den volgenden verstrooien ze die weer. Ze
gaan en komen, ze vergaderen en verwijderen zich, maar wat ze verlangen
is niet te begrijpen. Ze geven een massa onverklaarbare dingen te
aanschouwen. Men ziet er b.v. die om zoo te zeggen zich niet bewegen. Ze
zijn te herkennen aan hun glanzen der vacht, en zijn dikwijls ook
grooter dan de anderen. Ze wonen in huizen, die tien à twintigmaal
grooter, vernuftiger ingericht en rijker zijn dan de gewone. Ze
gebruiken er dagelijks maaltijden, die uren duren en zelfs vaak tot diep
in den nacht. Al wie hen nadert, schijnt hun eer te bewijzen en uit de
naburige huizen en zelfs ver van buiten komen menschen met
levensmiddelen om hun geschenken te brengen. Men moet aannemen, dat zij
onmisbaar zijn en aan de soort wezenlijke diensten bewijzen, hoewel onze
nasporingen ons nog niet hebben in staat gesteld, den aard dezer
verdiensten nauwkeurig te bepalen. Daarentegen ziet men er anderen, die
in groote ruimten, vol draaiende wielen, in duistere verblijven, in de
nabijheid der havens en op kleine vakjes grond, waarin ze wroeten van
den opgang tot den ondergang der zon, onophoudelijk vol inspanning bezig
zijn. Alles leidt tot het vermoeden, dat deze bezigheid strafbaar is,
want men huisvest hen in kleine, onzindelijke en bouwvallige hutten. Ze
zijn gedekt met een kleurlooze zelfstandigheid. Zóó groot schijnt hun
ijver te zijn voor hun schadelijk of althans nutteloos werk, dat ze zich
nauwelijks den tijd gunnen te eten of te slapen. Hun aantal staat tot
dat der eersten als 1000 tegen 1. Opmerkelijk is het, dat de soort zich
onder omstandigheden, die zóó ongunstig zijn voor hare ontwikkeling, tot
op onze dagen heeft kunnen staande houden. Overigens moeten we hieraan
toevoegen, dat ze afgezien van dat karakteristiek vasthouden aan hun
moeielijk werk, onschadelijk en gedwee schijnen te zijn en zich tevreden
stellen met de restjes dergenen, die klaarblijkelijk de hoeders en
misschien de redders zijn van het ras."