Zij kunnen dus voorzien, welke ongevallen hun kunnen overkomen op dezen
gevaarlijksten dag huns levens. En inderdaad, heden nu ze geheel opgaan
in de zorgen en alle misschien zelfs wonderbare gebeurlijkheden van de
groote daad, hebben ze geen tijd tuinen en weilanden te bezoeken, en
morgen of overmorgen kan het wel waaien, regenen, hunne vleugels kunnen
verstijven en de bloemen gesloten blijven. Kenden ze deze voorzorg niet,
't zou gelijkstaan met hongersnood en dood. Niemand zou hun te hulp
komen en zij zouden niemands hulp inroepen. Van de eene stad op de
andere kennen ze elkander niet en helpen elkaar nooit. Zelfs komt het
wel voor, dat de ymker den korf, waarin hij de oude koningin met den
bijentros die haar omringt heeft opgenomen, vlak naast de woning
plaatst, welke ze pas hebben verlaten. Welk een ramp hen nu ook moge
treffen, het lijkt wel alsof ze onherroepelijk alle herinnering verloren
hebben aan den vrede, het werkdadig geluk, de enorme rijkdommen en de
veiligheid daarvan, en allen, van de eerste tot de laatste, zullen
liever in de nabijheid hunner ongelukkige meesteres van koude en honger
sterven, dan terug te keeren naar hunne geboorteplaats, al dringt de
welaangename geur van den overvloed, de geur van hun eigen daar
volbrachten arbeid, tot in 't verblijf hunner ellende door.