Alles wijst er op, dat niet de koningin doch de geest des bijenkorfs
over het zwermen beslist. 't Is met deze koningin als met de heerschers
onder de menschen; ze schijnen het bevel te voeren, doch gehoorzamen
zelven aan bevelen, die nog gebiedender en onverklaarbaarder zijn dan
die, welke zij geven aan wie van hen afhankelijk is. Wanneer de geest
het oogenblik heeft bepaald, moet hij wel reeds bij het aanlichten van
den dageraad, misschien zelfs den vorigen, of vóór-vorigen dag zijn
besluit hebben kenbaar gemaakt, want nauwelijks heeft de zon de eerste
druppels van den morgendauw ingezogen, of men bemerkt in de geheele
omgeving van de gonzende stad een ongewone drukte, waarin de ymker zich
maar zelden vergist. Soms zou men zelfs zeggen, dat er wordt gestreden,
geaarzeld, dat men terugkomt op het genomen besluit. Werkelijk gebeurt
het wel, dat verscheiden dagen achtereen deze goudgetinte en
doorschijnende storm op nieuw opsteekt en weer gaat liggen,
oogenschijnlijk zonder reden. Vertoont zich op zulk een oogenblik aan
den hemel der bijen een wolkje, dat wij niet zien, of komt er spijt op
in hun geest? Beraadslaagt men in een woelige vergadering over de
noodzakelijkheid van vertrek? Wij weten er niets van, evenmin als we
weten op welke wijze de geest van den bijenkorf zijn besluit aan de
menigte kenbaar maakt. Al is het zeker, dat de bijen elkander
mededeelingen doen, men weet niet of dit gebeurt op de wijze der
menschen. Dat van honing geurend gegons, de bedwelmende trilling der
mooie zomersche dagen, die een der schoonste genietingen van den ymker
uitmaakt, den feestzang van den arbeid, die in deze kristallen ure rijst
en daalt in de geheele omgeving van den bijenkorf en die het gemurmel
van blijdschap schijnt te zijn van de ontloken bloemen, de hymne van hun
geluk, de echo van hunne zoete geuren, de stem der witte anjelieren, van
thijm en marjolijn, 't staat niet vast, dat ze dit alles hooren. Toch
hebben ze een gansche toonladder van geluiden, die wij zelf kunnen
onderscheiden en die loopt van innig geluk tot bedreiging, toorn,
verdriet; ze hebben eene ode der koningin, refreinen van den overvloed,
psalmen van droefheid, en eindelijk hebben ze de langgerekte en
geheimzinnige oorlogskreten der jeugdige prinsessen in de gevechten en
moorden, die de paring voorafgaan. Is deze muziek enkel iets
bijkomstigs, dat hun innerlijke stilte onaangetast laat? Dit is zeker,
dat ze zich niet veel schijnen aan te trekken van de geluiden, die wij
maken rondom den korf, maar misschien zijn ze van oordeel, dat deze
geluiden niet zijn van hunne wereld en voor hen niet van belang. 't Is
zeer waarschijnlijk, dat wij van onzen kant slechts een zeer klein
gedeelte hooren van wat zij zeggen, en dat zij een massa harmonieën
voortbrengen, waarvoor onze organen ongeschikt zijn om ze op te vangen.
In ieder geval zullen wij aanstonds zien, dat zij, soms met
verbazingwekkende snelheid, elkaar weten te begrijpen en tot
overeenstemming weten te komen, en wanneer b.v. de groote honing-dief,
de enorme Sphinx Atropos of doodshoofd-vlinder, de sombere kapel, die
op haar rug een doodshoofd draagt, den korf binnendringt onder het
murmelen van een soort onweerstaanbaar gezang, dat haar eigen is, dan
gaat dit bericht van den een op den ander, en van af de wachteressen aan
den ingang tot aan de laatste werkbijen, die op de laatste raten aan den
arbeid zijn, siddert het gansche volk.