Op den dag nu, die door den "geest van den bijenkorf" daartoe is
aangewezen, laat eene gedeelte van het volk--en dit wordt nauwkeurig
naar vaste en onveranderlijke wetten bepaald--het terrein over aan het
geslacht, dat nog in wording is. In de sluimerende stad worden de darren
achtergelaten, uit wier midden de koninklijke minnaar moet worden
gekozen, verder eenige zeer jonge bijen, die moeten zorgen voor het
broedsel, en een paar duizend werkbijen, die voortgaan met overal buit
te verzamelen, den opgehoopten schat bewaren en de moreele tradities van
den korf handhaven. Want iedere korf heeft zijne eigen moraal. Men vindt
er zeer deugdzame en zeer verdorvene, en een onvoorzichtig imker kan een
bijenvolk ten verderve leiden, hun den eerbied voor andermans eigendom
doen verliezen, hen aanzetten tot roof, hen gewennen aan
veroveringstochten en aan werkeloosheid, waardoor ze de schrik worden
van alle republiekjes in den omtrek. 't Is daartoe al voldoende, dat de
bij gelegenheid heeft gehad de ervaring op te doen, dat de arbeid, zoo
ver weg, onder de bloemen daarbuiten, waarvan er honderden moeten
bezocht worden voor de vorming van één druppel honing, niet het eenige
en evenmin het snelste middel is om zich te verrijken, en dat het
gemakkelijker is op bedriegelijke wijze in slecht bewaakte steden binnen
te dringen, of met geweld in andere, die te zwak zijn om zich te
verdedigen. Spoedig verliest ze het besef van den wel schitterenden doch
meedoogenloozen plicht, die haar maakt tot de gevleugelde slavin der
bloemkelken voor de voortplanting in de natuur, en 't is dikwijls zeer
moeielijk een aldus gedemoraliseerden korf weer op het goede pad terug
te brengen.