Langen tijd heeft men gemeend, dat waar ze aldus de schatten van hun
koninkrijk prijsgeven om zich in een onzeker leven te storten, de
verstandige honingvliegen, die gemeenlijk zoo zuinig, zoo matig en zoo
voorzichtig zijn, aan een soort van onvermijdelijken, fatalen waanzin
gehoor geven, aan een werktuigelijken drang, aan een wet van de soort,
een decreet der natuur, aan die kracht, die voor alle wezens verborgen,
ligt in den voortspoedenden tijd.
Of het nu de bijen of ons zelven betreft, we noemen fatalistisch,
onvermijdelijk al wat we nog niet begrijpen. Maar op dit oogenblik heeft
de bijenkorf reeds twee of drie zijner zwaarwichtige geheimen prijs
gegeven, en zoo heeft men geconstateerd, dat deze uittocht noch
instinktief, noch onvermijdelijk is. 't Is geen blinde uittocht, maar
een oogenschijnlijk wel overwogen offer van het tegenwoordig geslacht
aan het toekomstige. 't Is al voldoende, dat de ymker de nog roerlooze
jonge koninginnen in hun cellen doodt en tegelijkertijd, als de larven
en poppen talrijk zijn, de stapelplaatsen en slaapvertrekken van het
volkje vergroot, en onmiddellijk komt al dat onprofijtelijk tumult tot
bedaren; de gewone arbeid op de bloemen wordt hervat, en de oude
koningin, die nu onontbeerlijk is geworden en geen opvolgster te hopen
of te duchten heeft, die bovendien weer is gerustgesteld omtrent de
gevolgen van de bedrijvigheid, welke opnieuw begint, ziet er van af dit
jaar het licht der zon weer te zien. Kalm hervat ze in de duisternis
haar moederlijke taak, die daarin bestaat, dat ze volgens een
regelmatige spiraal, van cel tot cel, zonder er een enkele over te slaan
en zonder immer op te houden, twee of drieduizend eitjes per dag legt.
Wat is er fatalistisch in dit alles dan de liefde van het geslacht van
heden voor dat van morgen? Deze fataliteit bestaat ook bij het
menschenras, maar daar schijnt ze oneindig minder macht en omvang te
hebben. Nooit brengt ze daar zulke algeheele en eenparige offers. Aan
welke in de toekomst schouwende fataliteit gehoorzamen wij in plaats van
aan deze? Wij weten het niet, en kennen het wezen niet dat op ons
neerziet zooals wij op de bijen.