In onzen korf dus is het zwermen, het groote offer aan de veeleischende
goden van het ras, in voorbereiding. Gehoorzaam aan het bevel van den
"geest", die ons vrij onverklaarbaar lijkt aangezien hij lijnrecht staat
tegenover ieder instinkt en ieder gevoelen van onze soort, gaan nu
zestig à zeventig duizend bijen van de tachtig à negentig duizend der
gansche bevolking, op het voorgeschreven uur de moederstad verlaten. Ze
vertrekken niet op een oogenblik van benardheid, hun vlucht is niet het
in ontsteltenis plotseling genomen besluit, hun door hongersnood,
oorlog of ziekte geteisterd vaderland te verlaten. Neen, deze
verbanning is langdurig overdacht en het gunstig oogenblik geduldig
afgewacht. Indien de korf arm is en zwaar beproefd door rampen van de
koninklijke familie, door ziekte of roof, dan verlaten ze hem niet. Ze
verlaten hem alleen, wanneer hij het hoogtepunt van zijn voorspoed heeft
bereikt, wanneer na den ingespannen arbeid van de lente, het groote
paleis van was met zijn honderd twintig duizend regelmatige cellen
overvloeit van nieuwen honing en van dat veelkleurig meel, dat men het
brood der bijen noemt en dat tot voedsel dient van larf en pop.
Nimmer schooner is de korf dan aan den vooravond van deze heldhaftige
renunciatie. Het is zonder wederga dit drukke, eenigszins koortsachtige
en toch serene oogenblik van rijkdom en blijdschap in al hunne volheid.
Laat ons trachten ons den korf voor oogen te roepen, niet zooals de
bijen hem zien, want wij kunnen ons onmogelijk voorstellen op hoe
geweldige en tooverachtige wijze de dingen zich weerkaatsen in de zes of
zeven duizend facetten van hunne zijwaartsche oogen en het drievoudig
cyclopisch oog op hun voorhoofd, maar zoo als wij hem zouden zien,
indien wij van hunne grootte waren.
Van eene hoogte nog kolossaler dan die van den St. Pieter te Rome dalen
in grooten getale, vertikaal en parallel, reusachtige muren van was tot
op den grond neder, geometrisch gebouwd, in de duistere en ledige ruimte
opgehangen, en die men wat hun nauwkeurigheid, koenheid en grootte
betreft, met geen enkel bouwwerk der menschheid kan vergelijken.
Ieder dezer muren, wier bouwstof nog totaal versch, maagdelijk blinkend,
ongerept en geurig is, bestaat uit duizenden cellen en bevat genoegzaam
levensmiddelen om het gansche volk gedurende verscheidene weken te
voeden. Hier zijn het de schitterende, roode, gele, licht-paarse en
zwarte vlekken van het stuifmeel, de liefdessubstantie van alle bloemen
der lente, opgezameld in de doorschijnende cellen. In lange, weelderige,
gouden draperieën, die in stijve, onbewegelijke plooien nederhangen,
ligt daar om heen de April-honing, de helderste en geurigste, reeds in
zijn twintig duizend, met een deksel afgesloten cellen, die enkel in de
dagen van uitersten nood worden aangesproken. Iets hooger rijpt de
Mei-honing nog in zijn groote, open vaten, voor welker opening waakzame
cohorten onafgebroken een frisschen luchtstroom toevoeren. In het
midden, verre van het licht, wiens diamanten stralen door de eenige
opening heendringen, in het warmste gedeelte van den bijenkorf, sluimert
en ontwaakt de toekomst. Dit is het koninklijk domein van het broedsel,
uitsluitend voor de koningin en hare tempeldienaars
gereserveerd--ongeveer tien duizend woningen, waarin de eitjes liggen,
vijftien à zestien duizend kamers met larven, veertig duizend huizen
bewoond door witte nymphen of poppen, die door duizenden voedsters
worden verzorgd[1]. En eindelijk, in het heilige der heiligen dezer
voorhoven, de drie, vier, zes of twaalf gesloten en naar verhouding zeer
groote paleizen der jeugdige prinsessen, die in een soort van lijkkleed
gewikkeld, bleek en onbewegelijk, in de duisternis gevoed, hunne ure
afwachten.
[1] De cijfers, die we hier geven, zijn streng nauwkeurig. Ze zijn
ontleend aan een grooten korf in vollen bloei.