Waar is hij nu eigenlijk, in wien zetelt hij, deze "geest van den
bijenkorf"? 't Is niet hetzelfde als het op zich zelf staand instinkt
van den vogel, die behendig zijn nest weet te bouwen en andere
hemelstreken op te zoeken, wanneer de dag van den trek wederom
aanbreekt. 't Is evenmin een soort machinale gewoonte van de soort, die
blindelings niets anders eischt dan te leven, en zich stoot tegen alle
hoeken en kanten van het toeval, zoodra een onverwachte omstandigheid
den gewonen gang van zaken verstoort. Integendeel, pas voor pas volgt
hij de almacht der omstandigheden als een schrandere en rappe slaaf, die
zelfs van de gevaarlijkste bevelen zijns meesters partij weet te
trekken.
Onmeedoogend maar met bescheidenheid en als onderworpen aan een of
anderen hoogen plicht, beschikt hij over de rijkdommen, het genot der
vrijheid, over het leven van gansch een gevleugeld volk. Dagelijks
regelt hij het aantal geboorten en brengt dat nauwkeurig in
overeenstemming met dat der bloemen, die het landschap opluisteren. Hij
verkondigt der koningin wanneer zij is vervallen verklaard van hare
waardigheid en noodzakelijk moet vertrekken, dwingt haar hare
mededingsters ter wereld te brengen, voedt deze laatsten koninklijk op,
beschermt hen tegen de politieke haat hunner moeder, en al naar den
overvloed aan veelkleurige kelken, 't meer of minder gevorderd seizoen
en de vermoedelijke gevaren der paring, veroorlooft of verbiedt hij, dat
de eerstgeborene onder de maagdelijke prinsessen hare zusteren, die den
koninginne-zang zingen, in hun wieg gaat dooden. Een andermaal, wanneer
het seizoen reeds verder gevorderd is, en de uren van bloemengeur korter
zijn, beveelt hij, om het tijdperk der revoluties af te sluiten en het
hervatten van den arbeid te verhaasten, aan werkbijen zelven de gansche
keizerlijke nakomelingschap ter dood te brengen.
Deze geest is voorzichtig en zuinig, doch geenszins karig. Hij schijnt
de weelderige en eenigszins dolle wetten der natuur in zake liefde te
kennen. Hij duldt dan ook in den zomer, in de dagen des overvloeds, de
benauwende aanwezigheid van drie of vierhonderd darren--want uit dezen
zal de koningin, wier geboorte aanstaande is, zich een minnaar kiezen
van die onbezonnen, onhandige, verwaande, drukke, gulzige,
onfatsoenlijke, onzindelijke, onverzadelijke, enorm groote mannetjes,
waarvan sommige noodeloozen arbeid verrichten en andere volstrekt en
schandelijk lui zijn. Doch als eenmaal de koningin is bevrucht, de
bloemen zich later openen en vroeger sluiten, dan spreekt hij op zekeren
morgen over allen gelijktijdig het doodvonnis uit.
Hij regelt den arbeid van ieder der bijen. Naar gelang van hun leeftijd
draagt hij aan de verzorgsters der larven en nymphen hunne bezigheid op,
aan de hofdames, die voorzien in het onderhoud der koningin en haar niet
uit het oog verliezen, aan de luchtververschsters, die door het waaien
met hun vleugeltjes den korf luchten, verkoelen of verwarmen en de
verdamping van den te veel met water verzadigden honing bevorderen, aan
de architekten, metselaars, wasbereidsters en bouwbijen, die de schering
maken en de raten bouwen, aan de honingdraagsters, die daar buiten den
nektar der bloemen, waaruit de honing worden zal, het stuifmeel, dat tot
voedsel der larven en poppen dient, het maagdenwas, dat de gebouwen van
den staat moet helpen kalefateren en stevig maken, het water en het
zout, dat voor de jonkheid der natie noodig is, gaan halen. Hij geeft
een taak op aan de scheikundigen, die voor het conserveeren van den
honing zorgen door er met hun angel een druppel mierenzuur in te
brengen, aan de sluitsters, die de cellen, wier inhoud rijp is met een
deksel afsluiten, aan de schoonmaaksters, die de angstvallige
zindelijkheid der straten en pleinen onderhouden, aan de
lijkendraagsters, die de doode lichamen ver weg voeren, aan de amazones
van de wacht, die dag en nacht waken over de veiligheid van den drempel,
de komenden en gaanden ondervragen, de aankomende jeugd herkennen bij
hun eersten uitgang, vagebonden, landloopers en roovers afschrikken,
indringers verwijderen, met vereende krachten de gevaarlijke vijanden
aanvallen, en zoo noodig den ingang barricadeeren.
En eindelijk, de "geest van den bijenkorf" is het ook, die het uur
vaststelt van het jaarlijksch offer aan den genius der soort--ik bedoel
het zwermen,--wanneer een gansch volk, op het toppunt van zijn voorspoed
en macht gekomen, plotseling aan het opgroeiend geslacht al zijn
schatten, paleizen, woningen en de vruchten zijner inspanning overlaat,
om daar ginder de onzekerheid en leegte van een nieuw vaderland te gaan
opzoeken. Ziehier een daad, die, al of niet bewust, zeer zeker de
menschelijke moraal te boven gaat. Ze richt somtijds de gelukkige stad
geheel te gronde, verarmt haar altijd, en verstrooit haar zeer zeker, om
aan een hooger wet dan het geluk van dien staat te gehoorzamen. Waar
wordt deze wet geformuleerd, die, zoals wij weldra zullen zien, verre
van fatalistisch en blind is, zooals men meent? Waar zetelt hij, in
welke vergadering, welken raad, welke gemeenschaps-sfeer, deze geest,
waaraan allen zich onderwerpen die zelf afhankelijk is van een
heroïschen plicht en zich altijd op de toekomst richt?
't Is met onze bijen als met de meeste dingen dezer wereld; we hebben
enkele hunner gewoonten opgelet, en zeggen: ze doen zus, en werken zóó,
hunne koninginnen worden op zulk eene wijze geboren, hunne werksters
blijven maagd, ze zwermen op dien en dien tijd. We meenen hen te kennen
en vragen niet verder. We zien hen van bloem tot bloem ijlen; letten op
het drukke komen en gaan van den bijenkorf; dit leven lijkt ons zeer
eenvoudig en even als alle andere levens beperkt tot de ingeschapen zorg
voor voedsel en voortplanting. Maar laat het oog de zaak eens van
naderbij willen bezien, trachten zich rekenschap te geven, en daar
verrijst voor ons de verbijsterende ingewikkeldheid der geringste
verschijnselen, het raadsel van de intelligentie, den wil, de
bestemming, het doel, de middelen en oorzaken, de niet te doorgronden
organisatie van de geringste daad des levens.