De oningewijde voor wien voor 't eerst een observatie-korf[1] geopend
wordt, heeft aanvankelijk een gewaarwording van teleurstelling. Men had
hem gezegd, dat dit glazen omhulsel een voorbeeldelooze werkzaamheid in
zich besloten hield, een oneindig aantal wijze wetten, een
verbazingwekkende som van genie, van geheimen, ervaringen, berekeningen,
kundigheden, verschillende industrieën, vermoedens, zekerheden,
vernuftige gebruiken, vreemde gevoelens en deugden. En hij ontdekt er
niets dan een verward hoopje roodachtige besjes, vrij wel gelijkend op
gerooste koffieboonen of op krenten, die tegen de glazen zitten
aangeplakt. Die arme besjes zijn meer dood dan levend, heel even bewegen
ze zich met langzame, onsamenhangende en onverklaarbare bewegingen. Hij
vindt ze er niet in terug, die bewonderenswaardige lichtdroppelen, die
zoo even aanhoudend er uitstroomden, en weerkaatsten in den veelbewogen
adem, vol parelen en goud, van duizenden ontloken kelken.
Ze bibberen in de duisternis. Ze stikken in een verstijfde massa; men
zou ze voor zieke gevangenen of van hare waardigheid vervallen
koninginnen houden, die slechts een enkele seconde van glans hebben
gekend te midden der lichtende bloemen van den tuin, om aldra terug te
keeren tot de schande en ellende van hunne sombere, overvolle woning.
Het is met hen als met alle werkelijkheid vol diepte. Men moet ze leeren
waarnemen. Als een bewoner van een andere planeet de menschen bijna
onmerkbaar zag komen en gaan door de straten, zich zag ophoopen rondom
enkele gebouwen of enkele plaatsen, oogenschijnlijk bewegingloos
wachtend op het een of ander binnen in hunne woningen, dan zou hij er
ook uit opmaken, dat ze niets deden en er ellendig aan toe waren. Eerst
op den langen duur onderscheidt men de veelvuldige bedrijvigheid van
deze werkeloosheid.
Inderdaad, ieder dezer bijna onbewegelijke besjes werkt zonder ophouden
en oefent een verschillend handwerk uit. Geen hunner kent de rust en
diegenen onder hen b.v. die het slaperigst lijken en als doode trossen
tegen de ruiten hangen, hebben de geheimzinnigste en meest afmattende
taak: door hen wordt de was gevormd en afgescheiden. Maar weldra zullen
we de détails van deze eenparige werkzaamheid zien. Voor 't oogenblik
kunnen we er mee volstaan, de aandacht te vestigen op den voornaamsten
trek in de natuur der bij, waardoor de merkwaardige opeenhooping van
dien verwarden arbeid wordt verklaard. Vóór alles is de bij, nog in
hooger mate dan de mier, een kuddedier. Zij kan niet anders leven dan in
de massa. Wanneer ze uit een korf komt, die zóó vol is, dat ze door
stooten met haar kopje zich een doortocht moet banen door de levende
muren, die haar insluiten, dan komt ze buiten haar eigenlijk element. Ze
dompelt zich een oogenblik in de ruimte vol bloemen, zooals een zwemmer
zich dompelt in den oceaan vol paarlen, maar op straffe des doods moet
ze bij geregelde tusschenpoozen weer eens de menigte inademen, zooals
een zwemmer telkens op nieuw de lucht. Afgezonderd levend zal ze,
voorzien van overvloedig voedsel en in de gunstigste temperatuur, na
verloop van enkele dagen sterven, niet van honger of kou, maar van
eenzaamheid. De opeenhooping, de staat, scheidt voor haar een
onzichtbaar voedsel af, dat even onontbeerlijk is als de honing. Tot
deze behoefte moet men opklimmen om den geest der wetten van den korf
vast te stellen. In den korf is het individu niets, het heeft slechts
een voorwaardelijk bestaan, het is enkel een onbeduidende faktor, een
gevleugeld orgaan van de soort. Zijn gansche leven is algeheele
opoffering aan het wezen waarvan hij deel uitmaakt, dat niet is te
tellen en altijd voortbestaat. Merkwaardig is het op te merken, dat het
niet altijd zoo was. Nog heden vindt men onder de hymenoptera mellifera
(honingdragende vliesvleugeligen) alle stadiën van de voortgezette
beschaving onzer honingbij. Onder aan de ladder werkt ze alleen, in
ellende; dikwijls zelfs ziet ze haar afstammelingen niet (de Prosopis,
Colleta enz.), somtijds leeft ze te midden der beperkte familie, die ze
jaarlijks schept (de Hommels). Vervolgens gaat ze tijdelijke
verbintenissen aan (de Panurgen, Dasypoden, Halicten, enz.), om van trap
tot trap tot de bijna volmaakte doch meedoogenlooze maatschappij onzer
korven te komen, waarbij het individu volkomen wordt ingeslokt door de
republiek, en waarbij de republiek op hare beurt naar vaste regelen
wordt ten offer gebracht aan den abstrakten en onsterfelijken staat der
toekomst.
[1] Observatie-korven noemt men glazen korven, voorzien van zwarte
gordijntjes of van luiken. De beste bevatten maar één enkele honigraat,
zoodat men deze van twee kanten kan bekijken. Zonder eenig gevaar of
bezwaar kan men deze korven, die van een uitgang voorzien zijn, in een
salon, een bibliotheek, enz. plaatsen. De bijen, welke hunne woning
hebben in den korf, die te Parijs in mijn studeerkamer staat, verzamelen
in de steen-woestijn der groote stad genoeg om te kunnen leven en
gedijen.