IX.

De kunst aan het hof van den Mikado.--Miniatuurschilderen.--

Symboliek.--Modes aan het hof.--Het hof der Kisaki.--Letterkundige

uitspanningen.--De dichteres Onono-Komatsj.--Tooneelvoorstellingen.

Een der meest geliefkoosde kunsten aan het hof van den Mikado is

het miniatuurschilderen. De miniaturen der kunstenaars van Kioto

doen meermalen aan onze middeleeuwsche getijdeboeken denken: het is

hetzelfde velijnpapier, hetzelfde misbruik van gouden gronden, dezelfde

pracht van kleuren. De met vignetten versierde handschriften worden

op ivoren cylinders of stokjes van fijn hout, waarvan de uiteinden

met metalen sieraden zijn voorzien, gerold. Almanakken, romans,

verzamelingen van verzen, litanieën en gebeden, worden daarentegen

meestal in den vorm van boeken ingebonden. Onder de aanzienlijke

dames is het mode, de kleinst mogelijke editiën der gebedeboeken bij

de godsdienstoefeningen te gebruiken.

De dames en de dichters van Kioto gebruiken nooit een anderen

almanak dan den zoogenaamden bloemenkalender, waarin iedere maand

en ieder onderdeel eener maand door een symbolisch bouquet worden

aangeduid. Ook bij de kleeding heerscht een soortgelijk gebruik:

het toilet der aanzienlijke dames geeft niet alleen haar rang en

rijkdom te kennen, maar is ook door de kleur en het onderwerp der

borduursels op de kleederen in overeenstemming met de jaargetijden,

de bloemen en vruchten van iedere maand des jaars. De maanden zelven

worden in de hoftaal nooit bij hare eigenlijke namen, maar naar hare

dikwijls zeer toevallige eigenschappen genoemd: de eerste maand heet

de vrienden- of vriendelijke maand, omdat bij de bezoeken en geschenken

van den nieuwjaarsdag de vriendschapsbanden worden bevestigd en nauwer

toegehaald; de derde maand heet de ontluikingsmaand, omdat de natuur

dan uit haar winterslaap ontwaakt; de vijfde, de overplantingsmaand,

omdat de rijst dan verplant wordt; de zevende, de maand der letteren,

omdat het dan gebruik is, ter eere der sterren lofzangen te schrijven,

die aan de vrienden en kennissen worden rondgezonden.

Deze zucht naar symboliek is evenzeer kenbaar in de japansche

architektuur en de voortbrengselen hunner nijverheid: met één

woord, in alles wat door hunne kunstenaars of werklieden wordt

vervaardigd. Zoo ziet men aan de daken der tempels en paleizen zeer

dikwijls een eigenaardig ornament van snijwerk, dat een wolkenlaag moet

verbeelden, waarboven de gevel van het gebouw oprijst. De hoofdingang

of eerepoort van den daïri prijkt met eene gouden zon, omgeven door de

teekenen van den dierenriem. De poorten der Boeddha-tempels prijken

met twee olifantskoppen, ten teeken dat deze godsdienst uit Indië

oorspronkelijk is.

Bovendien zijn er een aantal teekens en ornamenten, waarvan wij den

rechten zin niet kennen. In den daïri ziet men eene soort van bronzen

vaas, eene ruwe afbeelding voorstellende van ik weet niet welken vogel,

ter grootte van een mensch. Dit is een der oudste gedenkteekenen der

japansche kunst: het draagt den naam van Tori-kamé, maar niemand kent

hetzij den oorsprong, hetzij de bestemming van dit kunstwerk. Andere,

zeer oude vazen, op een drievoet geplaatst en dienende voor het branden

van reukwerk, vertoonen in graveerwerk den kop of ook wel het geheele

lichaam van den krokodil: een dier, in Japan volstrekt onbekend. De

schildpad en de kraanvogel, die menigmaal op wierookvaten en gewijde

kandelaars voorkomen, zijn zinnebeelden van onsterfelijkheid of althans

van een lang leven.--De mythologische vogel Foô, in Japan zoowel als in

China geliefd, prijkt op de posten der deuren van den daïri en boven op

den palankijn van den Mikado, als het zinnebeeld van eeuwige zaligheid.

Deze zelfde symbolische figuren, met vele anderen, die ik hier niet

allen noemen kan, komen wederom voor in de patronen der kostbare,

van zijde, goud- en zilverdraad geweven stoffen, die de glorie

uitmaken der wevers van Kioto; en in de graveersels der gouden,

zilveren, koperen en stalen platen, waarmede de japansche juweliers

de grepen en scheden van sabels, de draagbare schrijftoestellen, de

pijpen en tabaksdoozen versieren; en eindelijk ook in de versieringen

der tallooze gereedschappen, vaatwerken en ornamenten van lakwerk en

porselein, waarin de grootste weelde der japansche huizen bestaat.

Eens, toen ik een magazijn bezocht van zulke curiositeiten, uit de

werkplaatsen van Kioto afkomstig, vestigde men mijne aandacht er op,

dat geen dezer voorwerpen zuiver rechthoekig was. Ik overtuigde mij

zelf hiervan, door een nauwkeurig onderzoek van eene menigte kastjes,

koffertjes, papierdoozen, plateaux en dergelijke verlakte voorwerpen;

en inderdaad, ik vond nergens een scherpen hoek: alle hoeken waren

afgeknot of zacht afgerond. Aangenomen, dat hierbij aan niets anders

moet worden gedacht, dan aan een gril van den smaak, waarover niet

te twisten valt, zoo is er iets anders, dat stellig eene symbolische

beteekenis heeft. Alle japansche spiegels namelijk, zonder eenige

uitzondering, vertoonen een ronde schijf: en deze omstandigheid pleit

wel voor het gevoelen van Siebold, dat de spiegels in de kami-tempels

eenvoudig een symbool zijn der zonneschijf.

Het is moeielijker de reden te vinden voor sommige modes van

Kioto: gesteld, dat modes ooit of ergens een reden hebben. De

dames van het hof trekken zich wenkbrauwen uit, en vervangen die

door twee zware donkere strepen, zoo wat drie à vier vingers boven

het oog geschilderd. Zou het zijn, omdat deze schoonen, met hare

vooruitstekende wangbeenderen, gevoelen, dat het ovaal van haar gelaat

wel wat te wenschen overlaat; en zouden zij daaraan willen tegemoet

komen, door hare wenkbrauwen, die de natuur een beetje te veel midden

in het aangezicht plaatste, wat naar boven te brengen?

Met uitzondering van enkele, met was bestreken vlechten, die langs de

slapen en de schouders afdalen, dragen de dames het haar los, plat

op het hoofd, en vrij afhangende op den rug. Daar worden de haren

saâmgevat in een knoop, die groote geheimenissen verbergen moet:

want alle aanzienlijke dames, zonder onderscheid, prijken met zware,

golvende lokken, die tusschen de plooien van haar wijden mantel tot op

den grond afdalen. De omvang van dit rijke kleedingstuk van brocade,

zou haast tot het vermoeden leiden, dat in de groote wereld van Kioto

de graad van vrouwelijke weelde zich regelt naar het getal der ellen

zijde, die een enkel mensch achter zich aan kan slepen. Maar wat

beteekenen die twee lange zijbanen van het kleed, die ter rechter-

en ter linkerzijde buiten de golvende mantelzoomen uitsteken? Als de

schoone voortgaat, bewegen zij zich op de maat der onzichtbare kleine

voeten; en van verre zou men zeggen dat de dame geen kleed draagt maar

een wijden, slependen pantalon, die haar slechts vergunt op de knieën

voort te kruipen, achteloos met de heupen wiegende. Wel, dit wonderlijk

kostuum moet ook juist dien indruk maken: het moet den schijn hebben,

alsof de hofdames, die in de tegenwoordigheid van den Mikado worden

toegelaten, niet dan knielende zijne heilige majesteit naderen!

In het paleis hoort ge geen ander geluid dan het ruischen der zijde

over de zachte tapijten, waarmede de matten zijn belegd. Bamboezen

jalouzieën temperen het daglicht; prachtig beschilderde schermen,

damasten draperieën, fluweelen gordijnen, vormen de wanden en portières

der ruime salons. Geen enkel meubelstuk stoort den indruk van sierlijke

eenvoudigheid; in de hoeken bespeurt ge slechts, hier een aquarium van

porselein, gekroond met levende planten en smaakvol geschikte bloemen;

elders een met parelmoer ingelegde kast of eene étagère, beladen met

de omvangrijke bloemlezingen uit de oude poëzie, waarvan eene op gouden

bladen is gedrukt. De geur van kostbare houtsoorten, van fijne matten,

van bloemen en gewassen mengt zich met de frissche buitenlucht, die van

alle kanten door de geopende schermen binnendringt. De jonge hofdames

presenteeren thee van Oudsji en suikergebak uit de voorraadkamer der

keizerin. Deze, de Kisaki, de trotsche gebiedster der twaalf andere

wettige gemalinnen van den Mikado en van de schare zijner bijwijven,

zit, in fiere afzondering, neergehurkt op eene ruime hooge estrade,

van waar zij de gansche zaal overziet. De staatsdames en kamervrouwen,

op eerbiedigen afstand achter haar geknield of neergehurkt, vormen

groepen, die op bloembedden gelijken: want iedere groep heeft, volgens

haar rang, hare eigene kleederdracht en bijzondere kleuren. De breede

plooien der kleederen van de keizerin zijn zoo kunstig en smaakvol

geschikt, dat zij hare figuur als in eene schitterende wolk van gaas,

satijn en brocade hullen; en de drie gouden bladen of stengels,

die uit haar diadeem oprijzen, schijnen wel de kroon eener hemelsche

bloemen-koningin.

De genoodigden zitten in halve kringen tegenover de hooge

gebiedster. Op een teeken harer hand naderen de dienstdoende

staatsdames, en ontvangen knielende de noodige bevelen voor de regeling

der verhalen en samenspraken of letterkundige wedstrijden. Het hof

der Kisaki toch is, of was althans, de japansche académie des jeux

floraux. Op den derden dag der derde maand, ongeveer overeenkomende met

onze Aprilmaand, vereenigen zich alle schoone geesten van den daïri

in de bloesemrijke boomgaarden van het kasteel, aan den oever der

frissche beken; de saki vloeit in de kristallen bekers, en edelheeren

en edelvrouwen wedijveren in het uitvinden der liefelijkste coupletjes

ter eere der jonge lente en der ontwakende natuur.

Deze soort van conventioneele poëzie was trouwens van ouds eene

der meest geliefde uitspanningen der japansche literatoren: hierin

het voorbeeld volgende der chineesche letterkunde, waarnaar die van

hun eigen land zich vormde, en tevens aan den invloed van het hof

gehoorzamende, waar dergelijke Schöngeisterei natuurlijk zeer in den

smaak viel. De graveerstift heeft ons zelfs de trekken bewaard der

dichters, die in dit genre uitmuntten, en die altijd worden voorgesteld

met het voorwerp hunner zangen. De dichters der zee, bij voorbeeld,

ziet ge steeds aan het strand neergezeten; een ander is verzonken in

de beschouwing van een bloemruiker; een derde heeft voor attribuut

een bloeienden perzikenboom; er zijn dichters van de rijst, van de

vlinders, van de kraanvogels, van de maan, van de schelpen, en zoo

meer. De geschiedenis der japansche poëzie heeft ook hare gewijde

plaatsen: als daar zijn de berg Kamo, waar Tsjoo-meï zijne oden

dichtte, peinzende aan den oever eener beek; en een zeker klooster,

waar een verdoolde prins nachtverblijf vond. Des morgens, bij zijn

vertrek, stelde hij den prior een gedicht ter hand, als loon voor

de genoten gastvrijheid. Deze gracelijke gave vestigde den roem van

het klooster.

Eene der meest geliefde figuren uit de letterkundige geschiedenis van

Japan is eene adellijke jonkvrouw van het hof van Kioto, met name

Onono-Komatsj. Doorgaans wordt zij voor een waterbekken knielende

afgebeeld, bezig met haar handschrift uit te wisschen. Zoo groot

was haar zucht naar zuiverheid van stijl, dat zij nimmer tevreden

was met wat zij gemaakt had, en deze hartstocht ieder anderen in

haar vernietigde. Bewonderd om haar talent, maar ter prooi aan de

jaloezie en de wraakzucht der losbollen, wier beleefdheden zij met

verachting afwees, viel zij eindelijk in ongenade en tot volslagen

armoede. Jaren lang zag men toen door de velden van Nippon eene

eenzame vrouw zwerven, barrevoets, leunende op een pelgrimsstaf, en

in de linkerhand een mandje dragende, dat, nevens eenige beschreven

rollen papier, enkele schrale mondbehoeften bevatte. Zilverwitte

haarlokken omgaven haar mager en gerimpeld gelaat, door een breeden

strooien hoed overschaduwd. Zette deze arme oude vrouw zich neder

op de trappen der tempels, nabij de dorpen, dan schaarden zich de

kinderen weldra om haar heen, aangetrokken door haar zachten glimlach

en de weemoedige uitdrukking harer groote, schoone oogen. Dan zeide

zij verzen voor hen op, en vestigde hunne aandacht op de heerlijke

wonderen der schepping. En dan gebeurde het vaak, dat een of andere

leergierige monnik, gissende wie de onbekende was, eerbiedig nader trad

en vergunning verzocht om een der gedichten te mogen overschrijven,

die de arme zwervelinge in haar mandje mededroeg. Zelfs in onze

dagen is de nagedachtenis van Onono-Komatsj, de dichterlijke maagd,

in Japan nog in eere, en leeft haar naam nog voort als die van eene

edele martelares der kunst, door voor- noch tegenspoed gebogen,

en tot in haar ouderdom en te midden van armoede en verlatenheid

onveranderlijk trouw aan hare liefde voor het ideaal.

Maar het hof der keizerin kende ook andere dan zuiver

letterkundige uitspanningen: er was ook eene kapel, uitsluitend

uit snareninstrumenten saâmgesteld. Met de muziek gingen

tooneelvoorstellingen gepaard. Eene troep jeugdige tooneelspeelsters

voerde tooverballetten op, of wel danste eigenaardige dansen: nu eens

deftig en statig, gekleed in lange slepende mantels met wijde mouwen;

dan weder vlug, levendig, fantastisch, waarbij de danseressen verkleed

optraden, versierd met vogel- of kapellen-vederen. De dames van den

daïri hadden ook hare bijzondere loges grillées, niet slechts in

den keizerlijken schouwburg, maar ook in den circus der worstelaars

en boksers, aan het hof van den Mikado verbonden. Ook waren zij,

in haar eigen lusthof, in kleinen kring onder de veranda gezeten,

belangstellende toeschouwers bij de hanengevechten. Al deze gebruiken

van het hof van Kioto zijn tot op onze dagen in stand gebleven:

slechts is ieder spoor van artistieke of letterkundige ontwikkeling

verdwenen. Zij zijn niets meer dan de laatste overblijfselen van

het oude keizerrijk: zonder geest of leven nu, dor en versteend,

als de verlaten grafheuvels van het voorgeslacht. Inmiddels ontluikt

en ontwikkelt zich allerwege rondom den Mikado een nieuw leven. De

Taïkoen breidt al verder en verder de instellingen en ordeningen

zijner moderne monarchie uit, en doet steeds krachtiger grepen in het

aloude samenstel der verstorven theokratie; de vreemdeling heeft zich

de poorten des rijks geopend; de vlugge stoombooten van het Westen

doorkruisen de kalme wateren der binnenzee, en van alle zijden dringt

de christelijk-europeesche beschaving veroverend het land binnen.

En terwijl de wereld om hem heen van gedaante verandert, zit daar

nog altijd de Mikado, de afstammeling der kami's, de erfelijke

theokratische keizer van Japan, ontoegankelijk en onzichtbaar: stomme

getuige eener omwenteling, die hij niet keeren kan, en die hem licht

medesleepen zal. Ware hij niet zoo volkomen lijdelijk, deze Mikado zou

eene tragische figuur zijn: de incarnatie van het gestorven verleden,

waarvoor in het levend heden geene plaats meer is. Vergeefs trekt hij

zich terug in de geheimzinnige schemering van het heilig halfduister:

ook hij zal in het volle licht moeten treden, ook over hem zal het

onverbiddelijk gericht der historie gaan.

Japan De Aarde en haar Volken, 1867 · 第 10 / 12 题