De kunst aan het hof van den Mikado.--Miniatuurschilderen.--
Symboliek.--Modes aan het hof.--Het hof der Kisaki.--Letterkundige
uitspanningen.--De dichteres Onono-Komatsj.--Tooneelvoorstellingen.
Een der meest geliefkoosde kunsten aan het hof van den Mikado is
het miniatuurschilderen. De miniaturen der kunstenaars van Kioto
doen meermalen aan onze middeleeuwsche getijdeboeken denken: het is
hetzelfde velijnpapier, hetzelfde misbruik van gouden gronden, dezelfde
pracht van kleuren. De met vignetten versierde handschriften worden
op ivoren cylinders of stokjes van fijn hout, waarvan de uiteinden
met metalen sieraden zijn voorzien, gerold. Almanakken, romans,
verzamelingen van verzen, litanieën en gebeden, worden daarentegen
meestal in den vorm van boeken ingebonden. Onder de aanzienlijke
dames is het mode, de kleinst mogelijke editiën der gebedeboeken bij
de godsdienstoefeningen te gebruiken.
De dames en de dichters van Kioto gebruiken nooit een anderen
almanak dan den zoogenaamden bloemenkalender, waarin iedere maand
en ieder onderdeel eener maand door een symbolisch bouquet worden
aangeduid. Ook bij de kleeding heerscht een soortgelijk gebruik:
het toilet der aanzienlijke dames geeft niet alleen haar rang en
rijkdom te kennen, maar is ook door de kleur en het onderwerp der
borduursels op de kleederen in overeenstemming met de jaargetijden,
de bloemen en vruchten van iedere maand des jaars. De maanden zelven
worden in de hoftaal nooit bij hare eigenlijke namen, maar naar hare
dikwijls zeer toevallige eigenschappen genoemd: de eerste maand heet
de vrienden- of vriendelijke maand, omdat bij de bezoeken en geschenken
van den nieuwjaarsdag de vriendschapsbanden worden bevestigd en nauwer
toegehaald; de derde maand heet de ontluikingsmaand, omdat de natuur
dan uit haar winterslaap ontwaakt; de vijfde, de overplantingsmaand,
omdat de rijst dan verplant wordt; de zevende, de maand der letteren,
omdat het dan gebruik is, ter eere der sterren lofzangen te schrijven,
die aan de vrienden en kennissen worden rondgezonden.
Deze zucht naar symboliek is evenzeer kenbaar in de japansche
architektuur en de voortbrengselen hunner nijverheid: met één
woord, in alles wat door hunne kunstenaars of werklieden wordt
vervaardigd. Zoo ziet men aan de daken der tempels en paleizen zeer
dikwijls een eigenaardig ornament van snijwerk, dat een wolkenlaag moet
verbeelden, waarboven de gevel van het gebouw oprijst. De hoofdingang
of eerepoort van den daïri prijkt met eene gouden zon, omgeven door de
teekenen van den dierenriem. De poorten der Boeddha-tempels prijken
met twee olifantskoppen, ten teeken dat deze godsdienst uit Indië
oorspronkelijk is.
Bovendien zijn er een aantal teekens en ornamenten, waarvan wij den
rechten zin niet kennen. In den daïri ziet men eene soort van bronzen
vaas, eene ruwe afbeelding voorstellende van ik weet niet welken vogel,
ter grootte van een mensch. Dit is een der oudste gedenkteekenen der
japansche kunst: het draagt den naam van Tori-kamé, maar niemand kent
hetzij den oorsprong, hetzij de bestemming van dit kunstwerk. Andere,
zeer oude vazen, op een drievoet geplaatst en dienende voor het branden
van reukwerk, vertoonen in graveerwerk den kop of ook wel het geheele
lichaam van den krokodil: een dier, in Japan volstrekt onbekend. De
schildpad en de kraanvogel, die menigmaal op wierookvaten en gewijde
kandelaars voorkomen, zijn zinnebeelden van onsterfelijkheid of althans
van een lang leven.--De mythologische vogel Foô, in Japan zoowel als in
China geliefd, prijkt op de posten der deuren van den daïri en boven op
den palankijn van den Mikado, als het zinnebeeld van eeuwige zaligheid.
Deze zelfde symbolische figuren, met vele anderen, die ik hier niet
allen noemen kan, komen wederom voor in de patronen der kostbare,
van zijde, goud- en zilverdraad geweven stoffen, die de glorie
uitmaken der wevers van Kioto; en in de graveersels der gouden,
zilveren, koperen en stalen platen, waarmede de japansche juweliers
de grepen en scheden van sabels, de draagbare schrijftoestellen, de
pijpen en tabaksdoozen versieren; en eindelijk ook in de versieringen
der tallooze gereedschappen, vaatwerken en ornamenten van lakwerk en
porselein, waarin de grootste weelde der japansche huizen bestaat.
Eens, toen ik een magazijn bezocht van zulke curiositeiten, uit de
werkplaatsen van Kioto afkomstig, vestigde men mijne aandacht er op,
dat geen dezer voorwerpen zuiver rechthoekig was. Ik overtuigde mij
zelf hiervan, door een nauwkeurig onderzoek van eene menigte kastjes,
koffertjes, papierdoozen, plateaux en dergelijke verlakte voorwerpen;
en inderdaad, ik vond nergens een scherpen hoek: alle hoeken waren
afgeknot of zacht afgerond. Aangenomen, dat hierbij aan niets anders
moet worden gedacht, dan aan een gril van den smaak, waarover niet
te twisten valt, zoo is er iets anders, dat stellig eene symbolische
beteekenis heeft. Alle japansche spiegels namelijk, zonder eenige
uitzondering, vertoonen een ronde schijf: en deze omstandigheid pleit
wel voor het gevoelen van Siebold, dat de spiegels in de kami-tempels
eenvoudig een symbool zijn der zonneschijf.
Het is moeielijker de reden te vinden voor sommige modes van
Kioto: gesteld, dat modes ooit of ergens een reden hebben. De
dames van het hof trekken zich wenkbrauwen uit, en vervangen die
door twee zware donkere strepen, zoo wat drie à vier vingers boven
het oog geschilderd. Zou het zijn, omdat deze schoonen, met hare
vooruitstekende wangbeenderen, gevoelen, dat het ovaal van haar gelaat
wel wat te wenschen overlaat; en zouden zij daaraan willen tegemoet
komen, door hare wenkbrauwen, die de natuur een beetje te veel midden
in het aangezicht plaatste, wat naar boven te brengen?
Met uitzondering van enkele, met was bestreken vlechten, die langs de
slapen en de schouders afdalen, dragen de dames het haar los, plat
op het hoofd, en vrij afhangende op den rug. Daar worden de haren
saâmgevat in een knoop, die groote geheimenissen verbergen moet:
want alle aanzienlijke dames, zonder onderscheid, prijken met zware,
golvende lokken, die tusschen de plooien van haar wijden mantel tot op
den grond afdalen. De omvang van dit rijke kleedingstuk van brocade,
zou haast tot het vermoeden leiden, dat in de groote wereld van Kioto
de graad van vrouwelijke weelde zich regelt naar het getal der ellen
zijde, die een enkel mensch achter zich aan kan slepen. Maar wat
beteekenen die twee lange zijbanen van het kleed, die ter rechter-
en ter linkerzijde buiten de golvende mantelzoomen uitsteken? Als de
schoone voortgaat, bewegen zij zich op de maat der onzichtbare kleine
voeten; en van verre zou men zeggen dat de dame geen kleed draagt maar
een wijden, slependen pantalon, die haar slechts vergunt op de knieën
voort te kruipen, achteloos met de heupen wiegende. Wel, dit wonderlijk
kostuum moet ook juist dien indruk maken: het moet den schijn hebben,
alsof de hofdames, die in de tegenwoordigheid van den Mikado worden
toegelaten, niet dan knielende zijne heilige majesteit naderen!
In het paleis hoort ge geen ander geluid dan het ruischen der zijde
over de zachte tapijten, waarmede de matten zijn belegd. Bamboezen
jalouzieën temperen het daglicht; prachtig beschilderde schermen,
damasten draperieën, fluweelen gordijnen, vormen de wanden en portières
der ruime salons. Geen enkel meubelstuk stoort den indruk van sierlijke
eenvoudigheid; in de hoeken bespeurt ge slechts, hier een aquarium van
porselein, gekroond met levende planten en smaakvol geschikte bloemen;
elders een met parelmoer ingelegde kast of eene étagère, beladen met
de omvangrijke bloemlezingen uit de oude poëzie, waarvan eene op gouden
bladen is gedrukt. De geur van kostbare houtsoorten, van fijne matten,
van bloemen en gewassen mengt zich met de frissche buitenlucht, die van
alle kanten door de geopende schermen binnendringt. De jonge hofdames
presenteeren thee van Oudsji en suikergebak uit de voorraadkamer der
keizerin. Deze, de Kisaki, de trotsche gebiedster der twaalf andere
wettige gemalinnen van den Mikado en van de schare zijner bijwijven,
zit, in fiere afzondering, neergehurkt op eene ruime hooge estrade,
van waar zij de gansche zaal overziet. De staatsdames en kamervrouwen,
op eerbiedigen afstand achter haar geknield of neergehurkt, vormen
groepen, die op bloembedden gelijken: want iedere groep heeft, volgens
haar rang, hare eigene kleederdracht en bijzondere kleuren. De breede
plooien der kleederen van de keizerin zijn zoo kunstig en smaakvol
geschikt, dat zij hare figuur als in eene schitterende wolk van gaas,
satijn en brocade hullen; en de drie gouden bladen of stengels,
die uit haar diadeem oprijzen, schijnen wel de kroon eener hemelsche
bloemen-koningin.
De genoodigden zitten in halve kringen tegenover de hooge
gebiedster. Op een teeken harer hand naderen de dienstdoende
staatsdames, en ontvangen knielende de noodige bevelen voor de regeling
der verhalen en samenspraken of letterkundige wedstrijden. Het hof
der Kisaki toch is, of was althans, de japansche académie des jeux
floraux. Op den derden dag der derde maand, ongeveer overeenkomende met
onze Aprilmaand, vereenigen zich alle schoone geesten van den daïri
in de bloesemrijke boomgaarden van het kasteel, aan den oever der
frissche beken; de saki vloeit in de kristallen bekers, en edelheeren
en edelvrouwen wedijveren in het uitvinden der liefelijkste coupletjes
ter eere der jonge lente en der ontwakende natuur.
Deze soort van conventioneele poëzie was trouwens van ouds eene
der meest geliefde uitspanningen der japansche literatoren: hierin
het voorbeeld volgende der chineesche letterkunde, waarnaar die van
hun eigen land zich vormde, en tevens aan den invloed van het hof
gehoorzamende, waar dergelijke Schöngeisterei natuurlijk zeer in den
smaak viel. De graveerstift heeft ons zelfs de trekken bewaard der
dichters, die in dit genre uitmuntten, en die altijd worden voorgesteld
met het voorwerp hunner zangen. De dichters der zee, bij voorbeeld,
ziet ge steeds aan het strand neergezeten; een ander is verzonken in
de beschouwing van een bloemruiker; een derde heeft voor attribuut
een bloeienden perzikenboom; er zijn dichters van de rijst, van de
vlinders, van de kraanvogels, van de maan, van de schelpen, en zoo
meer. De geschiedenis der japansche poëzie heeft ook hare gewijde
plaatsen: als daar zijn de berg Kamo, waar Tsjoo-meï zijne oden
dichtte, peinzende aan den oever eener beek; en een zeker klooster,
waar een verdoolde prins nachtverblijf vond. Des morgens, bij zijn
vertrek, stelde hij den prior een gedicht ter hand, als loon voor
de genoten gastvrijheid. Deze gracelijke gave vestigde den roem van
het klooster.
Eene der meest geliefde figuren uit de letterkundige geschiedenis van
Japan is eene adellijke jonkvrouw van het hof van Kioto, met name
Onono-Komatsj. Doorgaans wordt zij voor een waterbekken knielende
afgebeeld, bezig met haar handschrift uit te wisschen. Zoo groot
was haar zucht naar zuiverheid van stijl, dat zij nimmer tevreden
was met wat zij gemaakt had, en deze hartstocht ieder anderen in
haar vernietigde. Bewonderd om haar talent, maar ter prooi aan de
jaloezie en de wraakzucht der losbollen, wier beleefdheden zij met
verachting afwees, viel zij eindelijk in ongenade en tot volslagen
armoede. Jaren lang zag men toen door de velden van Nippon eene
eenzame vrouw zwerven, barrevoets, leunende op een pelgrimsstaf, en
in de linkerhand een mandje dragende, dat, nevens eenige beschreven
rollen papier, enkele schrale mondbehoeften bevatte. Zilverwitte
haarlokken omgaven haar mager en gerimpeld gelaat, door een breeden
strooien hoed overschaduwd. Zette deze arme oude vrouw zich neder
op de trappen der tempels, nabij de dorpen, dan schaarden zich de
kinderen weldra om haar heen, aangetrokken door haar zachten glimlach
en de weemoedige uitdrukking harer groote, schoone oogen. Dan zeide
zij verzen voor hen op, en vestigde hunne aandacht op de heerlijke
wonderen der schepping. En dan gebeurde het vaak, dat een of andere
leergierige monnik, gissende wie de onbekende was, eerbiedig nader trad
en vergunning verzocht om een der gedichten te mogen overschrijven,
die de arme zwervelinge in haar mandje mededroeg. Zelfs in onze
dagen is de nagedachtenis van Onono-Komatsj, de dichterlijke maagd,
in Japan nog in eere, en leeft haar naam nog voort als die van eene
edele martelares der kunst, door voor- noch tegenspoed gebogen,
en tot in haar ouderdom en te midden van armoede en verlatenheid
onveranderlijk trouw aan hare liefde voor het ideaal.
Maar het hof der keizerin kende ook andere dan zuiver
letterkundige uitspanningen: er was ook eene kapel, uitsluitend
uit snareninstrumenten saâmgesteld. Met de muziek gingen
tooneelvoorstellingen gepaard. Eene troep jeugdige tooneelspeelsters
voerde tooverballetten op, of wel danste eigenaardige dansen: nu eens
deftig en statig, gekleed in lange slepende mantels met wijde mouwen;
dan weder vlug, levendig, fantastisch, waarbij de danseressen verkleed
optraden, versierd met vogel- of kapellen-vederen. De dames van den
daïri hadden ook hare bijzondere loges grillées, niet slechts in
den keizerlijken schouwburg, maar ook in den circus der worstelaars
en boksers, aan het hof van den Mikado verbonden. Ook waren zij,
in haar eigen lusthof, in kleinen kring onder de veranda gezeten,
belangstellende toeschouwers bij de hanengevechten. Al deze gebruiken
van het hof van Kioto zijn tot op onze dagen in stand gebleven:
slechts is ieder spoor van artistieke of letterkundige ontwikkeling
verdwenen. Zij zijn niets meer dan de laatste overblijfselen van
het oude keizerrijk: zonder geest of leven nu, dor en versteend,
als de verlaten grafheuvels van het voorgeslacht. Inmiddels ontluikt
en ontwikkelt zich allerwege rondom den Mikado een nieuw leven. De
Taïkoen breidt al verder en verder de instellingen en ordeningen
zijner moderne monarchie uit, en doet steeds krachtiger grepen in het
aloude samenstel der verstorven theokratie; de vreemdeling heeft zich
de poorten des rijks geopend; de vlugge stoombooten van het Westen
doorkruisen de kalme wateren der binnenzee, en van alle zijden dringt
de christelijk-europeesche beschaving veroverend het land binnen.
En terwijl de wereld om hem heen van gedaante verandert, zit daar
nog altijd de Mikado, de afstammeling der kami's, de erfelijke
theokratische keizer van Japan, ontoegankelijk en onzichtbaar: stomme
getuige eener omwenteling, die hij niet keeren kan, en die hem licht
medesleepen zal. Ware hij niet zoo volkomen lijdelijk, deze Mikado zou
eene tragische figuur zijn: de incarnatie van het gestorven verleden,
waarvoor in het levend heden geene plaats meer is. Vergeefs trekt hij
zich terug in de geheimzinnige schemering van het heilig halfduister:
ook hij zal in het volle licht moeten treden, ook over hem zal het
onverbiddelijk gericht der historie gaan.