VIII.

Kioto.--Nationaal tooneel.--Godsdienstige feesten.--Optochten.--

Begraafplaatsen.--Doodenfeest te Nagasaki.--Grafheuvels.

De laatste maal, dat ik u mijne herinneringen uit Japan mededeelde,

heb ik u rondgevoerd langs de schilderachtige oevers der binnenzee, den

klassieken grond van het groote Nippon, en u van verre reeds een blik

doen werpen op Kioto, de oude hoofdstad der Mikado's. Wilt ge mij nu

derwaarts vergezellen, en van meer nabij het leven en bedrijf gadeslaan

in dit middelpunt der oude japansche maatschappij?--Stellen wij ons dan

voor, dat wij op een schoonen zomeravond, tegen het ondergaan der zon,

de heilige stad naderen. Van alle kanten klinken ons de tonen eener

vroolijke en luidruchtige muziek tegen, alsof we zoo straks ons te

midden eener woelige kermisvreugde zouden bevinden. Op alle omringende

heuvelen, met gewijde bosschages, met tempels en kloosters bedekt,

wordt door de bonzen en monniken de avonddienst gevierd, onder het

slaan op trommen, op tamboerijns, op koperen bekkens, en op metalen

klokken: een bijna oorverdoovend concert.

In de voorsteden worden alom de veelkleurige, papieren lantaarns

opgestoken. Ge ziet er van allerlei vorm en afmeting: de grootsten

hebben de gedaante van reusachtige cylinders, en prijken tusschen de

zuilen aan de voorgevels der tempels; de kleinsten, aan ballons gelijk,

hangen in rijen voor de deuren der herbergen en aan de galerijen der

huizen van vermaak. De heiligdommen en de meer profane etablissementen,

die op deze wijze verlicht worden, zijn zoo talrijk en grenzen zoo

dicht aan elkander, dat de gansche wijk er uitziet alsof er een

venetiaansch nachtfeest gevierd wordt.

In de stad zelf beweegt zich eene dichte schare, mannen en vrouwen,

langs de winkels en magazijnen en over de trottoirs der lange straten,

die van het noorden naar het zuiden loopen, tot in de nabijheid van den

daïri. Onder die golvende menigte telt ge een groot aantal priesters,

van verschillende kerken en sekten. Die van den kami-dienst zijn

kenbaar aan een kleine muts van karton, zwart verlakt, en gedekt

door een soort van kam, van gelijke kleur, met een wit kruis in het

midden. Aan die muts is van achteren een sterk gesteven lint bevestigd,

dat in den nek afhangt. Dit kapsel is overigens eene oude nationale

dracht, die dan ook niet het uitsluitend eigendom der priesters is,

maar, met eenige bij de wet voorgeschreven wijzigingen, evenzeer

wordt aangetroffen bij al de negentien officieel getitelde klassen der

bevolking van Kioto. Een ruim overkleed, een wijde pantalon, en een

groote kromme sabel, die hoogst waarschijnlijk maar tot sieraad strekt,

voltooien het dagelijksche kostuum der dienaars van de kami-tempels.

Alle leden der boeddhistische geestelijkheid, de ordebroeders zoowel

als de wereldlijken, onderscheiden zich door een kaalgeschoren en

geheel onbedekt hoofd; slechts enkele monnikenorden dragen een hoed

met breede randen. Grijze gewaden, in vorm aan de priesterkleeding der

katholieke geestelijken gelijk, zijn onder hen het meest in gebruik;

echter ziet ge ook zwarte, bruine, roode en gele soutanes, soms met

een sjerp, een koorhemd of borstlap bedekt.

Kioto telt ook enkele heilige kluizenaars, die, vreemd genoeg, juist de

hoofdstad hebben uitgekozen, om het gewoel der wereld te ontvlieden. De

dankbare stedelingen, die van de nabijheid dezer vrome mannen allerlei

heil voor hunne stad hopen, voorzien hunne kluizen rijkelijk van al

het noodige. Een dezer verblijven is vooral merkwaardig: het is eene

kluis, boven in een steilen rotswand, door een kleinen vijver van den

openbaren weg gescheiden, uitgehouwen. Men weet niet wie daarin woont,

noch hoe de kluizenaar daar komen kan, maar geregeld dalen, door middel

van een vernuftig uitgedacht toestel, de matten korfjes naar beneden,

waarin de geloovigen hunne gaven nederleggen; waarna ze weder even

vlug naar boven worden geheschen. De bedelarij, als godsdienstig

beroep, wordt hier overigens overal en op ieder uur in het openbaar

gedreven. Bedelmonniken van allerlei soort zijn er immer op uit, uwe

weldadigheid in te roepen: nu eens slaan zij op de straatsteenen met

een grooten stok, waaraan van boven metalen ringen bevestigd zijn;

dan weder klingelen zij met een bel, of slaan met een hamer op een

bekken, dat aan hun gordel hangt; sommigen vertoonen reliquieën,

waarvan zij luide den lof verkondigen; anderen wederom vervolgen

de voorbijgangers met eentonige litanieën. En niet minder wordt ge

gekweld door de krijschende muziek van goochelaars, koorddansers,

tooneelspelers, die op de straat hunne kunsten vertoonen en de aandacht

der wandelaars trachten te boeien.

Uit alle theehuizen weergalmen de vroolijke tonen van guitaren en

tamboerijnen, begeleid en afgewisseld door gezang en gelach. De

schouwburgen en andere plaatsen van uitspanning zijn den ganschen

nacht geopend. Daar kunt ge de jonge edellieden der hoofdstad vinden;

na een dag, doorgebracht aan het hof, of verdeeld tusschen de manege,

de wedrennen, het schieten met den boog, de kaatsbaan en de theehuizen

van den omtrek, komen zij hier den avond en het grootste deel van

den nacht slijten in allerlei uitspanningen en uitspattingen.

Nevens den volksschouwburg, waar burgerlijke komedies en

tooverballetten worden opgevoerd, vindt men te Kioto nog het

hoftheater: zeker een der vreemdste verschijnsels in Japan. Rollen,

kostumen, decoraties, alles is daar conventioneel, even als bij de

klassieke tragedie in Frankrijk onder Lodewijk XIV, met "mevrouw"

Phaedra, Agamemnon in hofkostuum en allonge-pruik, en Achilles met

hooge hakken. Maar, onder dit conventioneele masker der helden en

heldinnen van Corneille en Racine, herkennen wij toch nog altijd

karakters, ons reeds uit de studie der klassieke oudheid bekend,

en die de dichter tot typen van menschelijke hartstochten en

neigingen gestempeld heeft. Doch wie zal ons den oorsprong en de

beteekenis verklaren der personen, die op het keizerlijk tooneel

te Kioto optreden? Wie is, bij voorbeeld, die grijsaard met zijn

zilveren baard en zijn kruk, waarop een groene papegaai zit: een

vogel, die nergens in den japanschen archipel gevonden wordt? En die

andere held, die een vergiftige slang vervolgt: een dier, eveneens in

Japan volkomen onbekend? Vanwaar komen die schilden, die helmen, die

zwaarden, wier vorm evenmin overeenstemt met de wapenen der halfgoden

uit de nationale mythologie, als met die der krijgers uit het oude

rijk der Mikado's? Evenzeer zoudt ge vergeefs naar tegenhangers dezer

figuren zoeken onder de oneindige verscheidenheid der typen van het

chineesche theater. Weet ge waar het kostuum der acteurs van Kioto

mij soms aan denken doet? Aan den wayang der javaansche vorsten:

een even geheimzinnig tooneel, waar heldendrama's, die den ganschen

nacht duren, worden voorgedragen in eene taal, die niemand verstaat,

en in vollen ernst gespeeld met houten poppen. De fantastische tiara's,

waarmede deze poppen prijken, gelijken vrij wel op het onbeschrijfelijk

hoofddeksel der acteurs van den Mikado.

De voornaamste instrumenten van het orchest van den hofschouwburg zijn:

de dwarsfluit, de pansfluit, de tritonshoorn, de cymbalen en de gong,

kak-daï-ko geheeten. De laatste is een groote schijf, met eene gelooide

huid overtrokken, op een voetstuk rustende, en versierd met symbolische

figuren, die waarschijnlijk op de zonnedienst betrekking hebben. Deze

instrumenten hebben, in zekeren zin, een gewijd karakter. De sage

zegt, dat de groote godheid van den dag, geërgerd over de boosheid

en barbaarschheid der menschen, eens weigerde langer de aarde te

verlichten, en zich in de diepten der zee verborg. Eerst door een

concert van fluiten, tritonshoorns, cymbalen en gongs gelukte het

eindelijk haar weder te voorschijn te doen komen; dat wil zeggen:

door de uitvinding der muziek verdween de nacht der barbaarschheid

van de aarde.

De godsdienstige nationale feesten hebben in de eerste plaats de stoffe

geleverd voor de ontwikkeling van het muzikaal en dramatisch talent des

japanschen volks. De kami-dienst is buitengewoon arm aan dogma's: zij

lost zich eigenlijk op in het geloof, dat de goden die Japan geschapen

hebben, ook voortdurend voor deze hunne schepping blijven zorgen; en

dat de helden, die de macht des rijks hebben gegrondvest, nu bij de

goden wonen en daar werkzaam zijn ten bate van hun vaderland. Het is

dus billijk, de kami's te vereeren: maar, om hun welbehagelijk te zijn,

moet men hunne tempels betreden, vrij van alle smet der onreinheid;

waardiglijk de feesten te hunner gedachtenis vieren, en de plaatsen

bezoeken, door hunne geboorte of hunne groote daden gewijd.

De vervulling dezer weinige geboden is niet bijzonder moeielijk. Eenige

vaste regelen, in twee of drie artikelen vervat, stellen ieder

geloovige in staat, om bij zich zelven na te gaan, of hij in den

vereischten toestand van reinheid verkeert, en wijzen hem ook

den weg om, zoo dit noodig mocht zijn, weder in dien toestand te

geraken. Hem zijn geene andere godsdienstplichten opgelegd, dan in

zijn huis zorgvuldig de beide reinigende elementen, het water en het

vuur, te onderhouden; door dagelijksche wasschingen ook uiterlijk

getuigenis af te leggen van de reinheid zijner ziel; en in den tempel

of de huiskapel van den kami niets te offeren, waaraan eenig gebrek

is. Onrein wordt men door ongeoorloofde betrekkingen, door den dood

der naaste bloedverwanten, door het aanraken van een lijk; en ook

door bloed te vergieten, zich met bloed te bezoedelen of het vleesch

van huisdieren te eten.

Om uit dien toestand te geraken, moet men zich aan de formaliteiten

der reiniging onderwerpen, die meer of minder omslachtig zijn, naar

gelang van het meer of minder ernstig karakter der oorzaak van de

onreinheid. De mannen moeten baard en haar laten groeien, en zich

het hoofd bedekken met een gemeenen strooien hoed; de vrouwen met een

witten doek; beiden moeten zich in hunne vertrekken opsluiten of een

pelgrimstocht ondernemen, en zich onthouden van sommige spijzen en

van alle luidruchtige vermaken. De wederopneming van den boeteling in

den kring zijner familie en vrienden wordt met groote feestelijkheid

gevierd; en daarbij tevens met water en zout, en door het aansteken

van een groot vuur op de binnenplaats, het gansche huis gereinigd.

De jaarlijksche feesten ter eere der voornaamste kami's van Japan

gaan met geene andere plechtigheden dan zekere reinigings-ceremoniën

gepaard; en ook deze werden nog eerst tegen het einde der achtste eeuw

ingevoerd. Des avonds voor het feest begeven zich de priesters, in

plechtstatigen optocht, met fakkellicht, naar den tempel, waar in eene

kostbare reliekkast, mikosi genaamd, de wapenen en andere voorwerpen

worden bewaard, die den vergooden held hebben toebehoord. Volgens het

zeggen der priesters is de mikosi de aardsche woning van den kami,

de troon, in zijn vaderland voor hem opgericht. Maar ieder jaar moet

deze woning geheel gereinigd worden. De relieken worden dus uit de

kast genomen, en deze naar de rivier gedragen. Terwijl eenige priesters

haar zorgvuldig wasschen, steken andere groote vuren aan, om de booze

geesten te verdrijven; en de kagoera, het gewijde choor, tracht door

muziek en zang den geest van den kami, die tijdelijk van zijn aardsch

verblijf is beroofd, te verzoenen en tot rust te brengen. Intusschen

haast men zich, om hem zijn huis terug te geven: de relieken, die

tot dusver te midden van den stoet waren ten toon gesteld, worden met

groote plechtigheid weder in de kast geborgen; maar, daar de tempel

zelf evenzeer reiniging behoeft, wordt de mikosi niet dadelijk daarheen

terug gevoerd. Gedurende het feest, dat verscheidene dagen aanhoudt,

wordt zij bewaard in een bepaaldelijk daarvoor opgerichte kapel, die

behoorlijk tegen de aanrandingen van booze geesten is gevrijwaard:

want, waagden zij zich binnen de gewijde, door koorden van rijststroo

afgepaalde ruimte, dan liepen zij gevaar overgoten te worden met het

kokende wijwater, waarmede men van tijd tot tijd de woning van den

kami besproeit; en wee diegenen hunner, die in de lucht rondzweven:

want de priesters, die de eerewacht van den kami vormen, zijn bekwame

ruiters en handige schutters; het volk juicht luide hunne schitterende

evolutiën toe, en volgt met bewonderende blikken de pijlen, die zij in

de lucht afschieten en die allen binnen de gewijde ruimte nedervallen.

Deze ceremoniën moeten nu wel aan het feest een godsdienstig karakter

geven; maar toen ik zoo even van den invloed van den kami-dienst op

de ontwikkeling van het dramatisch talent des volks sprak, waren

het toch niet deze dwaze vertooningen, die ik op het oog had. Bij

het feest behoorde ook nog eene groote processie van gemaskerde en

gekostumeerde priesters, die op de verschillende statiën langs den weg

voorstellingen gaven van de treffendste episoden uit het leven van hun

held. Deze tooneelvoorstellingen in de open lucht gingen met muziek,

zang en pantomimische dansen gepaard. De poëzie en de plastische

kunst maakten zich tot dragers en tolken der nationale traditiën, en

de menigte, van alle zijden saâmgevloeid, luisterde opgetogen naar het

verhaal van de schitterende vaderlandsche herinneringen. Soms werd het

feest nog opgeluisterd door eene tentoonstelling van wapentropheeën of

van beelden en groepen, die in gelaat en kleederdracht de typen der

beroemdste en populairste kami's vertoonden, en op wagens of houten

toestellen waren geplaatst; waarop dan ook de gebouwen, tempels,

kapellen of andere plaatsen waren afgebeeld, die op eene of andere

wijze met de geschiedenis van den gevierden held waren verbonden.

Oorspronkelijk werden deze jaarlijksche feesten, matsjoeris geheeten,

maar in enkele steden, de oudsten des rijks, gevierd. Slechts acht

provinciën mochten er zich op beroemen, kami's te bezitten. Maar

sedert de tiende eeuw wilde ieder gewest, ieder district, iedere stad

van eenige beteekenis, een eigen kami, een eigen beschermheilige,

hebben. Eindelijk bedroeg het getal der in Japan vereerde kami's niet

minder dan drieduizend eenhonderd twee en dertig; waarop het noodig

werd geacht eene zekere rangschikking in te voeren, en de oudst

bekenden althans boven deze menigte te verheffen. Aan vierhonderd

twee en negentig hunner werd de titel van groote kami's toegekend;

de overigen moesten zich tevreden stellen met den naam van lagere

kami's. Van toen af werden er overal matsjoeris gevierd; en door

het geheele rijk verspreidde zich de liefde voor de heldenverhalen

en tooneelvoorstellingen ter verheerlijking van het vaderland

en de deugden van het voorgeslacht. In dit opzicht althans is de

volksgodsdienst van Japan niet geheel onvruchtbaar geweest: zij heeft

werkelijk bijgedragen tot de vorming van een volk, dat door warme

vaderlandsliefde is bezield; van een rijk, dat nooit het juk van een

vreemden overheerscher heeft getorst; en van eene regeering, die,

zelfs in onze dagen, en te midden van ingewikkelde betrekkingen met

de machtigste staten der wereld, hare waardigheid en zelfstandigheid

heeft weten te handhaven.

De vreemdeling, die China bezoekt, krijgt telkens den indruk als

wandelde hij door een bouwvallig, stofferig en verwaarloosd gebouw,

aan de hoede van afgeleefde invaliden toebetrouwd. In Japan ziet ge

letterlijk noch bouwvallen, noch stof; met de frischheid dezer altijd

groenende plantenwereld wedijvert het voorkomen van onverstoorbare

jeugd, dat den bewoners dezer schoone eilanden eigen schijnt. Zelfs

de woningen hunner afgestorvenen versieren zij met de beelden van

eene eeuwige lente: in alle jaargetijden schitteren hunne kerkhoven

in den rijksten bloemendos. Hunne graven bewaren eenvoudig den naam

en de herinnering der afgestorvenen, zonder eenig toevoegsel, dat het

denkbeeld aan dood of vernietiging voor den geest roept. Daar iedere

familie hare eigene begraafplaats, en iedere doode zijn eigen lijksteen

heeft, breiden zich deze gedenkteekenen der voorgeslachten heinde

en verre allerwege uit, over heuvel en dal, door parken en gewijde

bosschages, tot aan de poorten der steden en den ingang der dorpen.

Te Nagasaki vooral levert dit een grootsch gezicht op. Deze stad

ligt aan den voet eener bergketen, waarvan de benedenste hellingen

doorgaans vrij steil zijn; deze zijn nu amphitheatersgewijze in

breede terrassen uitgehouwen, en geheel bedekt met de grafteekenen

der voorgeslachten. Twee steden verrijzen hier nevens elkander: in de

vlakte de stad der levenden, met hare lange en breede straten, door

brooze houten huizen omzoomd en gevuld met een bezige, luidruchtige

schare; en boven op den berg, de ernstige doodenstad, met haar

granieten muren en monumenten, hare eeuwenheugende boomen, hare

plechtige stilte. Zoo vaak de inwoners van Nagasaki de oogen opheffen

naar den berg, moeten zij wel onwillekeurig denken aan de tallooze

geslachten die vóór hen op aarde hebben geleefd. Bij den aanblik van

al deze lijkgesteenten, wier dichte rijen zich haast verliezen in den

blauwachtigen nevel aan den wazigen horizon, kunt ge u noode onthouden

van de gedachte, dat de dooden nog te midden hunner graven vertoeven;

dat zij, van deze rustige hoogte, zwijgend en ernstig, nederzien op

het ijdele gewoel aan hunne voeten. Althans het volk gelooft het:

en eenmaal in het jaar worden de dooden uitgenoodigd tot het bijwonen

van een plechtig feest, dat drie achtereenvolgende nachten duurt.

Den eersten avond worden, door middel van gekleurde papieren lantaarns,

de graven verlicht dergenen, die in het dan afgeloopen jaar zijn

gestorven. Op de beide volgende avonden deelen alle graven, oude zoowel

als pas gedolvene, in deze verlichting; en alle familiën uit Nagasaki

begeven zich naar hare begraafplaatsen, waar, ter eere der voorvaderen,

overvloedige drankoffers worden geplengd. De uitbundigste vroolijkheid

doet weldra alle terrassen van luid gejubel en gelach weêrgalmen; en

knetterende vuurpijlen, voortdurend opgelaten, vervullen ook de lucht

met den weerklank der aardsche dartelheid. Een vreemd doodenfeest

voorwaar! maar allerschilderachtigst om aan te zien. De europeesche

residenten laten zich gewoonlijk naar de schepen op de reede roeien,

om van daar het tooverachtig schouwspel te genieten der in een rooden

lichtgloed gehulde heuvelen, wemelende van eene dichte menschenmassa.

Maar, in den derden nacht, ziet men eensklaps, tegen twee uren in

den morgen, lange processiën, schitterende van licht, afdalen naar

den oever der baai; terwijl de bergen langzamerhand duister worden,

en alleen de witte grafsteenen schemeren in den half doorzichtigen

sluier des nachts. De dooden moeten zich inschepen en vóór den dageraad

vertrekken. Men heeft hun duizende kleine bootjes van gevlochten

stroo bereid, ieder met eenig fruit en enkele kleine geldstukken

voorzien. Op deze brooze schuitjes worden al de papieren lantaarns

geladen, die tot verlichting der graven hebben gediend; het kleine

matten zeil wordt uitgespannen; en de ochtendwind verstrooit ze naar

alle zijden op de reede, waar zij weldra vlam vatten. Zoo vergaat de

gansche vloot, overal, voor een korte poos, slingerende sporen van

vuur achterlatende..... De dooden gaan snel! Na weinige oogenblikken

is het laatste vaartuigje gezonken, het laatste vuur gedoofd, en heeft

de laatste geest zijn afscheidsgroet aan de aarde gebracht. Bij het

opgaan der zon, is er niets meer van de dooden overig.

In vroeger tijd, toen de kami-dienst nog de uitsluitend heerschende in

Japan was, werden aanzienlijke personen op eene afzonderlijke plaats,

verwijderd van de algemeene begraafplaats, ter aarde besteld. Met dat

doel werd een ronde heuvel uitgekozen, of wel kunstmatig opgeworpen:

welke heuvel dan, even als een adellijke burcht, den naam ontving van

yasiro, versterkte woning. Hij werd met kolossale, ruw opgetrokken

muren, en gewoonlijk ook met eene breede gracht omringd. Aan den

opgang der brug, die den heuvel met de vlakte verbond, werd een tori

opgericht, ten teeken van de heiligheid der plaats. De lijkkist werd

in een steenen graf, een soort van sarkophaag, neergezet, en boven

dit gedenkteeken een houten gebouw opgetrokken, in vorm aan eene

kami-kapel gelijk.

De begrafenisplechtigheden waren daarbij zeer omslachtig en statig. De

lijkstoet geleek welhaast den triomftocht van een zegevierenden

held. Met den doode werden zijne wapenen, zijn maliënkolder en wat

hij het kostbaarst bezat, begraven. Ook zijne voornaamste dienaren

volgden hem in het graf; en zijn geliefd strijdros werd aan zijn

schim geofferd. Deze barbaarsche gebruiken werden evenwel in de eerste

eeuw onzer jaartelling afgeschaft. Houten poppen vervingen de plaats

der levende menschen, en de paarden werden nog slechts in effigie

geofferd: Eenige fiksche penseelstreken op een wit plankje verbeeldden

den fieren strijdmakker van den held, en dit plankje behoorde tot

de voorwerpen, die mede in het graf werden geborgen. Deze yema's of

paardenstudiën zijn in den regel met zooveel talent geteekend en zoo

geniaal behandeld, dat zij inderdaad tot de artistieke merkwaardigheden

van Japan behooren. Men vindt ze in de steden en op het land, in een

aantal kapellen, bij wijze van votieftafels. Somwijlen behooren zij

ook tot de geschenken, die de Taïkoen aan vreemde regeeringen zendt.

Japan De Aarde en haar Volken, 1867 · 第 9 / 12 题