Kioto.--Nationaal tooneel.--Godsdienstige feesten.--Optochten.--
Begraafplaatsen.--Doodenfeest te Nagasaki.--Grafheuvels.
De laatste maal, dat ik u mijne herinneringen uit Japan mededeelde,
heb ik u rondgevoerd langs de schilderachtige oevers der binnenzee, den
klassieken grond van het groote Nippon, en u van verre reeds een blik
doen werpen op Kioto, de oude hoofdstad der Mikado's. Wilt ge mij nu
derwaarts vergezellen, en van meer nabij het leven en bedrijf gadeslaan
in dit middelpunt der oude japansche maatschappij?--Stellen wij ons dan
voor, dat wij op een schoonen zomeravond, tegen het ondergaan der zon,
de heilige stad naderen. Van alle kanten klinken ons de tonen eener
vroolijke en luidruchtige muziek tegen, alsof we zoo straks ons te
midden eener woelige kermisvreugde zouden bevinden. Op alle omringende
heuvelen, met gewijde bosschages, met tempels en kloosters bedekt,
wordt door de bonzen en monniken de avonddienst gevierd, onder het
slaan op trommen, op tamboerijns, op koperen bekkens, en op metalen
klokken: een bijna oorverdoovend concert.
In de voorsteden worden alom de veelkleurige, papieren lantaarns
opgestoken. Ge ziet er van allerlei vorm en afmeting: de grootsten
hebben de gedaante van reusachtige cylinders, en prijken tusschen de
zuilen aan de voorgevels der tempels; de kleinsten, aan ballons gelijk,
hangen in rijen voor de deuren der herbergen en aan de galerijen der
huizen van vermaak. De heiligdommen en de meer profane etablissementen,
die op deze wijze verlicht worden, zijn zoo talrijk en grenzen zoo
dicht aan elkander, dat de gansche wijk er uitziet alsof er een
venetiaansch nachtfeest gevierd wordt.
In de stad zelf beweegt zich eene dichte schare, mannen en vrouwen,
langs de winkels en magazijnen en over de trottoirs der lange straten,
die van het noorden naar het zuiden loopen, tot in de nabijheid van den
daïri. Onder die golvende menigte telt ge een groot aantal priesters,
van verschillende kerken en sekten. Die van den kami-dienst zijn
kenbaar aan een kleine muts van karton, zwart verlakt, en gedekt
door een soort van kam, van gelijke kleur, met een wit kruis in het
midden. Aan die muts is van achteren een sterk gesteven lint bevestigd,
dat in den nek afhangt. Dit kapsel is overigens eene oude nationale
dracht, die dan ook niet het uitsluitend eigendom der priesters is,
maar, met eenige bij de wet voorgeschreven wijzigingen, evenzeer
wordt aangetroffen bij al de negentien officieel getitelde klassen der
bevolking van Kioto. Een ruim overkleed, een wijde pantalon, en een
groote kromme sabel, die hoogst waarschijnlijk maar tot sieraad strekt,
voltooien het dagelijksche kostuum der dienaars van de kami-tempels.
Alle leden der boeddhistische geestelijkheid, de ordebroeders zoowel
als de wereldlijken, onderscheiden zich door een kaalgeschoren en
geheel onbedekt hoofd; slechts enkele monnikenorden dragen een hoed
met breede randen. Grijze gewaden, in vorm aan de priesterkleeding der
katholieke geestelijken gelijk, zijn onder hen het meest in gebruik;
echter ziet ge ook zwarte, bruine, roode en gele soutanes, soms met
een sjerp, een koorhemd of borstlap bedekt.
Kioto telt ook enkele heilige kluizenaars, die, vreemd genoeg, juist de
hoofdstad hebben uitgekozen, om het gewoel der wereld te ontvlieden. De
dankbare stedelingen, die van de nabijheid dezer vrome mannen allerlei
heil voor hunne stad hopen, voorzien hunne kluizen rijkelijk van al
het noodige. Een dezer verblijven is vooral merkwaardig: het is eene
kluis, boven in een steilen rotswand, door een kleinen vijver van den
openbaren weg gescheiden, uitgehouwen. Men weet niet wie daarin woont,
noch hoe de kluizenaar daar komen kan, maar geregeld dalen, door middel
van een vernuftig uitgedacht toestel, de matten korfjes naar beneden,
waarin de geloovigen hunne gaven nederleggen; waarna ze weder even
vlug naar boven worden geheschen. De bedelarij, als godsdienstig
beroep, wordt hier overigens overal en op ieder uur in het openbaar
gedreven. Bedelmonniken van allerlei soort zijn er immer op uit, uwe
weldadigheid in te roepen: nu eens slaan zij op de straatsteenen met
een grooten stok, waaraan van boven metalen ringen bevestigd zijn;
dan weder klingelen zij met een bel, of slaan met een hamer op een
bekken, dat aan hun gordel hangt; sommigen vertoonen reliquieën,
waarvan zij luide den lof verkondigen; anderen wederom vervolgen
de voorbijgangers met eentonige litanieën. En niet minder wordt ge
gekweld door de krijschende muziek van goochelaars, koorddansers,
tooneelspelers, die op de straat hunne kunsten vertoonen en de aandacht
der wandelaars trachten te boeien.
Uit alle theehuizen weergalmen de vroolijke tonen van guitaren en
tamboerijnen, begeleid en afgewisseld door gezang en gelach. De
schouwburgen en andere plaatsen van uitspanning zijn den ganschen
nacht geopend. Daar kunt ge de jonge edellieden der hoofdstad vinden;
na een dag, doorgebracht aan het hof, of verdeeld tusschen de manege,
de wedrennen, het schieten met den boog, de kaatsbaan en de theehuizen
van den omtrek, komen zij hier den avond en het grootste deel van
den nacht slijten in allerlei uitspanningen en uitspattingen.
Nevens den volksschouwburg, waar burgerlijke komedies en
tooverballetten worden opgevoerd, vindt men te Kioto nog het
hoftheater: zeker een der vreemdste verschijnsels in Japan. Rollen,
kostumen, decoraties, alles is daar conventioneel, even als bij de
klassieke tragedie in Frankrijk onder Lodewijk XIV, met "mevrouw"
Phaedra, Agamemnon in hofkostuum en allonge-pruik, en Achilles met
hooge hakken. Maar, onder dit conventioneele masker der helden en
heldinnen van Corneille en Racine, herkennen wij toch nog altijd
karakters, ons reeds uit de studie der klassieke oudheid bekend,
en die de dichter tot typen van menschelijke hartstochten en
neigingen gestempeld heeft. Doch wie zal ons den oorsprong en de
beteekenis verklaren der personen, die op het keizerlijk tooneel
te Kioto optreden? Wie is, bij voorbeeld, die grijsaard met zijn
zilveren baard en zijn kruk, waarop een groene papegaai zit: een
vogel, die nergens in den japanschen archipel gevonden wordt? En die
andere held, die een vergiftige slang vervolgt: een dier, eveneens in
Japan volkomen onbekend? Vanwaar komen die schilden, die helmen, die
zwaarden, wier vorm evenmin overeenstemt met de wapenen der halfgoden
uit de nationale mythologie, als met die der krijgers uit het oude
rijk der Mikado's? Evenzeer zoudt ge vergeefs naar tegenhangers dezer
figuren zoeken onder de oneindige verscheidenheid der typen van het
chineesche theater. Weet ge waar het kostuum der acteurs van Kioto
mij soms aan denken doet? Aan den wayang der javaansche vorsten:
een even geheimzinnig tooneel, waar heldendrama's, die den ganschen
nacht duren, worden voorgedragen in eene taal, die niemand verstaat,
en in vollen ernst gespeeld met houten poppen. De fantastische tiara's,
waarmede deze poppen prijken, gelijken vrij wel op het onbeschrijfelijk
hoofddeksel der acteurs van den Mikado.
De voornaamste instrumenten van het orchest van den hofschouwburg zijn:
de dwarsfluit, de pansfluit, de tritonshoorn, de cymbalen en de gong,
kak-daï-ko geheeten. De laatste is een groote schijf, met eene gelooide
huid overtrokken, op een voetstuk rustende, en versierd met symbolische
figuren, die waarschijnlijk op de zonnedienst betrekking hebben. Deze
instrumenten hebben, in zekeren zin, een gewijd karakter. De sage
zegt, dat de groote godheid van den dag, geërgerd over de boosheid
en barbaarschheid der menschen, eens weigerde langer de aarde te
verlichten, en zich in de diepten der zee verborg. Eerst door een
concert van fluiten, tritonshoorns, cymbalen en gongs gelukte het
eindelijk haar weder te voorschijn te doen komen; dat wil zeggen:
door de uitvinding der muziek verdween de nacht der barbaarschheid
van de aarde.
De godsdienstige nationale feesten hebben in de eerste plaats de stoffe
geleverd voor de ontwikkeling van het muzikaal en dramatisch talent des
japanschen volks. De kami-dienst is buitengewoon arm aan dogma's: zij
lost zich eigenlijk op in het geloof, dat de goden die Japan geschapen
hebben, ook voortdurend voor deze hunne schepping blijven zorgen; en
dat de helden, die de macht des rijks hebben gegrondvest, nu bij de
goden wonen en daar werkzaam zijn ten bate van hun vaderland. Het is
dus billijk, de kami's te vereeren: maar, om hun welbehagelijk te zijn,
moet men hunne tempels betreden, vrij van alle smet der onreinheid;
waardiglijk de feesten te hunner gedachtenis vieren, en de plaatsen
bezoeken, door hunne geboorte of hunne groote daden gewijd.
De vervulling dezer weinige geboden is niet bijzonder moeielijk. Eenige
vaste regelen, in twee of drie artikelen vervat, stellen ieder
geloovige in staat, om bij zich zelven na te gaan, of hij in den
vereischten toestand van reinheid verkeert, en wijzen hem ook
den weg om, zoo dit noodig mocht zijn, weder in dien toestand te
geraken. Hem zijn geene andere godsdienstplichten opgelegd, dan in
zijn huis zorgvuldig de beide reinigende elementen, het water en het
vuur, te onderhouden; door dagelijksche wasschingen ook uiterlijk
getuigenis af te leggen van de reinheid zijner ziel; en in den tempel
of de huiskapel van den kami niets te offeren, waaraan eenig gebrek
is. Onrein wordt men door ongeoorloofde betrekkingen, door den dood
der naaste bloedverwanten, door het aanraken van een lijk; en ook
door bloed te vergieten, zich met bloed te bezoedelen of het vleesch
van huisdieren te eten.
Om uit dien toestand te geraken, moet men zich aan de formaliteiten
der reiniging onderwerpen, die meer of minder omslachtig zijn, naar
gelang van het meer of minder ernstig karakter der oorzaak van de
onreinheid. De mannen moeten baard en haar laten groeien, en zich
het hoofd bedekken met een gemeenen strooien hoed; de vrouwen met een
witten doek; beiden moeten zich in hunne vertrekken opsluiten of een
pelgrimstocht ondernemen, en zich onthouden van sommige spijzen en
van alle luidruchtige vermaken. De wederopneming van den boeteling in
den kring zijner familie en vrienden wordt met groote feestelijkheid
gevierd; en daarbij tevens met water en zout, en door het aansteken
van een groot vuur op de binnenplaats, het gansche huis gereinigd.
De jaarlijksche feesten ter eere der voornaamste kami's van Japan
gaan met geene andere plechtigheden dan zekere reinigings-ceremoniën
gepaard; en ook deze werden nog eerst tegen het einde der achtste eeuw
ingevoerd. Des avonds voor het feest begeven zich de priesters, in
plechtstatigen optocht, met fakkellicht, naar den tempel, waar in eene
kostbare reliekkast, mikosi genaamd, de wapenen en andere voorwerpen
worden bewaard, die den vergooden held hebben toebehoord. Volgens het
zeggen der priesters is de mikosi de aardsche woning van den kami,
de troon, in zijn vaderland voor hem opgericht. Maar ieder jaar moet
deze woning geheel gereinigd worden. De relieken worden dus uit de
kast genomen, en deze naar de rivier gedragen. Terwijl eenige priesters
haar zorgvuldig wasschen, steken andere groote vuren aan, om de booze
geesten te verdrijven; en de kagoera, het gewijde choor, tracht door
muziek en zang den geest van den kami, die tijdelijk van zijn aardsch
verblijf is beroofd, te verzoenen en tot rust te brengen. Intusschen
haast men zich, om hem zijn huis terug te geven: de relieken, die
tot dusver te midden van den stoet waren ten toon gesteld, worden met
groote plechtigheid weder in de kast geborgen; maar, daar de tempel
zelf evenzeer reiniging behoeft, wordt de mikosi niet dadelijk daarheen
terug gevoerd. Gedurende het feest, dat verscheidene dagen aanhoudt,
wordt zij bewaard in een bepaaldelijk daarvoor opgerichte kapel, die
behoorlijk tegen de aanrandingen van booze geesten is gevrijwaard:
want, waagden zij zich binnen de gewijde, door koorden van rijststroo
afgepaalde ruimte, dan liepen zij gevaar overgoten te worden met het
kokende wijwater, waarmede men van tijd tot tijd de woning van den
kami besproeit; en wee diegenen hunner, die in de lucht rondzweven:
want de priesters, die de eerewacht van den kami vormen, zijn bekwame
ruiters en handige schutters; het volk juicht luide hunne schitterende
evolutiën toe, en volgt met bewonderende blikken de pijlen, die zij in
de lucht afschieten en die allen binnen de gewijde ruimte nedervallen.
Deze ceremoniën moeten nu wel aan het feest een godsdienstig karakter
geven; maar toen ik zoo even van den invloed van den kami-dienst op
de ontwikkeling van het dramatisch talent des volks sprak, waren
het toch niet deze dwaze vertooningen, die ik op het oog had. Bij
het feest behoorde ook nog eene groote processie van gemaskerde en
gekostumeerde priesters, die op de verschillende statiën langs den weg
voorstellingen gaven van de treffendste episoden uit het leven van hun
held. Deze tooneelvoorstellingen in de open lucht gingen met muziek,
zang en pantomimische dansen gepaard. De poëzie en de plastische
kunst maakten zich tot dragers en tolken der nationale traditiën, en
de menigte, van alle zijden saâmgevloeid, luisterde opgetogen naar het
verhaal van de schitterende vaderlandsche herinneringen. Soms werd het
feest nog opgeluisterd door eene tentoonstelling van wapentropheeën of
van beelden en groepen, die in gelaat en kleederdracht de typen der
beroemdste en populairste kami's vertoonden, en op wagens of houten
toestellen waren geplaatst; waarop dan ook de gebouwen, tempels,
kapellen of andere plaatsen waren afgebeeld, die op eene of andere
wijze met de geschiedenis van den gevierden held waren verbonden.
Oorspronkelijk werden deze jaarlijksche feesten, matsjoeris geheeten,
maar in enkele steden, de oudsten des rijks, gevierd. Slechts acht
provinciën mochten er zich op beroemen, kami's te bezitten. Maar
sedert de tiende eeuw wilde ieder gewest, ieder district, iedere stad
van eenige beteekenis, een eigen kami, een eigen beschermheilige,
hebben. Eindelijk bedroeg het getal der in Japan vereerde kami's niet
minder dan drieduizend eenhonderd twee en dertig; waarop het noodig
werd geacht eene zekere rangschikking in te voeren, en de oudst
bekenden althans boven deze menigte te verheffen. Aan vierhonderd
twee en negentig hunner werd de titel van groote kami's toegekend;
de overigen moesten zich tevreden stellen met den naam van lagere
kami's. Van toen af werden er overal matsjoeris gevierd; en door
het geheele rijk verspreidde zich de liefde voor de heldenverhalen
en tooneelvoorstellingen ter verheerlijking van het vaderland
en de deugden van het voorgeslacht. In dit opzicht althans is de
volksgodsdienst van Japan niet geheel onvruchtbaar geweest: zij heeft
werkelijk bijgedragen tot de vorming van een volk, dat door warme
vaderlandsliefde is bezield; van een rijk, dat nooit het juk van een
vreemden overheerscher heeft getorst; en van eene regeering, die,
zelfs in onze dagen, en te midden van ingewikkelde betrekkingen met
de machtigste staten der wereld, hare waardigheid en zelfstandigheid
heeft weten te handhaven.
De vreemdeling, die China bezoekt, krijgt telkens den indruk als
wandelde hij door een bouwvallig, stofferig en verwaarloosd gebouw,
aan de hoede van afgeleefde invaliden toebetrouwd. In Japan ziet ge
letterlijk noch bouwvallen, noch stof; met de frischheid dezer altijd
groenende plantenwereld wedijvert het voorkomen van onverstoorbare
jeugd, dat den bewoners dezer schoone eilanden eigen schijnt. Zelfs
de woningen hunner afgestorvenen versieren zij met de beelden van
eene eeuwige lente: in alle jaargetijden schitteren hunne kerkhoven
in den rijksten bloemendos. Hunne graven bewaren eenvoudig den naam
en de herinnering der afgestorvenen, zonder eenig toevoegsel, dat het
denkbeeld aan dood of vernietiging voor den geest roept. Daar iedere
familie hare eigene begraafplaats, en iedere doode zijn eigen lijksteen
heeft, breiden zich deze gedenkteekenen der voorgeslachten heinde
en verre allerwege uit, over heuvel en dal, door parken en gewijde
bosschages, tot aan de poorten der steden en den ingang der dorpen.
Te Nagasaki vooral levert dit een grootsch gezicht op. Deze stad
ligt aan den voet eener bergketen, waarvan de benedenste hellingen
doorgaans vrij steil zijn; deze zijn nu amphitheatersgewijze in
breede terrassen uitgehouwen, en geheel bedekt met de grafteekenen
der voorgeslachten. Twee steden verrijzen hier nevens elkander: in de
vlakte de stad der levenden, met hare lange en breede straten, door
brooze houten huizen omzoomd en gevuld met een bezige, luidruchtige
schare; en boven op den berg, de ernstige doodenstad, met haar
granieten muren en monumenten, hare eeuwenheugende boomen, hare
plechtige stilte. Zoo vaak de inwoners van Nagasaki de oogen opheffen
naar den berg, moeten zij wel onwillekeurig denken aan de tallooze
geslachten die vóór hen op aarde hebben geleefd. Bij den aanblik van
al deze lijkgesteenten, wier dichte rijen zich haast verliezen in den
blauwachtigen nevel aan den wazigen horizon, kunt ge u noode onthouden
van de gedachte, dat de dooden nog te midden hunner graven vertoeven;
dat zij, van deze rustige hoogte, zwijgend en ernstig, nederzien op
het ijdele gewoel aan hunne voeten. Althans het volk gelooft het:
en eenmaal in het jaar worden de dooden uitgenoodigd tot het bijwonen
van een plechtig feest, dat drie achtereenvolgende nachten duurt.
Den eersten avond worden, door middel van gekleurde papieren lantaarns,
de graven verlicht dergenen, die in het dan afgeloopen jaar zijn
gestorven. Op de beide volgende avonden deelen alle graven, oude zoowel
als pas gedolvene, in deze verlichting; en alle familiën uit Nagasaki
begeven zich naar hare begraafplaatsen, waar, ter eere der voorvaderen,
overvloedige drankoffers worden geplengd. De uitbundigste vroolijkheid
doet weldra alle terrassen van luid gejubel en gelach weêrgalmen; en
knetterende vuurpijlen, voortdurend opgelaten, vervullen ook de lucht
met den weerklank der aardsche dartelheid. Een vreemd doodenfeest
voorwaar! maar allerschilderachtigst om aan te zien. De europeesche
residenten laten zich gewoonlijk naar de schepen op de reede roeien,
om van daar het tooverachtig schouwspel te genieten der in een rooden
lichtgloed gehulde heuvelen, wemelende van eene dichte menschenmassa.
Maar, in den derden nacht, ziet men eensklaps, tegen twee uren in
den morgen, lange processiën, schitterende van licht, afdalen naar
den oever der baai; terwijl de bergen langzamerhand duister worden,
en alleen de witte grafsteenen schemeren in den half doorzichtigen
sluier des nachts. De dooden moeten zich inschepen en vóór den dageraad
vertrekken. Men heeft hun duizende kleine bootjes van gevlochten
stroo bereid, ieder met eenig fruit en enkele kleine geldstukken
voorzien. Op deze brooze schuitjes worden al de papieren lantaarns
geladen, die tot verlichting der graven hebben gediend; het kleine
matten zeil wordt uitgespannen; en de ochtendwind verstrooit ze naar
alle zijden op de reede, waar zij weldra vlam vatten. Zoo vergaat de
gansche vloot, overal, voor een korte poos, slingerende sporen van
vuur achterlatende..... De dooden gaan snel! Na weinige oogenblikken
is het laatste vaartuigje gezonken, het laatste vuur gedoofd, en heeft
de laatste geest zijn afscheidsgroet aan de aarde gebracht. Bij het
opgaan der zon, is er niets meer van de dooden overig.
In vroeger tijd, toen de kami-dienst nog de uitsluitend heerschende in
Japan was, werden aanzienlijke personen op eene afzonderlijke plaats,
verwijderd van de algemeene begraafplaats, ter aarde besteld. Met dat
doel werd een ronde heuvel uitgekozen, of wel kunstmatig opgeworpen:
welke heuvel dan, even als een adellijke burcht, den naam ontving van
yasiro, versterkte woning. Hij werd met kolossale, ruw opgetrokken
muren, en gewoonlijk ook met eene breede gracht omringd. Aan den
opgang der brug, die den heuvel met de vlakte verbond, werd een tori
opgericht, ten teeken van de heiligheid der plaats. De lijkkist werd
in een steenen graf, een soort van sarkophaag, neergezet, en boven
dit gedenkteeken een houten gebouw opgetrokken, in vorm aan eene
kami-kapel gelijk.
De begrafenisplechtigheden waren daarbij zeer omslachtig en statig. De
lijkstoet geleek welhaast den triomftocht van een zegevierenden
held. Met den doode werden zijne wapenen, zijn maliënkolder en wat
hij het kostbaarst bezat, begraven. Ook zijne voornaamste dienaren
volgden hem in het graf; en zijn geliefd strijdros werd aan zijn
schim geofferd. Deze barbaarsche gebruiken werden evenwel in de eerste
eeuw onzer jaartelling afgeschaft. Houten poppen vervingen de plaats
der levende menschen, en de paarden werden nog slechts in effigie
geofferd: Eenige fiksche penseelstreken op een wit plankje verbeeldden
den fieren strijdmakker van den held, en dit plankje behoorde tot
de voorwerpen, die mede in het graf werden geborgen. Deze yema's of
paardenstudiën zijn in den regel met zooveel talent geteekend en zoo
geniaal behandeld, dat zij inderdaad tot de artistieke merkwaardigheden
van Japan behooren. Men vindt ze in de steden en op het land, in een
aantal kapellen, bij wijze van votieftafels. Somwijlen behooren zij
ook tot de geschenken, die de Taïkoen aan vreemde regeeringen zendt.