De dubbele monarchie.--De Mikado en de Taïkoen.--Oorsprong van
de macht der Taïkoens.--De Sjoogoen Mina-moto Yoritomo.--Inval
der Mongolen in Japan.--Taïko-sama.--Etiquette aan het hof van
den Mikado.--Bezoek van den Taïkoen bij den Mikado.
Tijdens mijn verblijf in Japan gebeurde het, dat de Taïkoen een
beleefdheidsbezoek bracht aan den Mikado.
Dit was eene buitengewone gebeurtenis, die niet alleen een diepen
indruk op het volk maakte en de pennen en teekenstiften der inlandsche
schrijvers en kunstenaars in beweging bracht; maar die ook aan de
europeesche gezanten en residenten de gelegenheid verschafte om iets
meer te leeren kennen van de wederzijdsche verhouding der beide
Majesteiten van het japansche rijk. Deze verhouding is inderdaad
allermerkwaardigst; en de regeeringsvorm in Japan op zich zelf zoo
geheel eenig, dat eene nadere studie dezer dubbele monarchie alleszins
onze belangstelling verdient.
Rechtens is er in Japan maar één souverein, de Mikado, die reeds
door zijne geboorte en zijn gewijd karakter boven den wereldlijken
heerscher, eigenlijk zijn stedehouder, verheven is. Kleinzoon der
zon, vervolgt hij de traditioneele lijn der goden en halve goden, der
heroën en erfelijke keizers, die in onafgebroken volgorde over Japan
hebben geregeerd sedert de stichting des rijks, of liever sedert de
schepping der acht groote eilanden. Opperhoofd der godsdienst, welken
naam of welken vorm zij ook onder het volk aanneme, treedt hij in het
bijzonder op als de hoogepriester der oude nationale kami-dienst. Te
midzomer offert hij aan de aarde; te midwinter offert hij aan den
hemel. Een god is bepaaldelijk met de zorg voor zijn persoon belast;
van uit haar tempel op den top van den berg Kamo, waakt deze godheid
nacht en dag over den daïri. Gedurende eene geheele maand in het
jaar verlaten al de goden hunne hemelsche woningen en hunne tempels,
om bezoeken af te leggen bij hun afstammeling en vertegenwoordiger op
aarde. Als de Mikado sterft, wordt zijn naam, tot dus ver verborgen
gehouden, in de tempels zijner voorouders te Kioto, in den tempel
van Hatsjiman, en zelfs te Isyé in den zonnetempel, gegraveerd.
Deze vertegenwoordiger der goden, deze theokratische keizer en
geboren souverein, heeft buiten twijfel rechtstreeks van den hemel de
onbeperkte macht ontvangen, waarmede hij over zijn volk heerscht. Maar
hoe onbegrensd deze macht in theorie ook moge zijn, inderdaad is zij
tot niets herleid, en vermag de Mikado zelfs het geringste niet. Van
tijd tot tijd schenkt hij grootsch klinkende eeretitels aan sommige
leden van den ouden adel, die zich op eene of andere manier jegens
de kerk verdienstelijk hebben gemaakt. Ook bepaalt hij de dagen der
veranderlijke godsdienstige feesten; regelt de kleur der priesterlijke
gewaden en alle godsdienstige ceremoniën; en beslist in het hoogste
beroep alle theologische geschillen. Maar dat is ook alles. Soms
echter veroorlooft hij zich openlijk te protesteeren tegen sommige
handelingen van het wereldlijk gezag, die zijne prerogatieven en
privilegiën schijnen aan te randen: zooals hij nog onlangs heeft
gedaan tegen de tractaten, door den Taïkoen met sommige europeesche
mogendheden gesloten. Het is waar, later heeft hij ze bekrachtigd:
maar dit was gedwongen.
Tegenover deze verhevene Majesteit staat de Taïkoen, vroeger Sjoogoen
geheeten, de wereldlijke gebieder. Hij is eigenlijk niets meer dan
de erfgenaam van gelukkige overweldigers, een parvenu. De stichters
zijner dynastie, hof- en krijgsbeambten van den Mikado, hebben
hunnen heer om zijn leger, zijn vloot, zijn land en zijne inkomsten
gebracht: als ware het hunne taak hem van alle aardsche zorgen en
beslommeringen te ontheffen. Hoe dit is geschied, en wanneer zich
eigenlijk in Japan wettig de dubbele regeering heeft gevestigd, die
wij er thans zien, is nog niet in alle bijzonderheden met zekerheid
uit te maken. Evenwel kunnen wij ons vrij gemakkelijk de toedracht
der zaak, in groote trekken, voorstellen. Naarmate uit het geslacht
der Mikado's de geestkracht van vroeger week, en deze keizers zich
vergenoegden met in hun hof al de weelden en genietingen van hun
hoogen rang te smaken, zonder de daaraan verbonden verplichtingen
te vervullen; naarmate zij zich van hun volk en de werkelijke wereld
terugtrokken, om zich, in het heilig halfdonker van hun paleis, door
hunne hovelingen te laten aanbidden: naar die zelfde mate moest ook de
klem der regeering, het eigenlijke gezag, in andere handen overgaan. En
het was niet meer dan natuurlijk, dat een goed deel van dat gezag, naar
gelang het aan de ontzenuwde handen van den priestervorst ontsnapte,
overging in die van zijn Sjoogoen, zijn generalissimus. De Sjoogoens
hebben tegenover de Mikado's zoo ongeveer dezelfde rol gespeeld als
de hofmeiers tegenover de laatste merovingische koningen: met dit
onderscheid alleen, dat in Frankrijk het schaduwbeeld van een koning
eindelijk ter zijde werd gezet, en hij die de macht had ook den rang
en titel aannam; terwijl in Japan de Mikado, schoon in alles wat het
staatsbestuur betreft volslagen machteloos, voor het uiterlijke in
zijn rang werd gehandhaafd, en nog altijd als de eigenlijke keizer,
de goddelijke souverein, wordt geëerd. Waarschijnlijk dankt hij dit
wel voornamelijk aan zijn geestelijken rang, aan zijn gewijd karakter,
als afstammeling en vertegenwoordiger der goden.
De eigenlijke grondlegger van de macht der Sjoogoens was Mina-moto
Yoritomo, die in de tweede helft der twaalfde eeuw leefde. Yoritomo,
uit een vorstelijk geslacht gesproten, werd aan het hof van Kioto
opgevoed, en had daar ruimschoots gelegenheid op te merken, hoezeer de
macht van den daïri was gedaald en uitgeput. De Mikado, in zijn serail
opgesloten, hield zich met niets anders bezig dan met de intriges en
kabalen van het hof. De hovelingen brachten hun tijd in ledigheid
door, of gaven zich aan allerlei buitensporigheden over. De oude
geslachten, die hetzij door bloedverwantschap, hetzij door huwelijk
of erfelijken rang, met den persoon des keizers verbonden waren,
trachtten op allerlei wijze van hunne positie voordeel te trekken
en elkander in de gunst des meesters te verdringen. De daïmios, die
ver van het hof in de provinciën leefden, ontsloegen zich telkens
meer van hunne verplichtingen jegens de kroon. Sommigen streefden
naar volstrekte oppermacht in het bestuur der keizerlijke leenen;
anderen weder breidden met geweld hunne bezittingen uit, ten koste
hunner naburen. Familie-oorlogen, veeten en gewelddadigheden van
allerlei aard teisterden, jaren en jaren achtereen, de kasteelen
en bezittingen der voornaamste japansche dynasten; wanorde en
regeeringloosheid verwoestten het land. Yoritomo, wiens geslacht zelf
veel in deze burgeroorlogen geleden had, verkreeg van den Mikado het
opperbevel des legers en de meest uitgebreide volmacht, om de orde in
het rijk te herstellen. Destijds had de Mikado, even als de adellijke
grondheeren, geen ander leger dan de landweer, of wat in het feodale
Europa genoemd werd, de landvolge. Zij die tot het dragen der wapenen
verplicht waren, verschenen op het opontbod huns heeren in het veld,
namen aan den krijgstocht deel, en keerden, na afloop daarvan, weder
naar hunne woningen terug. Yoritomo schiep voor 't eerst een staand
leger, verbeterde de krijgstaktiek, onderwierp zijne soldaten aan een
strenge tucht, en trachtte ze zooveel mogelijk los te maken van alle
betrekkingen des burgerlijken levens.
Met behulp van deze nieuwe macht wist Yoritomo ten volle zijn doel
te bereiken. Hij onderwierp de daïmios, die gepoogd hadden zich
onafhankelijk te maken, en dwong hen, den eed van gehoorzaamheid aan
hem, als stedehouder van den Mikado, af te leggen. Enkelen weigerden
hem als zoodanig te erkennen: zij werden met hun gansche geslacht
uitgeroeid en hunne goederen verbeurd verklaard. Aldus met de eene
hand den adel bedwingende, wist hij met de andere de draden te grijpen
van alle intriges, die den daïri in beweging brachten. Hij begon
zijne loopbaan onder den zes-en-zeventigsten Mikado; hij eindigde
ze onder den drie-en-tachtigsten. De keizers, die hem in den weg
traden, moesten wijken en werden gedwongen afstand te doen; een
hunner werd monnik en trok zich in een klooster terug. Eerst onder
den twee-en-tachtigsten Mikado evenwel ontving Yoritomo officieel
den titel van Sjoogoen, welke waardigheid hij metterdaad reeds sedert
twintig jaar bekleedde. Bij zijn dood volgde zijn oudste zoon hem op.
Van toen af waren er in Japan twee hoven: dat van den Mikado te Kioto,
en dat van den Sjoogoen, destijds te Kamakoera. Aanvankelijk echter
was deze nieuwe macht niet erfelijk; zelfs gebeurde het dat de zonen
der Mikado's met de waardigheid van Sjoogoen werden bekleed. In plaats
van zich te verontrusten over hetgeen misschien te Kamakoera voorviel
of werd beraamd, vond het lichtzinnige hof van Kioto daarin veel meer
eene onuitputtelijke stof voor zijne geestigheid en spotternij. Nu
eens maakte men zich vroolijk over de groote airs der echtgenoote
van den Sjoogoen, over den slechten smaak van de toiletten der
dames van hare omgeving, de gemeene manieren der hofkomedianten,
de onbeholpenheid der danseressen; dan weder werd er gespot met de
bonte uniformen der soldaten, of met de platte spraak en manieren
dezer nieuwbakken edellieden, die zich voordeden als de redders van
het rijk en de herstellers van den theokratischen troon.
Maar welhaast kwam eene onvoorziene, ernstige gebeurtenis aan deze
spotternijen een einde maken, en de blikken van het gansche volk op
het hof van Kamakoera vestigen. In de twaalfde maand van het jaar 1268
zette een mongoolsch gezantschap in Japan voet aan wal. Het kwam uit
naam van Koeblaï-Khan, den waardigen afstammeling der tartaarsche
veroveraars, die twaalf jaren later geheel China zou onderwerpen,
Peking tot zijne residentie maken en de stichter worden der dynastie
van Yuen, onder welke het groote kanaal gegraven werd.--Koeblaï-Khan
schreef aan den keizer van Nippon:
"Ik ben het hoofd van een rijk, voorheen zonder macht of
beteekenis. Thans kan niemand de steden en landen tellen, die
mijne heerschappij erkennen. Ik wensch in vriendschap te leven
met de vorsten, wier staten aan de mijnen grenzen. Tot dusver is
nog geen gezantschap van uwentwege tot mij gekomen. Ik vrees, dat
men in uw land niet goed met den waren staat van zaken bekend is:
daarom zend ik u dezen brief, door middel mijner gezanten, die u met
mijne inzichten bekend zullen maken. Ik hoop dat wij elkander zullen
verstaan. De wijze heeft gezegd, dat de geheele wereld slechts één
gezin moest zijn. Maar hoe zal men daartoe geraken, indien de volken
niet vriendschappelijk met elkander verkeeren? Ik voor mij ben vast
besloten, dit beginsel in toepassing te brengen: zelfs al zou ik
daartoe de toevlucht moeten nemen tot de wapenen. Het is nu aan den
vorst van Nippon, om te beslissen wat hem te doen staat."--
Men ziet het, deze Koeblaï-Khan zou niet onaardig figureeren als
president van een congres onzer moderne kosmopolitische vredes- en
humaniteitsapostelen! Wat een idyllisch denkbeeld: alle menschen één
gezin: en het hoofd van dat gezin zal natuurlijk Koeblaï-Khan zelf
wezen! Wie zou het ook anders zijn?
De Mikado scheen wel geneigd aan deze broederlijke vermaningen
van Koeblaï-Khan gehoor te geven, maar de Sjoogoen was gelukkig
verstandiger en verwierp ieder denkbeeld van bondgenootschap met
de mongoolsche horden. Hij belegde te Kamakoera eene vergadering der
daïmios, deelde hun zijne bezwaren mede en wist ze tot zijne zienswijze
over te halen. Het gezantschap werd met een ontwijkend antwoord
weggezonden. Het volgende jaar sloeg het mongoolsche opperhoofd eene
samenkomst van wederzijdsche gezanten voor op het eiland Tsoetsima,
in de straat van Korea: ook dit werd geweigerd. In 1271 kwam er weder
een brief van hem: er volgde geen antwoord. In 1273 eindelijk zond
hij nogmaals twee gezanten naar Kamakoera: de Sjoogoen liet ze het
land uitzetten.
Nu zoo duidelijk de onwil der vorsten van Nippon gebleken was,
om vrijwillig in het groote gezin te treden, was Koeblaï-Khan
wel verplicht de verblinden te dwingen om deel te nemen aan de hun
bereide zaligheid. Welhaast verspreidde zich dan ook de mare, dat twee
mongoolsche veldheeren op weg waren naar Japan, met eene vloot van
driehonderd groote oorlogsjonken, driehonderd kleinere zeilschepen en
driehonderd transportschepen. De Mikado schreef openbare gebeden uit,
en beval processiën naar de voornaamste kami-tempels. Middelerwijl
zorgde de Sjoogoen voor de verdediging des lands, en, dank zij zijne
krachtige maatregelen, werden de Mongolen op alle punten waar zij
eene landing beproefden, terug geslagen. Vergeefs poogde hun Khan
de onderhandelingen te hervatten: twee afgezanten, die hij in 1275
naar den Sjoogoen zond, werden onmiddellijk weggejaagd; een derde,
die het vier jaren later nog eens beproefde, werd onthoofd.
De vreedzame Koeblaï-Khan was woedend, en besloot alle krachten in
te spannen tot een laatsten, beslissenden slag. Volgens de japansche
geschiedverhalen werd er eene vloot uitgerust van vierduizend schepen,
bemand met een leger van tweehonderd veertigduizend man. Deze
ontzaggelijke armada zette koers naar Firando, aan den ingang der
binnenzee, toen een geweldige orkaan haar aangreep en de schepen op
de rotsige kusten verstrooide en verbrijzelde. Wie niet in de golven
omkwam, sneuvelde onder de handen der getergde Japanneezen. Men
verhaalt, dat slechts drie gevangenen werden gespaard, om de tijding
der vreeselijke nederlaag aan den grooten Khan te brengen.
Japan was van de dreigende overheersching der barbaren gered: en
geen wonder voorwaar dat hij, aan wien het in de eerste plaats zijne
redding dankte, in macht en aanzien won. Van nu af was het niet langer
mogelijk, de Sjoogoens te behandelen als eenvoudige ambtenaren der
kroon, en hunne aanspraken op het gezag met minachtende spotternij
te bejegenen. Het hof van Kioto wist nu, dat het te Kamakoera een
mededinger gevonden had, die het welhaast geheel overvleugelen en
eindelijk tot volslagen nietigheid doemen zou. Toch duurde het een
geruimen tijd, eer zich de macht der Sjoogoens voor goed gevestigd
had. Van de veertiende tot de zestiende eeuw was Japan het tooneel
van voortdurende burgeroorlogen en toenemende regeeringloosheid,
waardoor de politieke organisatie van Yoritomo met den ondergang werd
bedreigd. De keizerlijke familie zelve was verdeeld, en paleis-intriges
en kabalen dwongen den wettigen souverein Kioto te verlaten en elders
eene schuilplaats te zoeken. Gedurende ongeveer zestig jaren zetelden
achtervolgens zes onwettige Mikado's op den overweldigden troon;
terwijl de kleinzonen der zon al dien tijd hun hof moesten houden
te Yosino, een onaanzienlijk vlek ten zuiden der hoofdstad, in de
provincie Yamato. Eindelijk maakt een familieverdrag een einde aan
dit schandaal: de wettige Mikado neemt weder bezit van zijn troon
in de heilige stad, en herstelt plechtig de ijdele fictie zijner
theokratische souvereiniteit.
Maar ook om den zetel van den Sjoogoen wordt hevig getwist: woedende
mededingers bestrijden elkander te vuur en te zwaard, zoowel de Kioto
als de Kamakoera, en deinzen voor geene gewelddadigheid, zelfs voor
geen broedermoord, terug. De feodale grondheeren maken ijverig gebruik
van de algemeene verwarring, om zoo mogelijk zich te ontslaan van allen
band der leenroerigheid jegens de kroon en hare stedehouders. Wanorde,
burgerkrijg en regeeringloosheid allerwege; en toen, in het jaar 1573,
de Sjoogoen Noboenaga, in zijn paleis te Kioto, met zijn gansche
geslacht werd vermoord, scheen het rijk der ontbinding nabij.
Onder de bedienden van een der hooge beambten van den daïri bevond zich
destijds ook een zekere stalknecht, een boerenzoon, Faxiba genaamd,
een man van een ernstig en ingetogen karakter, die het bijzonder
vertrouwen van zijn heer had weten te winnen. Onverwacht wordt hij
zelf onder de bedienden van den daïri opgenomen: hij wordt ingelijfd
in het militaire huis van den Mikado; en na verloop van eenige jaren
is de stalknecht Faxiba tot de waardigheid van Sjoogoen opgeklommen,
en voert hij, onder den naam van Fidé-Yosi, het opperbevel over
de keizerlijke legers, die de oproerige vasallen tot onderwerping
moeten brengen. Twee jaren waren voor hem voldoende om den opstand
te bedwingen. Zijn terugkeer te Kioto was een ware triomftocht: de
Mikado schonk hem den hoogsten eeretitel van den daïri en benoemde
hem tot zijn algemeenen stedehouder.
Fidé-Yosi had den onrustigen adel bedwongen: nu wachtte hem nog
een andere taak. Het Boeddhisme had in Japan zijne tallooze godheden
ingevoerd, die allen hare eigene tempels, heiligdommen en monnikenorden
hadden. De bonzen, de monniken, de geestelijke zusters overdekten het
land, vooral in het zuiden en in de middenprovinciën van Nippon. De
verschillende kloosters wedijverden met elkander, om zich op allerlei
wijze een talrijke schaar van volgelingen te verschaffen. Deze
concurrentie werd eindelijk zoo sterk, dat daarbij alle booze
hartstochten in het spel kwamen, en men zelfs van scheldwoorden en
beleedigingen tot handtastelijkheden overging. De keizerlijke policie
trachtte aanvankelijk deze twisten te stillen; maar weldra bleek zij
niet bij machte om den wassenden stroom der kerkelijke driften te
stuiten. Geheele troepen van woedende geestdrijvers, in monnikspij en
priesterkleed, met stokken, knuppels en pieken gewapend, plunderden
en vernielden de bezittingen der hun vijandige orden: vermoordden
of verdreven de kloosterlingen, en staken de kloosters zelven in
brand. Maar, vroeger of later, ondergingen deze aanvallers, op hunne
beurt overrompeld, hetzelfde lot. In eene eeuw werd de bonzerij
van Djensjôsi zes maal door de monniken uit het klooster aan den
Yeïsan verbrand; en werd dit laatste door de monniken van Djensjôsi
tweemaal in de asch gelegd. Soortgelijke tooneelen herhaalden zich op
verschillende plaatsen in Nippon, tot zelfs te Kioto; en de Sjoogoen
Noboenaga had vergeefs getracht de orde te herstellen.
Fidé-Yosi besloot aan dezen toestand voor goed een einde te
maken. Hij liet de onrustigste bonzerijen door zijne soldaten
bezetten, hunne vestingwerken slechten, en bande de belhamels onder
de kloosterlingen uit het land. Tegelijk onderwierp hij geheel de
japansche geestelijkheid, zonder uitzondering, aan het toezicht eener
strenge, ijverige en onverbiddelijke policie, en verbood haar zich met
eenige andere zaken, dan die tot hare kerkelijke roeping behoorden,
te bemoeien.
Maar ten jare 1586, kort nadat Fidé-Yosi de onlusten onder de monniken
van Japan had gestild, kwamen hem vreemde tijdingen ter oore, die
hem al zijne aandacht op het eiland Kioe-Sioe deden vestigen.
Destijds was de handel van Japan met de aziatische havens aan geenerlei
beperking onderworpen. De vorst van Bungo, die veertig jaren vroeger de
portugeesche avonturiers had ontvangen, door den storm op zijne kusten
geworpen, had zich gehaast, hun de noodige middelen te verschaffen om
naar Goa terug te keeren, en hen uitgenoodigd ieder jaar een schip
met koopwaren naar zijne havens te zenden. Aldus werden tusschen
Portugal en Japan geregelde en ongehinderde betrekkingen aangeknoopt.
Eens, dat het portugeesche schip op het punt stond naar Goa terug
te keeren, kwam een japansch edelman, Hansiro genaamd, die een
manslag begaan had, de gastvrijheid en bescherming der vreemdelingen
inroepen. Zij werd hem verleend: de vluchteling kwam te Goa en
ontmoette daar den beroemden zendeling Franciscus Xaverius, die
zich zijner aantrok, hem onderwees en weldra door den doop in de
kerk opnam. In 1549 vestigde zich eene missie der Jezuïeten, onder
leiding van Sint Franciscus zelven en met medewerking van Hansiro,
op het eiland Kioe-Sioe.
Een vreemde gewaarwording, van verwondering en afgrijzen tevens, moest
zich wel van deze zendelingen meester maken, toen zij in Japan zoo
menige instelling, ceremonie en godsdienstige inrichting terug vonden,
bijna geheel gelijk aan die van hun eigen vaderland. Was het wonder
dat zij, onbekend met den oorsprong en de oudheid van het Boeddhisme,
in deze toch bloot uiterlijke overeenkomst, een bedriegelijk spel des
satans meenden te zien? Maar spoedig ontdekten zij ook, dat van deze
overeenkomst partij viel te trekken, om de nieuwe leer aangenamer te
maken in de ooren en voor de harten der bekeerlingen: en wellicht niet
zonder grond werd den Jezuïeten verweten, dat zij, van dit denkbeeld
uitgaande, tot zonderlinge transacties de hand leenden en zich wat
al te plooibaar betoonden. Hoe dit zij: deze eerste zending werd met
verwonderlijk goeden uitslag bekroond; en er is zelfs alle grond om
aan te nemen, dat de apostolische ijver en zeldzame overredingskracht
van Sint Franciscus Xaverius, onder alle klassen der japansche
maatschappij, menige oprechte bekeering tot het Christendom bewerkten.
Weldra begon dan ook de hooge boeddhistische geestelijkheid zich over
deze zaak te verontrusten en bij den daïri te beklagen.
"Hoeveel sekten denkt gij wel, dat er in mijn rijk bestaan? vroeg de
Mikado aan de klagers.
--Vijf-en-dertig, antwoordden zij.
--Welnu, dan zal dat de zes-en-dertigste zijn," hernam de vroolijke
keizer.
Maar Fidé-Yosi, de geduchte Sjoogoen, dacht er anders over. Hem
was bericht, dat de vreemde priesters, die vooral ook de gunst der
groote vasallen zochten te winnen, zich de dienaren noemden van een
opperpriester, die naar welgevallen kon beschikken over alle rijken
der aarde en de machtigste vorsten van hunne tronen stooten. Hij
bedacht verder, dat de zendelingen van dien machtigen heerscher
van het Westen reeds aan het hof van den Mikado een aanhang hadden
gevormd en een huis in de hoofdstad gesticht; dat de vorige Sjoogoen
Noboenaga zich openlijk hun vriend en beschermer had betoond; en dat
hij reden had om te gelooven, dat in zijn eigen paleis eene geheime
samenzweering werd gesmeed, om zijn zoon en erfgenaam voor het nieuwe
geloof te winnen. Fidé-Yosi deelde zijn vrees en zijne vermoedens mede
aan een ervaren dienaar, dien hij reeds meermalen met de moeielijkste
zendingen had belast. Deze man, in de japansche historie onder den
naam van Hiéyas of Yiéyas berucht, liet niets onbeproefd, om achter
de waarheid te komen. Een gezantschap van japansche Christenen,
onder geleide van pater Valignani, superieur van de Jezuïetenorde,
was juist op weg naar Rome. Hiéyas leverde nu aan zijn meester het
bewijs, dat de vorsten van Bungo, Omoera en Arima bij deze gelegenheid
aan den geestelijken keizer der Christenen, Paus Gregorius XIII,
brieven geschreven hadden, waarin zij verklaarden hem te huldigen
als hun opperheer en te erkennen als den eenigen vertegenwoordiger
van God op de aarde.
De Sjoogoen bedwong zijn toorn, maar slechts om te zekerder en
vreeselijker te kunnen treffen. Een jaar lang bereidde hij met zijn
gunsteling alles voor tot den beslissenden slag. Eindelijk, in Juni
1587, is hij gereed: zijne troepen zijn behoorlijk verdeeld over
de verdachte provinciën van Kioe-Sioe en de zuidkust van Nippon, in
staat om iedere poging tot verzet te onderdrukken. Onmiddellijk wordt
nu, van het eene einde des rijks tot het andere, een edict van den
Sjoogoen afgekondigd, waarbij deze, uit naam en als stedehouder van
den Mikado, de afschaffing van het Christendom, binnen zes maanden,
beveelt. Tegelijk worden de vreemde missionarissen gebannen, met
bedreiging van den dood op hun wederkeer, en last gegeven tot het
onmiddellijk sluiten hunner scholen, het afbreken der kerken, en
het wegnemen der kruisen. De inboorlingen, die tot het nieuwe geloof
zijn toegetreden, moeten dit in tegenwoordigheid van een keizerlijk
beambte afzweren.
Al deze bevelen werden stipt uitgevoerd, behalve een enkel, dat,
naar de meening van den Sjoogoen, juist het minste bezwaar moest
ontmoeten. Tot zijne onuitsprekelijke verbazing vernam deze gewezen
stalknecht dat de inlandsche Christenen van allen rang en stand, van
elke kunne en iederen leeftijd, stand vastig weigerden hun geloof af
te zweren. Hij begon met de vermogenden onder hen van hunne goederen
te berooven en die aan zijne dienaren weg te schenken. Anderen werden
in de gevangenis geworpen of naar afgelegen eilanden verbannen: het
hielp niet. Nu brak de vervolging los, waarbij al de vindingrijkheid
en uitgezochtste wreedheid werd uitgeput om de martelingen te
vermenigvuldigen. Zij hield drie jaren aan en kostte aan meer dan
vijfentwintigduizend slachtoffers, mannen en vrouwen, jongelingen
en maagden, grijsaards en kinderen, het leven. Toen verflauwde zij
eensklaps. Fidé-Yosi riep den ban en den achterban van den feodalen
adel te wapen, en deed met een leger van honderd zestigduizend
man een inval in Korea, waarmede Japan in vollen vrede leefde
(1592). De japansche veldoversten dwongen de inwoners van Korea om
zich met hen te verbinden, ten einde de chineesche dynastie van Ming
te beoorlogen. Het chineesche leger trok den vijand tegen, maar leed
eene zoo beslissende nederlaag, dat de keizer van China zich haastte
den Sjoogoen den vrede aan te bieden, tegelijk met den titel van
koning van Nippon en eersten leenman des Hemelschen rijks.--"Ik ben
reeds koning van Nippon," antwoordde Fidé-Yosi trotsch, "ik ben het
door mij zelven; en als ik het wil, zal ik den keizer van China tot
mijn leenman maken."--In 1597 zette hij aan zijne bedreiging kracht
bij, door het zenden van een tweede leger van honderd dertig duizend
man. Maar de dood verraste hem eer deze nieuwe veldtocht ten einde
was; en de beide rijken, evenzeer een door niets gerechtvaardigden
en doelloozen oorlog moede, haastten zich vrede te maken.
Fidé-Yosi ontving van zijne hovelingen den bijnaam van den Groote
(Taïko-sama); en onder dezen naam is hij in de historie bekend. Zijn
gansche streven was gericht op een dubbel doel: de vernedering van den
feodalen adel en de grondvesting eener monarchale regeering in zijne
dynastie. Zelfs de vervolging der Christenen en de oogenschijnlijk
dolzinnige oorlogen met China moesten aan de bereiking van dit doel
dienstbaar zijn. De machtige leenmannen waren reeds verzwakt en
uitgeput door onderlinge veeten en oorlogen: hij wilde hun ondergang
voltooien, door hen ook in kostbare, buitenlandsche krijgstochten
mede te sleepen of als verraders van hun vorst te straffen.
Hij deed meer. Onder voorwendsel, de vrouwen en kinderen der onder
de wapenen geroepen daïmios te beschermen, dwong hij de familiën en
voornaamste dienaren dezer heeren haar intrek te nemen in de woningen,
die hij nabij zijne eigene burchten en in zijne hoofdstad voor haar
had ingericht. Toen de vorsten uit China terugkwamen, gaf hij hunne
landen niet terug, dan op voorwaarde dat zij daar alleen, zonder
hunne familie, zouden wonen: maar tegelijk bepaalde hij een tijd,
gedurende welken zij ieder jaar aan zijn hof moesten vertoeven,
in den schoot hunner bloedverwanten, die aldaar als gijzelaars bleven.
Om de provinciën voor goed onder het bereik van het centraal gezag
te brengen, liet Taïko-sama, tijdens de afwezigheid der edelen, door
hunne bezittingen, tot aan de uiterste grenzen des rijks, een groote
heirbaan aanleggen, die uitsluitend onder toezicht der beambten van
den Sjoogoen werd gesteld, en waarop niemand anders iets te zeggen
had. Deze heirbaan, van afstand tot afstand met post- en militaire
wachthuizen voorzien, heet de Tokaïdo.
Door al deze en dergelijke maatregelen was de macht der Sjoogoens zoo
zeer gestegen, dat werkelijk de heerschappij, in vollen omvang, in
hunne handen was overgegaan. En de Mikado's zagen het aan en lieten
het geschieden. Hun werd vergund om zich, bij hunne dagelijksche
wandelingen, door de tuinen van het slot te laten rondvoeren in een
kar op twee wielen, met een os bespannen: een gewichtig voorrecht
inderdaad, in een land waar niemand van een rijtuig gebruik maakt. Maar
toch hadden de Mikado's daarvoor geen afstand moeten doen van de
ridderlijke oefeningen van het boogschieten, en de kloeke jacht
op herten en wilde zwijnen, op reigers en wolven; veel minder nog
van alle persoonlijke bemoeiing met de zaken huns lands. Ook mocht
men hun wel de vermoeienis en verveling besparen dier plechtige
vertooningen, waarbij zij, onbewegelijk op eene estrade gezeten, de
zwijgende aanbidding van het ter aarde gebogen hof ontvingen: maar het
was daarom niet noodig hen volstrekt ongenaakbaar en onzichtbaar te
maken. Tegenwoordig heeft de Mikado geenerlei gemeenschap meer met de
buitenwereld, dan alleen door tusschenkomst der vrouwen, met de zorg
voor zijn persoon belast. Zij zijn het, die hem kleeden en voeden;
die hem iederen dag een nieuw gewaad aantrekken, en hem iederen dag
spijs en drank voorzetten in nieuwe, ongebruikte schotels, borden,
bekers, zoo even uit de fabriek gekomen. Want nooit draagt hij tweemaal
hetzelfde kleed, noch eet of drinkt tweemaal van denzelfden schotel
of uit denzelfden beker. Zelfs het keukengereedschap, ter bereiding
van zijn maaltijd, mag slechts eenmaal worden gebruikt. En wat hij
heeft aangeraakt, is heilig, en mag voor niemand meer dienen: zijne
kleederen, zijn huisraad, de overblijfselen van zijne maaltijden,
worden dagelijks verbrand of weggeworpen. Nooit raken de voeten van
dezen geheiligden persoon den grond aan; nooit beschijnt hem de zon;
nooit zien ongewijde oogen in zijn gelaat; nooit mag de Mikado in
aanraking komen met de elementen, met de zon, de maan, de menschen
of ook met zichzelven. Welk een lot!
Aan deze verborgen Majesteit zou nu de Taïkoen een bezoek gaan
brengen. De samenkomst moest natuurlijk te Kioto plaats grijpen: want
het is den Mikado niet vergund die stad te verlaten. Hij bezit er
alleen zijn paleis en eenige oude tempels van zijn geslacht: de stad
zelve staat onder de heerschappij van den wereldlijken keizer; maar
deze laat de inkomsten der gewijde metropolis aan den geestelijken
souverein over, en onderhoudt er een garnizoen ter bescherming van
den pontificalen troon.
Nadat van weerszijden alle voorbereidende maatregelen en schikkingen
getroffen waren, maakte eene proclamatie den dag bekend, waarop de
Taïkoen zijne hoofdstad zou verlaten: het groote en volkrijke Jedo,
eene geheel moderne stad, het middelpunt der regeering, de zetel der
marine- en militaire school, der school voor de tolken en der akademie
voor de medicijnen en de wijsbegeerte.
Een talrijk legercorps, geheel op europeesche wijze gekleed en
gewapend, werd vooruit gezonden; en terwijl deze keurbende, uit
infanterie, kavallerie en artillerie bestaande, zich over land, langs
den grooten keizerlijken weg, den Tokaïdo, naar Kioto begaf, ontving
de oorlogsvloot bevel naar de binnenzee onder zeil te gaan. Hij zelf,
de wereldlijke gebieder, scheepte zich in aan boord van het prachtige
stoomschip de Lyeemoon, dat hij voor vijfhonderd duizend dollars
gekocht had. Zes andere stoomschepen begeleidden hem: het waren de
Kan-di-marrah, beroemd door zijn tocht van Jedo naar San-Francisco, ter
overbrenging van het japansch gezantschap naar de Vereenigde-Staten;
de korvet de Soembing, een geschenk van den koning der Nederlanden;
het jacht de Emperor, een geschenk van koningin Victoria, en voorts
fregatten in Holland of in Amerika gebouwd. Uitsluitend met japansche
zeelieden bemand, zeilde dit eskader de baai van Jedo uit, voorbij
kaap Sagami en het voorgebergte Idsoe, door de straat van Linschoten,
langs de oostelijke kusten van het eiland Awadsi, en wierp eindelijk
het anker op de reede van Hiogo, waar de Taïkoen zich onder herhaalde
salvo's van het geschut aan wal liet zetten.
Eenige dagen later hield hij zijn plechtigen intocht in Kioto,
zonder andere militaire vertooning dan van zijn eigen leger: om de
eenvoudige reden, dat de Mikado noch troepen noch kanonnen tot zijne
beschikking heeft, maar slechts eene eerewacht van boogschutters,
allen van keizerlijken bloede, of althans tot den ouden feodalen adel
behoorende. Ondanks dat, valt het hem moeielijk de kosten zijner
hofhouding te bestrijden; aangezien de inkomsten uit de residentie
daartoe te kort schieten, is hij verplicht eenerzijds een jaargeld aan
te nemen, dat de Taïkoen de vriendelijkheid heeft hem toe te leggen;
en anderdeels te leven van de opbrengst eener collecte, die sommige
orden van bedelmonniken jaarlijks voor hem gaan doen, van stad tot
stad en van dorp tot dorp, tot in de verwijderdste provinciën des
rijks. En zelfs met deze hulpmiddelen zou hij nog zijn rang niet
kunnen ophouden, zonder de nobele zelfverloochening van een aantal
zijner hooge hofbeambten. Er zijn er velen onder hen, die hem kosteloos
dienen, zonder eenige andere belooning dan het vrije gebruik der rijke,
voorgeschreven kostumen uit de keizerlijke garderobe. Wanneer zij
hun hofgewaad hebben afgelegd en in hunne woningen zijn weergekeerd,
schamen deze hooggeboren edelen zich niet, om voor een weefgetouw
of borduurraam plaats te nemen, en aldus met handenarbeid hun brood
te winnen. Meer dan een dier schitterende zijden gewaden van Kioto,
waarvan de bewerking zoo algemeen geroemd wordt, is vervaardigd in het
huis van vorstelijke geslachten, wier namen in den kalender der kami's
geschreven staan. Ziedaar wel inderdaad de echte, oude adel, de echte,
oude trouw en toewijding aan den geboren vorst. Zou ook de Taïkoen,
onder zijne hovelingen van nieuweren stam, zulke mannen vinden?
Maar de beperktheid van zijne middelen mocht den Mikado niet beletten,
den dag der samenkomst in te wijden met de groote processie van
den daïri: dit schouwspel wilde hij zijn vorstelijken bezoeker niet
onthouden. Van zijne boogschutters, zijn militair huis, zijn hof en
geheel zijn priesterlijk gevolg vergezeld, verliet hij zijn paleis
door de zuidelijke poort, die tegen het einde der negende eeuw werd
versierd met de historische tafreelen van den beroemden schilder en
dichter Kosé Kanaoka. Hij toog de singels langs tot aan de voorsteden
aan de oevers der Idogawa, en keerde toen naar het kasteel terug,
na eerst al de hoofdstraten der stad te zijn doorgetrokken.
Aan het hoofd van den schitterenden stoet werden, in volle staatsie,
de oude insigniën der keizerlijke oppermacht gedragen: de spiegel
van Izanami, de stammoeder der Mikado's, de liefelijke godin, die op
het eiland Awadsi aan de zon het leven schonk; de beroemde vaandels,
wier lange papieren wimpels de legerbenden van den veroveraar Zin-moe
ten zegepraal hadden geleid; het vlammende zwaard van Yorimassa,
den held van Yamato, die den achtkoppigen draak doodde, aan welken
jaarlijks jonkvrouwen van vorstelijk bloed moesten worden geofferd;
verder het zegel, waarmede de oudste rijkswetten werden bekrachtigd;
de cederhouten waaier, die tot schepter dient, en sedert meer dan
tweeduizend jaren uit de handen van den stervenden Mikado in die van
zijn opvolger overgaat.
Op deze eerste groep volgde eene andere, niet minder schitterend bijna,
maar die ik niet in alle bijzonderheden beschrijven kan. Het waren
de banieren met de geborduurde wapenschilden van alle oud-adellijke
geslachten des rijks. Misschien wel was deze vertooning bestemd om
den machtigen Taïkoen te herinneren, dat hij, in de oogen van den
ouden territorialen adel, niet meer was dan een parvenu: maar deze
parvenu kon zich troosten met de gedachte, dat alle japansche baronnen,
de groote en de kleine daïmios, verplicht zijn zes maanden van het
jaar aan zijn hof te Jedo door te brengen, en hem hulde te bewijzen
te midden der edellieden van zijne eigene schepping.
Voor tweehonderd jaren, bij eene dergelijke gelegenheid, wilde een
zijner voorgangers de beleefdheid van den Mikado, op zijne manier,
met gelijke beleefdheid beantwoorden. Hij beval dat het plebs van
Kioto op de groote binnenplaats van het kasteel zou worden verzameld,
en liet toen onder hen eene groote som gelds uitdeelen. Deze handeling
was zeker, vooral tegenover den armen Mikado, die bijna van aalmoezen
moet leven, eenigszins vulgair en inderdaad een rijken parvenu waardig:
maar in Japan, als elders, geldt de ook zeer vulgaire regel: wie
betaalt beveelt.
De talrijkste en schilderachtigste groep der processie vormden de
vertegenwoordigers van al de verschillende sekten, die de geestelijke
opperheerschappij van den Mikado erkennen. De dignitarissen van
den ouden kami-dienst waren, wat hun kostuum betreft, nauwelijks
van de groot-officieren van het paleis te onderscheiden. Ik zeide
het reeds: ook dit is een bewijs, dat de nationale godsdienst
van Japan aanvankelijk geene eigenlijke priesterschap kende. Het
Boeddhisme integendeel, uit China ingevoerd en snel door het geheele
rijk verspreid, kent eene oneindige verscheidenheid van sekten,
afdeelingen, orden en broederschappen. De bonzen en monniken van
deze godsdienst vormden, in den keizerlijken stoet, onafzienbare
rijen: al deftige personages, met half of heel kaal geschoren kruin,
nu eens blootshoofds, dan weer gedekt met zonderlinge baretten, met
mijters, met mutsen of breedgerande hoeden. Sommigen hielden een staf
in de rechterhand; anderen een rozekrans; nog anderen een waaier, een
zeeschelp, een papieren wijwaterskwast. Hunne kleeding vertoonde een
mengeling van soutanen, koorkleeden, mantels en kappen van allerlei
vorm en allerlei kleur.
Achter hen volgde het militaire huis van den Mikado. De leden der
pontificale lijfwacht schijnen, bij de keuze van hun kostuum, in de
eerste plaats op sierlijkheid te hebben gelet. Helmen en harnassen
laten zij over aan de soldaten van den Taïkoen: zij bedekken zich
het hoofd met een klein verlakt mutsje, aan de slapen versierd met
zijden strikken, in den vorm van geopende waaiers; een nauwsluitend
zijden wambuis, op alle naden met kanten belegsels getooid, omvat
hunne welgevormde taille. Hunne voeten verdwijnen onder de plooien
van hun wijden pantalon. Een groote kromme sabel, een boog en een
koker met pijlen gevuld, ziedaar hunne wapenen. Sommigen hunner,
op rijk getuigde paarden gezeten, voeren eene lange roede, die
door middel van zijden koorden met kwasten wordt vastgehouden.--Dit
schitterend uiterlijk verbergt echter al te vaak eene zeer ergerlijke
gemeenheid. De toomelooze losbandigheid en zedeloosheid der jonge
edellieden van het hof van Kioto heeft meermalen aanleiding gegeven
tot tooneelen, die aan zekere episoden der romeinsche geschiedenis
doen denken. De Hollander Koenraad Kramer, afgezant der Oost-Indische
Compagnie aan het hof van Kioto, woonde in 1626 een feest bij, ter
eere van het bezoek van den wereldlijken keizer aan zijn geestelijken
soeverein. Hij verhaalt, dat den volgenden morgen in de straten der
hoofdstad een aantal lijken werden gevonden van vrouwen, jonge meisjes
en kinderen, die als slachtoffers der nachtelijke buitensporigheden
waren gevallen. Een nog grooter aantal van gehuwde vrouwen en jonge
meisjes, die met hare echtgenooten en bloedverwanten uit de omringende
steden naar Kioto waren gekomen, om het schouwspel te zien, verdwenen
in het gewoel der straten, en werden eerst verscheidene dagen later
weder terug gevonden, zonder dat zij zelven of hare familiën deswege
eenige vergoeding of recht konden verkrijgen. Ook nu nog is Kioto,
ondanks den titel van heilige stad, eene der meest verdorven plaatsen
in Japan.
Daar de Mikado de eenige is, wien het bij de wet is vergund
verscheidene vrouwen te bezitten, is het vrij natuurlijk dat hij,
bij voorkomende gelegenheden, zich al het genot van dit privilegie wil
gunnen. Hij boet er genoeg voor, en betaalt dat dubbelzinnig voorrecht
wel duur! Het serail is inderdaad de met bloemen bedekte afgrond,
dien de overweldigers van het keizerlijk gezag voor de voeten der
opvolgers van Zin-moe hebben gedolven; en wel mocht een boosaardige
glimlach om de lippen van den Taïkoen spelen, toen hij de koetsen van
den daïri, in lange rij, naderen zag. Ieder dezer logge rijtuigen,
van kostbare houtsoorten vervaardigd en met verschillende kleuren
verlakt, was bespannen met twee zwarte buffels, door pages in witte
lijfrokken geleid. In deze koetsen zaten, achter de met jaloezieën
gesloten portieren, de Kisaki en de twaalf andere wettige vrouwen van
den Mikado: het was hem toch welstaanshalve niet mogelijk geweest,
haar het voorrecht te ontzeggen zich van een soortgelijk rijtuig als
hij zelf te bedienen. Zijne meest geliefde bijzitten en de vijftig
eeredames der keizerin volgden mede in den stoet, maar gedragen in
norimons of overdekte palankijnen.
De Mikado zelf verlaat nooit zijn kasteel, dan gedragen in zijn
pontificalen norimon. Deze palankijn, aan lange handboomen bevestigd,
en door vijftig mannen in witte liverei gedragen, steekt hoog boven
de menigte uit, en valt reeds van verre in het oog. Hij heeft den vorm
eener mikôsi of heilige reliekkast, waarin de overblijfselen der kami's
worden bewaard. Wilt gij u voorstellen hoe deze keizerlijke draagstoel
er uitziet, denk u dan een tuinhuisje, met een koepelvormig dak, dat
van onderen breed uitloopt en met klokjes is behangen. Op den koepel
rust een bal, en op den bal prijkt een vogel, eenigszins gelijkende
op een haan, met uitgespreide vleugels en opgezetten staart: dat is
het beeld van dien in China en in Japan hoog vereerden mythologischen
vogel Fôo, het zinnebeeld der hoogste macht en zaligheid.
Deze van goud en verguldsel schitterende draagstoel is van alle zijden
zoo hermetisch gesloten, dat ge moeite hebt te gelooven, dat zich
werkelijk daar binnen iemand bevindt. Wat overigens wel bewijst, dat
hij inderdaad zijne hooge bestemming vervult en den heiligen persoon
van den theokratischen Keizer herbergt, is, dat ter wederzijde nevens
elk portier de vrouwen gaan, aan wie de verzorging van den Mikado is
toevertrouwd, en die alleen het recht hebben hem te naderen en zijn
aangezicht te zien. Niet alleen voor zijn volk, maar ook voor zijn hof,
is de Mikado slechts eene gedachte, een ideaal wezen, een soort van
onzichtbaar, zwijgende, ongenaakbare godheid. Zelfs in zijne ontmoeting
met den Taïkoen verloochende hij dit karakter geen oogenblik.
Onder de gebouwen van den keizerlijken burcht, die meer bepaaldelijk
aan Kioto den stempel eener residentie (miako) geven, is er ook een dat
men den tempel der pontificale audiëntiën zou kunnen noemen: want het
is in denzelfden stijl opgetrokken als een kami-tempel en draagt ook,
even als deze, den naam van Mia. Het beslaat den achtergrond eener
groote, met zerken geplaveide en met boomen beplante binnenplaats, en
staat in dadelijke gemeenschap met de door den Mikado zelven bewoonde
appartementen. Bij plechtige gelegenheden scharen zich de eerewachten
en dienaren op deze binnenplaats, allen volgens rang en orde.
Ook nu wordt deze ruimte achtervolgens ingenomen door een
detachement der ordonnans-officieren en lijfwachten van den Taïkoen;
en door verschillende dignitarissen uit het gevolg van den Mikado,
begeleid door eenige boogschutters van den daïri.--De vrouwen hebben
zich in hare vertrekken teruggetrokken. De deputaties der bonzen
en der monniken-orden scharen zich in de open zalen, rondom de
binnenplaats. Soldaten van het garnizoen van Kioto, van afstand
tot afstand geplaatst, houden het middenpad open, dat naar de
breede trappen der audiëntie-zaal leidt. Langs dat pad schrijden,
met afgemeten tred, de hovelingen van den Mikado statig voort,
gekleed in ruime mantels met lange slepen; zij bestijgen deftig de
trappen en plaatsen zich rechts en links onder de veranda, met het
gelaat gewend naar de nog gesloten deuren der troonzaal. Eer zij
op hunne plaats nederhurken, nemen zij de slepen hunner mantels op
en werpen die over de balustrade der veranda, zoodat de op den zoom
van hun gewaad geborduurde wapenschilden der menigte beneden in het
oog vallen. Welhaast is de geheele galerij met deze schitterende
decoratie getooid.
Daar weergalmt, aan den linkervleugel van het gebouw, het vrij
onharmonisch geluid der fluiten, tritonshorens en gongs der pontificale
kapel: dit is het teeken dat de Mikado zijn tempel heeft betreden. De
diepste stilte heerscht onder de op het binnenhof geschaarde
menigte; de edelen zitten roerloos op de estrade, nog steeds ziende
naar de gesloten deuren. Een geheel uur gaat aldus in eerbiedige
afwachting voorbij, eer alle toebereidselen voor de receptie zijn
afgeloopen. Eensklaps kondigt eene krijgshaftige fanfare de komst van
den Taïkoen aan. Hij nadert langs het middenpad, te voet en zonder
eenig geleide; zijn eerste minister, de bevelhebbers van het leger en
de vloot en eenige leden uit de hooge regeeringscollegiën van Jedo,
volgen hem, op behoorlijken afstand. Hij staat eenige oogenblikken
eerbiedig aan den voet van den trap stil, en aanstonds worden
de deuren des tempels langzaam, ter rechter- en ter linkerzijde,
weggeschoven. Hij bestijgt eindelijk de treden, en nu vertoont zich
het schouwspel, dat de aandacht der menigte zoo lang in gespannen
verwachting hield.
Een groote, groen geschilderde jaloezie van bamboes hangt van het
plafond der zaal naar beneden, tot op ongeveer twee à drie voeten
boven den grond. Door deze nauwe opening bespeurt men een rustbed
van fijne matten en tapijten, half overdekt door de wijde plooien
van een ruimen witten mantel. Dit is alles, wat de ongewijde oogen
kunnen aanschouwen van den Mikado op zijn troon!
De gevlochten jaloezie vergunt hem echter alles te zien, zonder zelf
door iemand gezien te worden. Zoo ver zijne blikken reiken, bespeurt
hij niets dan eerbiedig neergebogen hoofden, in zwijgende aanbidding
zijner onzichtbare majesteit. Een enkel hoofd nog slechts verheft zich
boven den trap en de ter aarde gebogen schare; maar dat hoofd is gedekt
met de hooge gouden muts, het koninklijk teeken van den wereldlijken
gebieder des rijks. En toch: zoodra hij de estrade betreden heeft,
buigt ook hij, de machtige monarch, wiens heerschappij schier geene
grenzen kent, zich langzaam neder; hij valt op zijne knieën, strekt
de armen uit naar den drempel der troonzaal, en neigt zijn hoofd
ter aarde.
Daarmede is de plechtigheid afgeloopen; het doel der samenkomst is
bereikt: de Taïkoen heeft zich, voor aller oog, aan de voeten van
den Mikado nedergebogen. Eene loutere, politieke plichtpleging, zegt
ge; eene ijdele en onwaardige vertooning, waarvan niemand dupe is,
zelfs hij niet, die de eerbewijzing ontvangt!--Het is mogelijk: maar
toch schijnt tot dusverre de traditioneele eerbied voor den gewijden
persoon van den Mikado te diep in het gemoed des volks geworteld, om te
kunnen gelooven, dat bij dergelijk gelegenheid al dit eerbiedsbetoon
slechts komediespel is. Ik weet wel, de macht van den Mikado is tot
niets herleid: en waar de macht ontbreekt, valt het moeielijk aan de
oprechtheid der hulde te gelooven, vooral van de zijde van hen, in wier
handen de macht is overgegaan. En inderdaad, het zou mogelijk zijn dat
ook in Japan, even als elders is geschied, de letter eener verouderde
legale fictie werd gehandhaafd en geëerbiedigd, terwijl langzamerhand
de oorspronkelijke beteekenis ter zijde was gesteld. Dan blijft
de vorm wel, maar de geest wijkt; langen tijd nog, zeer lang soms,
wordt dan die ledige vorm met bijgeloovigen ijver in stand gehouden;
tot eindelijk, als het bestemd oogenblik is gekomen, een ademtocht,
een niets, dit ijdel schaduwbeeld verstuiven doet.
De gebeurtenis zelve, die ik beschreven heb, is een merkwaardig
teeken van de omwenteling in de denkwijze der meestal zeer
verlichte en verstandige mannen, aan wie de regeering van Japan is
toevertrouwd. Naar men zegt, hadden reeds sedert meer dan twee eeuwen
de opvolgende Taïkoens verzuimd, aan den theokratischen souverein van
Nippon de hulde te bewijzen, hem door hunne voorgangers gebracht. De
tegenwoordige ontmoeting stelde nu bovenal twee feiten in het licht,
waarvan het eene als van een ondergeschikt belang werd geacht,
terwijl het andere juist aan de omstandigheden eene zeer groote
beteekenis ontleende.
Aan de eene zijde had de wereldlijke souverein getoond, dat hij
steeds, bij traditie, de gehoorzame zoon wilde blijven van den
opperpriester der nationale godsdienst; maar van den anderen kant had
de theokratische keizer formeel den vertegenwoordiger erkend van een
gezag, dat niet van den kleinzoon der zon was ontleend. Schijnbaar
hadden de beide machthebbers slechts eenige beleefdheden gewisseld:
inderdaad had de wereldlijke souverein niets van zijn gezag afgestaan,
en had daarentegen de Mikado iedere aanspraak op de regeering
opgegeven. Ja meer: had hij niet, in den persoon van den Taïkoen,
diezelfde moderne beschaving erkend en gehuldigd, waartegen hij
zoo menigmalen zijn banvloek had geslingerd? Zou voor den Mikado
het oogenblik der verdwijning gekomen of althans nabij zijn? Het is
moeielijk te zeggen: in deze oostersche wereld blijven de gestorven
lichamen, als mummiën, nog zeer lang een uiterlijken schijn van leven
bewaren; en ik zou niet durven beweren, dat de Mikado werkelijk reeds
een lijk is. Maar dit is wel zeker: hij vertegenwoordigt het verleden,
een verleden, dat blijkbaar zijne roeping heeft vervuld en zich zelf
overleefd; een verleden, dat van alle zijden wordt verdrongen en
overstroomd door den onweerstaanbaar voorwaarts dringenden vloed van
nieuwe ideeën, behoeften, toestanden. De Taïkoen heeft het talent
gehad, zich aan het hoofd dezer beweging te plaatsen: hem behoort
de toekomst. Hoe lang dan ook wellicht de krisis moge duren, waarin
Japan op dit oogenblik gewikkeld is, haar einde is vrij gemakkelijk te
voorzien: het zal de vestiging zijn eener zuivere monarchale macht,
van een half militair despotisme waarschijnlijk, ontslagen van allen
priesterlijken en kerkelijken invloed.