VII.

Historische overleveringen.--Oudste volksplantingen.--Geschiedenis

van Zin-moe.--De eerste vorsten van Japan.--Voortgang der

beschaving.--Uitvindingen.--De klassieke grond van Japan.

De geschiedenis van Japan begint, als die van zoo menig ander land,

met eene verovering. Volgens de officiëele kronieken des rijks was

de veroveraar een inlandsch vorst, beheerscher van een klein gebied

in het zuiden van Kioe-Sioe. Volgens andere overleveringen echter

was zijn geslacht, indien al niet hijzelf, afkomstig van den kleinen

archipel der Lioe-Kioe-eilanden, waardoor Japan met zuidelijk China

en Formosa samenhangt. Reeds zes eeuwen vroeger zou, naar de sage

meldt, van uit Formosa of het vasteland van Azië, eene volkplanting,

onder aanvoering van zekeren vorst Taï-pé of Taï-fak, de kust van

Kioe-Sioe hebben bereikt.--Wat hiervan zij: eerst omstreeks het jaar

660 v. Chr. begint de eigenlijke historische periode van Japan, met

de verschijning van den veroveraar Sanno, meer bekend onder den naam

van Zin-moe, of eigenlijk Zin-moe-ten-woe, de goddelijke krijgsman.

Zin-moe, hoewel de jongste van vier broeders, werd van wege zijne

voortreffelijke hoedanigheden, reeds op zijn vijftiende jaar, door

zijn vader als erfgenaam van den troon aangewezen. Hij beklom dien

eerst op zijn vijf-en-veertigste jaar, zonder daarbij tegenstand van

de zijde zijner broeders te ontmoeten. Een oude dienaar, die op zijne

menigvuldige zwerftogten ook de verre eilanden had bezocht waarachter

de zon opgaat, wist den vorst allerlei wonderen te verhalen van de

schoonheid dier gezegende oorden, waar zich eenmaal de goden zelven een

verblijf hadden gekozen. En deze heerlijke eilanden waren nu slechts

bewoond door barbaarsche stammen, voortdurend met elkander in oorlog

gewikkeld. Wel waren deze woeste krijgers geoefend in het gebruik van

lans, boog en zwaard: maar, daar zij slechts met beestenvellen of ruwe

mantels waren gedekt, zouden zij geen weerstand kunnen bieden aan wel

geoefende en met helm en harnas bekleede benden. Indien alzoo de vorst

van de gelegenheid, door hunne onderlinge twisten geboden, gebruik

wilde maken, wachtte hem gewis eene zekere overwinning.--Zin-moe

gaf aan de verlokkende taal van zijn ouden dienaar gehoor: hij

verzamelde al zijne strijdkrachten, stelde ze onder de bevelen van

zijne broeders en zijne zonen, en zelf het opperbevel op zich nemende,

scheepte hij zich met zijn leger in op eene vloot van wel uitgeruste

oorlogsjonken. Zoo verliet hij het voorouderlijk paleis, dat noch hij,

noch zijne broeders ooit zouden wederzien.

Na de zuidoostelijke landpunt van Kioe-Sioe te zijn omgevaren, zeilde

hij langs de oostelijke kust van dit eiland, altijd dicht aan den oever

houdende, op de wijze der oude Noormannen; ook even als zij, nu en

dan aan land gaande, slag leverende aan degenen die hem weerstonden,

en vriendschapsverbonden sluitende met de onafhankelijke heeren of

stamhoofden, die zich aan hem wilden aansluiten en deel nemen in

zijn krijgstocht. Blijkbaar was deze geheele streek reeds vroeger

het tooneel van soortgelijke invallen geweest: de bevolking toch

splitste zich in twee regeerende kasten, eene soort van militaire

aristocratie, en in hofhoorigen of lijfeigenen. De heeren des lands

woonden in versterkte huizen, door muren en paalwerken omringd; zij

waren gewapend met boog en pijlen, met een grooten sabel en een zwaard,

dat, zonder scheede, in hun gordel was gestoken.--Na een moeielijken

tocht van tien maanden: rijk aan schitterende wapenfeiten en gelukkige

onderhandelingen, bereikte Zin-moe het noordoostelijk uiteinde van

het eiland Kioe-Sioe. Aanvankelijk zag hij geen kans verder te komen,

toen hij eensklaps een visscher ontdekte, die, rustig op den rug van

een grooten schildpad gezeten, de wateren kliefde. Dadelijk liet hij

dien man aanroepen, en nam hem bij zich in dienst als loods. Toen kon

Zin-moe de straat oversteken, die Kioe-Sioe van Nippon scheidt. De

kust van dit laatste eiland strekt zich, als een groote halve cirkel,

van het westen naar het oosten uit, en vormt de noordelijke grens

eener ruime binnenzee, die ten zuiden door de beide eilanden Kioe-Sioe

en Sikokf wordt ingesloten. Deze binnenzee is met kleine archipels

bezaaid; terwijl de kust van Nippon rijk is aan baaien en inhammen,

die uitstekende havens vormen.

Met de grootste bedachtzaamheid trok Zin-moe langzaam oostwaarts voort,

zorgdragende dat hij geen enkel gewichtig punt achter zich in de macht

zijner vijanden liet. Intusschen boden de inlandsche stammen hem,

zoowel ter zee als te land, een zoo heftigen tegenstand, dat hij het

voorzichtig oordeelde vooreerst niet verder te gaan. Zoo sloeg hij

zich dan op het schiereiland Takasima neder, bouwde daar een sterkte,

en besteedde er drie jaren aan de uitrusting eener nieuwe vloot. Toen

hervatte hij den tocht, maakte zich meester van de geheele kust en al

de eilanden der binnenzee, en drong vervolgens in het binnenland van

Nippon door. Na eene reeks van roemrijke gevechten, onderwierp hij

zich de geheele rijke en vruchtbare landstreek, die zich van Osaka

tot de golf van Jedo uitstrekt. Van toen af was Zin-moe meester van

geheel het bebouwde land en van al de beschaafde stammen van het oude

Japan: het overige gedeelte van Nippon was, even als de noordelijke

eilanden, nog met ondoordringbare wouden bedekt, waar nomadenstammen

rondzwierven, die van de jacht en vischvangst leefden. Deze verstrooide

stammen zijn langzamerhand door de opvolgende invallen en emigratiën

der mannen van het zuiden, meer en meer naar het noorden verdrongen

geworden. Nog heden vindt men langs de kusten en op de noordelijke

eilanden van den grooten Oceaan, een bijzonder menschenras: kort en

zwaar van gestalte, ruig en harig van lichaam, met groote hoofden en

platte aangezichten. De Japanneezen noemen hen de Aïno's, de eerste

menschen. Soms zelfs hervindt men dezelfde type onder de lagere

klassen in Japan zelf, onder de boeren, de visschers, de schippers en

lastdragers. Er is wel eenige grond om aan te nemen, dat deze Aïno's

de oorspronkelijke bewoners van Japan zijn geweest: wat daarvoor ook

schijnt te pleiten is, dat de naam van aïno volstrekt niet als eene

beleediging wordt beschouwd of eene minderheid aanduidt. De japansche

taal heeft ook een uitdrukking voor wat wij door barbaren verstaan,

maar zij gebruikt daarvoor het woord yébis, nooit aïno's.

Het schijnt dus dat ten tijde der verovering door Zin-moe deze

oorspronkelijke bewoners reeds door de aanvoerders van vroegere

kolonisten waren onderworpen of verjaagd. Nu moesten de eerste

overwinnaars op hunne beurt zich onderwerpen aan de nieuwe heerschers,

wier meerdere beschaving hun het overwicht verzekerde.--Toen Zin-moe,

de goddelijke krijgsman, aldus het doel van zijn streven bereikt had,

waren er zeven jaar verloopen sedert zijn vertrek van Kioe-Sioe: zeven

jaren van moeite en strijd, van zorg en lijden en worsteling. Zijne

drie broeders waren omgekomen: de oudste sneuvelde bij het beleg eener

sterkte, de beide anderen vielen als slachtoffers hunner edelmoedige

zelfverloochening: zij stortten zich vrijwillig in de golven, om aldus

den storm te bezweren, die de vloot van den veroveraar dreigde te

vernielen. Daarentegen begunstigde de zonnegodheid den krijgsheld in

al zijne ondernemingen. Zij was het, die hem voor verdwalen behoedde

in de gevaarlijke bergpassen van Yamato. Een raaf, hem door de godheid

in het beslissende oogenblik toegezonden, diende Zin-moe tot leidsman

en gids.--De landstreek Yamato ligt in het zuid-oosten van Nippon,

en vormt het middelpunt van een groot schiereiland, door de wateren

van den oceaan en van de binnenzee bespoeld. Daar bouwde Zin-moe een

uitgestrekt en sterk kasteel, op een breeden heuvel, welks top hij had

laten effenen. Dit kasteel noemde hij zijn miako, de hoofdplaats van

zijn rijk, en daar vestigde hij zijn hof, zijn daïri.--Deze beide

namen zijn van toen af onafscheidelijk verbonden geweest aan de

verschillende residentiën der oude heerschers van Japan. Zij zelven

droegen den eeretitel van Mikado's, de eerwaardigen; bovendien voert

ieder hunner, na zijn dood, in de jaarboeken des rijks nog andere

schitterende namen en bijnamen, waaronder hij tot de nakomelingschap

overgaat. De japansche geschiedschrijvers gebruiken dikwerf het woord

miako, in plaats van den naam der stad waar de keizer resideerde; en

het woord daïri, in plaats van den titel van Mikado, en zeggen b. v.:

dit of dat is geschied op bevel van den daïri. Trouwens, dit gebruik

vindt men terug in de taal van alle hoven.

Even als Zin-moe door de vrije keuze zijns vaders tot den troon

geroepen was, zoo bepaalde hij dat voortaan ook de regeerende Mikado

zijn opvolger zou aanwijzen onder zijne zonen, of, bij ontstentenis

van dezen, onder de prinsen van den bloede. Zin-moe eindigde zijne

roemrijke loopbaan in het jaar 587 vóór Christus, naar men zegt,

het zes-en-zeventigste zijner regeering. Hij is opgenomen onder de

kami's. Zijne kapel, in Japan onder den naam van Simojasiro bekend,

ligt op den berg Kamo, dicht bij Kioto, en nog heden ten dage wordt

Zin-moe daar aangebeden als de grondlegger en eerste heerscher des

rijks. Meer dan vijf-en-twintig eeuwen zijn er verloopen, sinds de

goddelijke krijgsman het moede hoofd nederlegde en zijne schitterende

loopbaan besloot: maar tot op dezen dag is de kroon erfelijk bewaard

gebleven in zijn geslacht, zonder dat de nieuwe politieke macht,

die in de latere tijden feitelijk de heerschappij over Japan heeft

uitgeoefend, ooit de hand naar die gewijde kroon heeft uitgestrekt.

Doch eeuwen lang waren de Mikado's niet slechts heerschers in naam,

maar ook metterdaad: meest krachtige en kloeke mannen, die bewezen voor

hunne taak berekend te zijn, en de grenzen van hun gebied voortdurend

uitbreidden. En zelfs hunne vrouwen, wanneer zij als regentessen

het bewind voerden, toonden zich, waar het pas gaf, hare degelijke

echtgenooten volkomen waardig. Eene van haar, Zingoe genaamd, die

omstreeks twee eeuwen na Christus leefde, rustte een vloot uit, waarop

zij zich, aan het hoofd harer keurbenden, zelve inscheepte om Korea

te veroveren. Zij kwam nog juist tijdig genoeg van haren zegetocht

terug om aan een nieuwen, toekomstigen Mikado het leven te schenken.

Met de uitbreiding van het rijk hielden de vorderingen der beschaving

gelijken tred. Uit Korea werden het paard, de ezel en het kameel

ingevoerd: echter is alleen het eerste dezer drie dieren in Japan

inheemsch geworden. China leverde de theeplant; de oranjeboom werd

door Tatsima Nori "uit het land der eeuwigheid" medegebracht. In

het negentiende jaar der regeering van Keizer Sioe-sin (78 vóór

Chr.) werden de eerste koopvaardij- en oorlogsschepen in Japan gebouwd;

en onder de regeering van zijn zoon Synin "regende het sterren van

den hemel". Ook werden omstreeks dien zelfden tijd voor het eerst

vijvers en kanalen aangelegd ter besproeiing van de rijstvelden.

Eerst veel later schijnen de zijdewormen bekend te zijn geworden:

althans de kunst om zijde te vervaardigen klimt in Japan niet

veel verder dan de vijfde eeuw onzer jaartelling op. Twee

eeuwen later leerde men de grondstof kennen, "die de olie en

het brandhout vervangt", en werden de zilvermijnen van Tsousima

bewerkt. Onderscheidene belangrijke uitvindingen en instellingen

dagteekenen van de derde eeuw: bij voorbeeld, de invoering der

paardenposterij; de bereiding van den rijstdrank, onder den naam

van saki bekend; en de kunst om kleederen te naaien, die aan de

japansche vrouwen werd geleerd door naaisters uit het koninkrijk

Petsi in Korea. De Mikado, over deze laatste nieuwigheid verrukt, en

tot de eigenlijke bron dezer schoone kunst willende opklimmen, zond

een plechtig gezantschap naar den beheerscher van het Hemelsche Rijk,

om van hem onderwijzeressen in de kunst der naald te verzoeken. Dit

herinnert aan den idyllischen tijd, toen de keizers en koningen van het

Oosten elkander gezantschappen zonden of in persoon elkander bezochten,

om te zamen te beraadslagen over de middelen om den steen der wijzen

of het levenselixir te vinden; of ook wel, om astronomische vragen

te behandelen en ingewikkelde raadsels op te lossen!

In de vierde eeuw werden, op last van den daïri, op verschillende

punten van het rijk groote voorraadschuren gebouwd, waar de

overvloedige opbrengst van den rijstoogst werd bewaard, om in minder

gelukkige jaren te dienen, en alzoo de herhaling te voorkomen der

geweldige hongersnooden, die vroeger meermalen het land hadden

geteisterd. In het jaar 543 zond het hof van Petsi wederom een

belangrijk geschenk aan den Mikado, en wel "het rad dat het zuiden

aanwijst".--In 660 werden de wateruurwerken, en tien jaren later de

door water gedreven molens en werktuigen ingevoerd.

Eerst tegen het einde der achtste eeuw word het eigenlijke japansche

schrift uitgevonden; maar aan het hof bediende men zich reeds sedert de

derde eeuw van de chineesche letterteekens. Wij weten veel te weinig

van de oude nationale literatuur van Japan, om eenigszins te kunnen

bepalen in hoeverre en op welke wijze zij tot de beschaving des volks

heeft medegewerkt.--Daarentegen is in de geschiedboeken des rijks eene

merkwaardige getuigenis bewaard van den heilzamen invloed, dien de

schoonste kunsten, reeds bij haar eerste optreden, ter verzachting der

zeden uitoefenden. Het was namelijk de gewoonte, om bij de begrafenis

van den Mikado of van de Kisaki, zijne echtgenoote, menschenoffers

te brengen, waartoe doorgaans de vertrouwdste dienaren der overleden

vorsten werden uitgekozen. Nu gebeurde het in het derde jaar vóór

Chr. dat de regeerende Kisaki kwam te sterven: en toen Nomino Soekoené,

een beeldhouwer, dit vernam, vervaardigde hij leemen poppen en legde

die aan de voeten van den Mikado, met de bede, dezen in het graf der

keizerin te doen werpen, in de plaats der voor het offer bestemde

dienaars. De Mikado verhoorde de bede van den edelen beeldhouwer, en

schonk hem zelfs een schitterend en blijvend bewijs van zijne gunst,

daar hij zijn familienaam in dien van Fasi, kunstenaar, veranderde.

Langen tijd, ja tot nu toe, zijn echter de wetten veel onbarmhartiger

en barbaarscher gebleven dan de zeden. Zoo werd, bij voorbeeld,

eene adellijke dame, die zich aan overspel had schuldig gemaakt,

tot den kruisdood verwezen.

Reeds vroeg heeft de japansche regeering er zich op toegelegd, om

bij het volk het bewustzijn van zijne eenheid en kracht levendig te

houden. In de tweede eeuw onzer jaartelling werd het rijk in acht

groote provinciën of kreitsen, en deze weder in acht-en-zestig

districten verdeeld. Later werd in ieder district een ambtenaar

aangesteld, belast met de taak om de plaatselijke gewoonten en

volksoverleveringen te bestudeeren en daarvan nauwkeurig aanteekening

te houden. Toen werden ook de familienamen vastgesteld, zoo als ook

de titels en bijnamen der feodale dynasten. Eene keizerlijke heirbaan

verbond de vijf groote steden waarin de Mikado achtervolgens zijn zetel

had gevestigd. De voornaamste dezer steden, in de zevende eeuw, was

Osaka, aan de oostkust der binnenzee. Om echter wezenlijk de eenheid

des lands tot stand te brengen, niet alleen uit een staatkundig

oogpunt maar ook ten aanzien van beschaving en ontwikkeling, moest

het hof ophouden een nomadenleven te leiden, en moest er eene vaste

hoofdstad worden gekozen. De grond daartoe werd gelegd in de achtste

eeuw, door de stichting van Kioto, dat gaandeweg eerst de geliefkoosde

verblijfplaats, en later, sedert de twaalfde eeuw, de vaste residentie

van den Mikado werd.

Deze herinneringen aan de oude geschiedenis van Japan voeren ons bijna

immer terug naar de bekoorlijke oevers der binnenzee, naar dien in

waarheid klassieken grond van het groote rijk. En daar wij nu eenmaal,

op de manier der oude reizigers, ongedwongen voortkeuvelen en aan onze

gedachten den vrijen loop laten, al is het ook dat ze soms wat al te

vrij omdwalen:--zoo willen wij nu eenige oogenblikken wijden aan de

beschouwing dier prachtige waterkom en van haar schilderachtige oevers.

De schepen die van Nagasaki of de kust van China naar de golf van Jedo

gaan, varen doorgaans de Van-Diemensstraat, ten zuiden van het eiland

Kioe-Sioe, door. Er is echter nog een andere weg, thans weinig bekend,

maar die eenmaal zeker verre de meest bezochte worden zal, wanneer

de havens van Hiogo en Osaka voor den europeeschen handel zullen zijn

opengesteld: die andere weg is de vaart door de binnenzee. Ik heb dien

gevolgd, toen ik van Nagasaki naar Jokohama ging. De reis duurde,

't is waar, zeven dagen: maar men moet daarbij in aanmerking nemen,

dat wij vier nachten voor anker hebben gelegen: de eerste nacht,

eer wij de straat Van-der-Capellen bereikten, bij een klein eiland

in de zee van Korea; en de drie anderen, nadat wij de straat waren

doorgevaren, in havens langs de kust van Nippon. Er bestaan van

deze wateren nog geene voldoende kaarten, althans geene waarop men

genoeg vertrouwen kan, om ook des nachts met de stoomboot de reis

te vervolgen: men moet zich overgeven aan de leiding der inlandsche

loodsen en stil liggen waar zij dit verkiezen.

De zoogenoemde binnenzee van Japan is minder eene eigenlijke zee, door

de omliggende eilanden ingesloten, dan wel een breed en ruim kanaal,

dat de zee van Korea verbindt met den grooten Oceaan: ten westen door

de straat Van-der-Capellen tusschen Nippon en Kioe-Sioe, en ten zuiden

en oosten door de straten van Bungo, van Naruto en van Linschoten. De

straat van Bungo is tusschen Kioe-Sioe en Sikokf; de straat van Naruto

tusschen Sikokf en Awadsi, en die van Linschoten tusschen Awadsi en

Nippon.--Men rekent dat de binnenzee, waar zij het breedst is, van

oever tot oever ongeveer vijftig mijlen beslaat; hare grootste lengte,

van het oosten naar het westen, wordt op twee honderd vijftig mijlen

of vier honderd kilometers geschat.--Zij verdeelt zich in vijf kommen

of bassins, die, hetzij door de baaien en landtongen van Kioe-Sioe,

Nippon en Sikokf, hetzij door de vele verspreide eilandengroepen,

welke de kust omgeven, worden gevormd. Deze kommen, door de Japanneezen

Nada's genoemd, dragen den naam naar de provinciën aan haren oever: zij

heeten Soewo-nada, Iyo-nada, Bingo-nada, Arima-nada en Idsoemi-nada.

Zoowel door de vorming en gedaante der kusten, als door hare talrijke

eilandengroepen, behoort de binnenzee met hare omgeving zeker tot de

meest schilderachtige gedeelten van Japan.

Boschrijke heuvelen, met tempels en kloosters gekroond, omzoomen de

straat Van-der-Capellen. Aan hun voet, op de kust van Nippon, ligt eene

stad, die zich langs den oever der zee anderhalve mijl ver uitstrekt:

het is Simonoseki, een zeer oude handelplaats: die tot op de stichting

van Jokohama het hoofd-entrepot was, niet alleen voor den binnen-

maar ook voor den buitenlandschen handel van Japan;--want, hoewel

dit rijk tot 1845 voor de vreemdelingen gesloten was, werden toch,

binnen zekere grenzen, met China, met Korea en ook met de hollandsche

factorij op Decima, geregelde betrekkingen onderhouden.--Simonoseki

heeft eene zeer goede haven, door het kleine eiland Hikousima tegen

de hooge golven der zee van Korea beschut.--Iets verder ziet ge, op

de tegenoverliggende kust, de kleine stad Kokoera; en spoedig daarop

verliest ge de oevers uit het oog; ge zijt in het breedste gedeelte

der binnenzee. Dit is het bassin van Soewo, de Soewo-nada, onder

welken naam meermalen ook de geheele binnenzee wordt aangeduid. Zij

heeft geene eilanden; maar, bij gebreke daarvan, wemelt het hier,

in alle richtingen, van logge koopmansjonken, van vlugge vaartuigen

met uitgespreide witte zeilen, en van ranke visschersbooten.

De vier andere kommen zijn rijk aan eilanden, groote en kleine,

naakte en boschrijke, onbewoonde en dicht bevolkte, die te zamen

als een gordel slaan om de kusten van Sikokf en Nippon, waarvan

slechts de toppen der bergen zichtbaar zijn. De naakte en onbewoonde

eilanden vertoonen meestal slechts zwarte of donkerbruine rotsmassa's

van vulkanischen oorsprong en oneindig verschillend in vorm en

gedaante. Sommigen echter bestaan uit zandheuvels, wier golvende lijnen

aan de duinen langs de kust van Holland herinneren.--De onbewoonde,

maar met vruchtbare aarde bedekte eilanden worden door de bewoners

der omliggende dorpen bebouwd. Op de grootsten ziet ge rijstvelden

en korenakkers: een bekoorlijk landschap, met heuvels en valleien,

en met den rijksten plantengroei getooid.

Doch te midden van al dezen rijkdom van den bodem, leeft de

landbouwende bevolking van Japan in een staat, die zeer dicht aan

armoede en gebrek grenst: de opbrengst van haren arbeid behoort niet

aan haar, maar aan de bezitters van den grond, aan de daïmio's of

feodale landheeren. De afwezigheid van eene eigenlijke burgerklasse

geeft aan de japansche dorpen een zeer armoedig voorkomen. Aan de

oevers der binnenzee zoekt ge vergeefs naar vriendelijke bloeiende

vlekken en vroolijke schilderachtige villa's; de tempels alleen

wisselen de eentonigheid der boerenwoningen af; maar van verre zijn

deze tempels alleen herkenbaar door hunne reusachtige daken en het

prachtige hooge geboomte, dat ze immer omgeeft.

De adellijke kasteelen liggen doorgaans ver van de steden en de

dorpen verwijderd; zij maken dikwijls eene indrukwekkende vertooning,

en beslaan eene zeer aanzienlijke oppervlakte. Deze geheele ruimte

wordt ingesloten door hooge en zware muren; aan de hoeken, of ook

wel op geregelde afstanden, van vierkante torens, met licht omgebogen

daken, voorzien. Rondom de muren loopt eene diepe gracht. Binnen de

wallen vindt ge het park, de tuinen en de eigenlijke woning van den

heer, bestaande uit een hoofdgebouw met een aantal nevengebouwen en

aanhoorigheden. Soms verrijst, te midden van dit feodaal verblijf,

nog een andere toren, in vorm aan de overigen gelijk, maar waarvan

de twee of drie bovenverdiepingen boven den muur uitsteken: ongeveer

als de donjons onzer middeleeuwsche burgten.

Het is moeielijk, een algemeen denkbeeld te geven van het karakter

der landschappen langs de binnenzee; de tooneelen wisselen tot in het

oneindige, naar mate van de meer of mindere nabijheid der kusten,

en van het voorkomen der eilanden, die den horizon begrenzen. Nu

eens bewondert ge een prachtig zeegezicht: de grootsche lijnen der

zee smelten samen met die der zandige oevers, schemerende in den

stralenden zonnegloed; terwijl op den achtergrond der breede schilderij

de verre bergen hunne blauwende, nevelachtige toppen in de lucht

verheffen.--Dan weder rust uw oog met welgevallen op een liefelijk,

vreedzaam, helder landschap: een dorpje aan den oever eener stille

baai, omzoomd door groene velden en rijk bebouwde heuvelen, waarboven

de dennenbosschen hunne donkere kruinen wiegen: een tooneeltje, als

ge, op een helderen zomermorgen, aan een der schoone meren van den

Jura hebt gezien.--Soms ook, wanneer de kommen zich vernauwden, en de

eilanden voor ons uit den doortocht schenen te versperren, kwam mij

de herinnering te binnen aan de Rijnoevers boven Boppard. Maar neen:

het japansche landschap is kalmer, helderder, rustiger: hier ontbreken

die steile rotshellingen, die groote schaduwen, die breede stoute

lijnen, die plotselinge overgangen, die aan gindsche oevers een zoo

onbeschrijfelijk karakter bijzetten. Hier ziet ge, aan den oever, een

vlak strand, eene zachte glooiing, geleidelijk opklimmende terrassen;

verder in het verschiet, zacht afgeronde eilanden, golvende heuvelen,

ronde bergtoppen. Dit is wel schoon; zoowel de verbeelding als het

oog vindt hier bevrediging: maar toch, ge mist die eigenaardige,

half weemoedige bekoring, dat--hoe zal ik het noemen?--dat tragische,

dat, voor ons althans, bijna onmisbaar is om het schoone der natuur

volkomen te genieten. Zeer mogelijk echter ligt hier de schuld aan ons,

aan een gebrek van onzen modernen smaak.

Het bassin van Arima doet aan de baai van Nagasaki denken. Deze

waterkom wordt ten oosten bijna geheel afgesloten door een eiland, dat

zich tusschen de Arima-nada en de Idsoemi-nada over eene lengte van

dertig mijlen uitstrekt. Dit eiland heeft den vorm van een driehoek,

waarvan de punt naar het noorden, naar de provincie Arima, in Nippon,

is gekeerd. Van deze punt verheft zich de lage, met een weelderigen

plantengroei bedekten bodem, langzamerhand van heuvelreeks tot

heuvelreeks opklimmende, tot de breede ruggen van een fiere bergketen,

wier toppen eene hoogte van ongeveer twee duizend voet bereiken. Dit

is het eiland Awadsi, eenmaal het verblijf der goden; de steden, langs

de oevers van Nippon verspreid, zijn nog vol van de herinneringen aan

Zin-moe's zegetochten. Hier staan wij aan de wieg van de nationale

mythologie der Japanneezen, op den heiligen grond hunner kami's, op

den klassieken bodem van het oude rijk der Mikado's. Geen dichter van

het westen heeft ooit dit oord bezongen. Slechts inlandsche zangers

hebben deze gewijde streken verheerlijkt in hun lied; zangers, wier

namen de wereld evenmin kent als hunne werken. De beschaving, die

hier geboren werd, en waarvan nog slechts enkele uitwendige vormen

zijn overgebleven, is voorbijgegaan, zonder in de geschiedenis der

menschheid een zichtbaar spoor achter te laten. Wel heeft zij nu en

dan de aandacht der geleerden getrokken; en, niet waar, wat wil men

meer? is het niet dwaas en gewaagd, voor haar de belangstelling onzer

westersche maatschappij der negentiende eeuw te komen vragen? Wel,

soms schijnt het mij, als dringt ons nog een ander, dan een louter

wetenschappelijk, belang, tot de opsporing en de studie dezer oude,

vervlogen toestanden, dezer vreemde, ondergegane beschaving. Onder deze

ongekende, deze uitheemsche vormen zoeken wij den mensch, met zijne

hartstochten en begeerten, zijne deugden en gebreken; den mensch,

geplaatst te midden van hetzelfde levensdrama, dat ook om en in ons,

in duizenderlei vormen, wordt opgevoerd. Noch het tooneel, noch de

decoratie, noch de costumen, herinneren ons aan bekende dingen: maar

toch gevoelen wij, dat wij eene handeling zullen aanschouwen, die ons

niet vreemd is, en een geheimzinnige stem fluistert ons de woorden der

oude tabeldichters toe: "Vriendelijke lezer, deze geschiedenis raakt u

zelven."--De te fabula narratur.--Daarom mag ons geene verschijning in

de wereldgeschiedenis, geene phase in het groote leven der menschheid

onverschillig zijn: de vervlogen eeuwen houden ons den spiegel voor,

waarin wij ons zelven en onzen eigen tijd kunnen herkennen; en

moeten zij niet allen, ieder op hare eigene wijze en langs zoo zeer

verschillende wegen, medewerken ter voorbereiding van de eindelijke

oplossing van het groote drama, die wij met vertrouwen verbeiden?

Tegenover de noordoostelijke kust van het eiland Awadsi verheft zich,

op den oever van Nippon, de stad Hiogo, wier ruime en veilige haven

reeds sedert eeuwen het middelpunt is van den handel en de scheepvaart

van het japansche rijk. Daar komen de jonken van Simonoseki de

koopwaren lossen, die, uit China, van de Lioe-Kioe-eilanden, van

Nagasaki, van de westkust van Nippon en zelfs van Korea en Yesa

aangevoerd, eerst in de entrepots van deze stad worden opgeslagen,

om vervolgens over Hiogo naar het binnenland en het oosten van Japan

te worden vervoerd. Van daar ook gaan duizenden jonken uit, om naar de

eilanden der binnenzee de producten van den landbouw en de kunstvlijt

der zuidelijke provinciën van Nippon over te brengen.

Eens zal de dag komen, en misschien is hij reeds niet verre meer, dat

geregelde stoombootdiensten de haven van Hiogo zullen verbinden, aan

de eene zijde met China en de groote middelpunten van den engelschen

handel in het Oosten, en aan de andere met Jedo, Jokohama, en verder

met Hawaï en Californië.--Voor het oogenblik, d. w. z. tot 1868, is

deze haven nog voor de westersche volkeren gesloten; de inlandsche

scheepvaart bepaalt zich tot kustvaart en waagt zich nauwelijks buiten

het gezicht der eenvoudige vuurbakens langs den oever: de wetten

des rijks, die ook de samenstelling en den bouw der jonken regelen,

dulden niet dat dezen voor het bevaren der open zee geschikt worden

gemaakt. Doch ook dit zal wel spoedig veranderen.

Bijna de geheele kustvaart der haven van Hiogo is in handen van reeders

uit Osaka.--Deze groote, oude stad, eene der vijf keizerlijke steden,

is slechts acht uren gaans van Hiogo verwijderd. Door hare ligging aan

de bevaarbare Jodogawa-rivier, die zich in verschillende armen splitst

en eenige mijlen benedenwaarts in zee valt, is zij ook voor grootere

schepen toegankelijk. Zij wordt door een aantal kanalen doorsneden,

die haar, ook om de vele sierlijke bruggen, haast het voorkomen eener

hollandsche stad geven. Osaka drijft een zeer levendigen handel, en is

tevens een brandpunt van genietingen en vermaken van allerlei aard:

rijkdom, weelde en zingenot heerschen daar in onbeperkte mate. Men

heeft haar zelfs het japansche Parijs genoemd.

Van 744 tot 1185 was Osaka de residentie der Mikado's. Oppervlakkig zou

men meenen, dat deze vorsten zich volkomen te huis moesten gevoelen in

deze volkrijke, levendige, handeldrijvende, levenslustige stad, waaraan

het rijk voor een goed deel zijne welvaart en zijne ontwikkeling had

te danken. Maar het was de tijd niet meer, de schoone heldentijd,

waarin de Mikado, even als de oude dogen van Venetië, zelf zijn

oorlogsjonk besteeg en in persoon het opperbevel voerde over zijn

vloot. Hij hield geene wapenschouwingen meer, gedragen op de schouders

van vier dappere herauten; hij bestuurde niet langer, van een hoogen

heuvel, op een vouwstoel gezeten en met een ijzeren waaier in de hand,

de bewegingen en oefeningen zijner troepen. Hij trok ook niet meer te

velde tegen oproerige vasallen of stoute mededingers naar den troon,

noch vuurde in den strijd zijne soldaten door woord en voorbeeld

aan. Neen, de Mikado, ten toppunt van macht, rijkdom en veiligheid

opgeklommen, bouwde zich te Osaka een heerlijk paleis, te midden van

een uitgestrekt park, waar het gewoel en gerucht der bezige stad niet

kon doordringen. Zijne hovelingen weten hem te overtuigen, dat het

strijdig is met de hooge waardigheid van een afstammeling der zon, om

zich aan de menigte zijner gewone onderdanen te vertoonen; dat hij aan

de vorsten en hooggeboren edelen, die hem omringen, de alledaagsche

zorgen der regeering, het vermoeiend bevel over vloot en leger,

behoort over te laten. Het leven van den daïri wordt gaandeweg aan

een samenstel van ceremoniëele wetten en voorschriften onderworpen,

waardoor zelfs de geringste bijzonderheden, de minst beteekenende

bewegingen worden beheerscht en nauwkeurig geregeld: en waardoor ook

de souverein binnen een tooverkring wordt afgezonderd, ongenaakbaar

voor ieder, die niet tot het hofgezin behoort. Het keizerlijk gezag

wijkt op den achtergrond, en verdwijnt langzamerhand uit de oogen

en het bewustzijn des volks. De japansche daïmio's hadden met hun

keizer zoo wat hetzelfde spel gespeeld, dat de hofmeiers in Frankrijk

speelden met de merovingische koningen. De Mikado was niet alleen,

als zij, onschendbaar: hij was zelfs heilig, een halfgod: zoo hoog

boven het peil der gewone menschen verheven, dat zijn naam zelfs

niet mocht worden uitgesproken. Hij troonde in de wolken, en de

schare zag aanbiddend op naar zijne voetzolen: maar deze verheven

personage had zich nu ook met aardsche dingen niet te bemoeien,

en deze aangebeden monarch had zich zorgvuldig te onthouden van alle

inmenging, van alle persoonlijke tusschenkomst in regeeringszaken. Men

bewees hem goddelijke eer: maar het was op voorwaarde, dat hij ook

niet meer dan een afgod, een ziellooze pop, zou zijn. Le Mikado

règne mais ne gouverne pas!--kan per slot van rekening nog wel aan

Japan zijn ontleend!--Maar het japansche volk beviel deze regeling

niet. De burgerij, de tirannieke en wispelturige overheersching der

gunstelingen moede, deed luide klaagtonen hooren, die eindelijk zelfs

tot den verborgen souverein doordrongen. Deze riep wel geen staten- of

notabelen-vergadering bijeen: maar hij gaf toch bevel, dat de klachten

des volks, door daartoe aangewezen beambten, zouden worden onderzocht

en opgeschreven. De hovelingen, geloovende of voorgevende te gelooven,

dat de dynastie van de afstammelingen der zon in gevaar verkeerde,

namen daarop een afdoend besluit: zij brachten hun keizer met zijn

gansche hof over naar Kioto, eene kleine stad in het binnenland,

vijftig kilometers ten noorden van Osaka. Het gelukte hun van deze

stad de vaste residentie der Mikado's en de hoofdstad, de Miako des

rijks, te maken.

Het verlaten der volkrijke burgerlijke stad, het middenpunt van

handel en industrie, waar zich een eigen leven, onafhankelijk van

den daïri, gelden deed, had voor de hovelingen het dubbele voordeel,

dat alle rechtstreeksche gemeenschap tusschen den vorst en het volk

werd afgesneden, en dat hun de gelegenheid was gegeven de nieuwe

residentie geheel naar eigen smaak en ter bevrediging van eigen

begeerten in te richten.

Kioto ligt in eene schoone vruchtbare vlakte, die, naar het zuiden

open, ten noordoosten door eene boschrijke heuvelreeks wordt omzoomd,

waarachter zich het groote meer Oïtz uitstrekt. Uit dit meer komt de

Jodogawa-rivier voort, die ten zuiden langs Kioto vloeit en zich, zoo

als ik zeide, eenige mijlen beneden Osaka in de binnenzee stort. Twee

nevenstroomen van de Jodogawa ontspringen ten noorden der hoofdstad,

en besproeien ten oosten en ten westen hare muren. Zoo is Kioto van

alle zijden omgeven door vlietende wateren, die niet alleen eene

uitmuntende gelegenheid verschaffen tot besproeiing der rijstvelden,

maar ook dienen tot voeding der grachten in de stad en der vijvers

in de keizerlijke parken.--In de omstreken wordt rijst, boekweit en

tarwe geteeld; ook bloeit er de theeplant, de moerbezie, de katoen,

en eene groote menigte andere vruchtboomen en groenten. Bamboes

en laurierboomen, kastanjes, dennen, ceders en cypressen kronen

de omringende heuvelen; overal wellen de frissche bronnen uit

den grond, en slingeren zich de murmelende beekjes door tuinen en

bosschages. Duizende vogels van allerlei soort en gevederte, valken,

fasanten, hoppen, eenden, ganzen, steltloopers, vervullen de lucht,

de velden en de wateren. Door geheel Japan is de landstreek rondom

Kioto beroemd wegens de zachtheid van haar klimaat. Ook is dit deel

des rijks het minst blootgesteld aan de orkanen en aardbevingen,

wier uitwerkingen elders soms zoo vernielend zijn.

In waarheid, de opvolgers van Zin-moe konden moeielijk een liefelijker

verblijf uitkiezen, om in weelderige rust de vruchten te plukken

van den arbeid hunner voorgangers; een bevalliger paradijs, om als

halve goden te zwelgen in de eerbiedige aanbidding hunner onderdanen,

en daarbij zoo geheel het werkelijke leven te vergeten, dat een der

schoonste schepters der wereld bijna ongemerkt aan hunne ontzenuwde

handen ontgleed.

De afstammeling der kami's van Japan was en bleef het aangewezen

opperhoofd der nationale godsdienst. Deze had aanvankelijk, zoo als wij

zagen, geen geestelijkheid. De Mikado's riepen eene gansche hiërarchie

van ambtenaren in het leven, die met een priesterlijk karakter waren

bekleed en al de verrichtingen der openbare eeredienst moesten regelen

en leiden. Daar waren opzichters bij de gewijde feesten en bij de

begrafenisplechtigheden, tempelwachters en bewaarders der heilige

schatten en der reliquiën; voorts opzichters der begraafplaatsen en

dergelijken. Al de hooge beambten werden gekozen uit de leden en de

aanverwanten der keizerlijke familie.--Op dezelfde wijze ging men

te werk ten aanzien van den dienst in het paleis en alle gewichtige

betrekkingen en bedieningen in den daïri. De eigenlijke hoofden van

het burgerlijk en militair bestuur werden op die wijze steeds meer en

meer van het hof vervreemd, dat gaandeweg een uitsluitend klerikaal

karakter aannam.

De hoofdstad zelve van het rijk had ten slotte dit zeker zeer

eigenaardige kenmerk, dat men er bijna niets aantrof 't welk met

het leger, de vloot, de burgerlijke administratie, in één woord

met de regeering van een grooten staat, in betrekking stond: dit

alles was overgelaten aan de zorg van verschillende ambtenaren,

in de provinciesteden verspreid. Daarentegen stelden al de sekten,

die het oppergezag van den Mikado erkenden, er eene eer in, hare

eigene hoofden in zijne onmiddellijke nabijheid gevestigd te zien;

en wedijverden zij met elkander, om zijne residentie met tempels en

godsdienstige stichtingen van verschillenden aard te verrijken. Toen

dan ook het Boeddhisme, door chineesche monniken ingevoerd, zich de

gunst van den Mikado had weten te verwerven, door hem als geestelijk

opperhoofd des rijks te huldigen, duurde het niet lang of de ijver

der nieuwe sekte stelde alles in de schaduw wat ooit in de hoofdstad

ter eere van den aloude kami-dienst was gesticht. Het waren japansche

Boeddhisten, die Kioto begiftigden met de grootste klok der wereld, en

met een, in zijne soort, niet minder weergaloozen tempel: de tempel

der drie en dertig duizend drie honderd drie en dertig genoemd,

naar het juiste getal der afgodsbeelden, die hij bevat. Om u de

mogelijkheid van zoo iets te doen begrijpen, moet ik er bijvoegen,

dat de groote beelden met eene menigte kleinere beladen zijn,

die zij op hun hoofd, hunne knieën en handen dragen.--De tempels en

kapellen van Kioto, die aan de oude nationale eeredienst zijn gewijd,

hebben nog steeds, althans in zekere mate, dezelfde oorspronkelijke

eenvoudigheid bewaard, die deze heiligdommen in de overige gewesten des

rijks onderscheidt. Sommige dezer tempels zijn aan de zeven hemelsche

godengeslachten der nationale mythologie gewijd; andere, hetzij aan de

geesten der aarde, hetzij aan de godheid der zon, Ten-sjoo-daï-zin,

of aan hare afstammelingen, de eerste Mikado's.--Tegen het einde

der zeventiende eeuw,--latere opgaven ontbreken tot dusver--telde de

kami-dienst te Kioto en in den omtrek der stad twee duizend honderd

zeven en twintig mia's; maar het Boeddhisme, in zijne verschillende

sekten en vertakkingen, bezat er niet minder dan drie duizend acht

honderd drie en negentig tempels, pagoden of kapellen. Het ontbreekt

dus Kioto niet aan bedehuizen! Trouwens andere monumenten bezit deze

merkwaardige hoofdstad niet.

Immers, zoowel door hunne bestemming als door hun bouwstijl,

behooren de paleizen van den daïri ook tot de heilige gebouwen. Zij

zijn gezamenlijk door een hoogen muur omsloten, en beslaan het

noordoostelijk deel der stad. Boven de talrijke daken verheffen zich,

in wijde verte, de wiegelende kruinen der hoog opgaande boomen, en

geven den aanschouwer eenig denkbeeld van de uitgestrektheid en de

storelooze stilte der heerlijke parken, in wier midden de keizerlijke

woningen verrijzen, ver van de blikken der ongewijde schare en van het

hinderlijk gedruisch der stad. Meer dan deze boomen en deze schemerende

daken te zien, was nog geen vreemdeling vergund: het is mij dan ook

niet mogelijk, iets van de inrichting van dit keizerlijk paleis, waar

de Mikado, als in eene afzonderlijke wereld, zijne dagen doorbrengt,

te zeggen. En somtijds is hem die afzondering nog niet volkomen

genoeg. Meermalen gebeurt het, dat de regeerende Mikado afstand

van den troon doet, om in een daarvoor opzettelijk bestemd paleis,

in een afgezonderd gedeelte van den daïri, zijne overige dagen door

te brengen.

In het midden der stad verheft zich een versterkt kasteel, waarvan de

muren, van afstand tot afstand, met vierkante torens zijn bezet. Dit

kasteel, dat vroeger den Mikado, in geval van oproer, tot wijkplaats

strekte, is nu het hoofdkwartier van het garnizoen, dat de Taïkoen

in de geestelijke hoofdstad des rijks onderhoudt.

Het getal der hooge en lage beambten en bedienden in de verschillende

paleizen des Keizers en van zijne talrijke familie, moet vele

duizenden bedragen. Het juiste cijfer kent men niet, omdat het

hof niet onderworpen is aan de jaarlijksche volkstelling.--Anders

is de statistiek altijd een voorwerp der bijzondere zorg van de

japansche regeering geweest. In de heilige stad des rijks neemt

ook de gewoonlijk zoo profane statistiek een gewijd karakter aan,

en rangschikt officiëel de lieden naar de verschillende sekten,

waartoe zij zeggen te behooren. Om het cijfer der bevolking van

Kioto te kennen, moeten wij weder teruggaan tot den ouden Kämpfer,

dien nauwkeurigen en ijverigen onderzoeker, wiens werk over Japan

nog altijd zoo groote waarde heeft. Kämpfer dan bericht, dat in zijn

tijd, in 1693, de vaste bevolking van Kioto, met uitzondering van het

hof, bestond uit 52,169 geestelijken en 477,557 leeken. Deze geheele

bevolking splitste zich in ongeveer een twintigtal erkende sekten,

waarvan de talrijkste 159,113 aanhangers telde, en de geringste, zijnde

eene soort van boeddhistische confrerie, slechts uit 289 leden bestond.

Wie intusschen meenen mocht, dat deze ontzaggelijke ontwikkeling van

het kerkelijk element het verblijf in de hoofdstad van Japan somber

moet maken, of althans aan de zeden der bevolking een buitengewone

strengheid bijzetten, zou zich zeer bedriegen. Het tegendeel is veeleer

waar, zoo als wij zien zullen, wanneer wij het leven en bedrijf in

deze stad meer van nabij gaan beschouwen.

Japan De Aarde en haar Volken, 1867 · 第 8 / 12 题