Oorsprong van het japansche volk.--Hunne kosmogonie.--De
schepping.--De goden.--De legende van Izanaghi en Izanami.--De
kami's.--Tempels.
Meermalen heb ik mijzelven de vraag voorgelegd, van waar het japansche
volk afkomstig zou zijn, maar een bevredigend antwoord op die vraag heb
ik nog niet kunnen vinden. Ik vermoed, dat de vergelijkende taalkunde
alleen in staat zal zijn, dit moeielijk probleem op te lossen; en
misschien zal zij daartoe het best doen, hare blikken te wenden naar
den indischen archipel. Zeer zeker zal zij, even als de Japanners
zelven, alle verwantschap van dezen met de Chineezen verwerpen: want
de talen dezer beide volken hebben niets gemeen. Het is waar, de
onderstelling dat de japansche eilanden door een chineesche kolonie
bevolkt zouden zijn, ligt voor de hand; en ik wil gaarne toegeven,
dat er van overoude tijden gemeenschap heeft bestaan tusschen Korea,
het noorden van Japan, de Koerilen en zelfs Kamschatka: want deze
eilandenketen, die zich als de bogen van eene verbroken reuzenbrug van
Azië tot Amerika uitstrekt, wekt onwillekeurig de gedachte aan eene
gemeenschap, door middel der scheepvaart, van eiland tot eiland. Maar
het komt mij veeleer voor, dat de zuidelijke eilanden van Japan
bevolkt zijn door emigranten, die zelven uit het zuiden kwamen.
De stroomingen in den oceaan spelen waarschijnlijk een zeer groote rol
in de zoo geheimzinnige geschiedenis der volksverhuizingen. Dikwijls
zijn langs dezen weg, en zeer tegen den zin der reizigers, schijnbaar
ongeloofelijke tochten volbracht. Wilt gij een voorbeeld? Alle
europeesche residenten te Jokohama kennen den japanschen tolk Joseph
Hico. Deze man was eens met eenigen zijner bloedverwanten op de
vischvangst, toen een plotselinge windvlaag hun vaartuig uit zijn
koers wierp en naar de open zee heendreef. De groote golfstroom
van den equator, die de zuidelijke en oostelijke kusten van Japan
bespoelt en zich van daar, met een boog van eenige duizende mijlen,
naar Californië wendt, nam het weerlooze scheepje op en voerde de
ongelukkige visschers derwaarts mede. Gelukkig kwamen zij eindelijk
een amerikaansch schip tegen, dat hen te San Francisco aan wal
zette.--De vaart tusschen China en Japan is moeielijk en gevaarlijk:
een tegenstroom van koud water, van de Poolzee afkomstig, neemt, van
het noorden naar het zuiden, zijn loop door het kanaal dat de beide
landen scheidt; terwijl de ontzaglijke stroomingen van warm water,
die, uit den indischen oceaan komende, zich door de straten van Malacca
en Soenda een weg banen, hare richting nemen, niet naar de kusten van
China, maar, zoo als ik zeide, naar de zuid- en oostkust van Japan en
van daar naar de noordwestkust van Amerika.--De eerste Europeanen,
die in Japan zijn geland, de drie portugeesche deserteurs Antonio
de Moto, Francisco Zimoro en Antonio Perota, hadden zich in een der
havens van Siam op een indische jonk ingescheept; door een storm naar
de open zee gedreven, werden zij door den equatoriaal-stroom naar de
zuidkust van het eiland Kioe-Sioe gevoerd (1542). Hetzelfde overkwam,
in het volgende jaar, den beroemden portugeeschen avonturier Fernan
Mendez Pinto en zijn beiden gezellen, Diego Zeimoto en Christophoro
Borello, toen zij met eene chineesche jonk van Macao voeren. Zij
kwamen te recht op het japansche eilandje Tanegasima.
Met dergelijke feiten voor oogen, is het niet zoo vreemd den blik
naar Java te wenden: te minder, wanneer men zich herinnert, dat dit
groote eiland met zijne aanhoorigheden eenmaal, in lang vervlogen
tijden, een machtig rijk vormde, dat zijne schepen uitzond eensdeels
naar Madagaskar en Arabië, anderdeels naar China en de omliggende
eilandengroepen. Telkens wanneer ik dan ook eenige onverwachte
overeenstemming ontdek tusschen de zeden en gewoonten der Javanen
en der Japanneezen, kan ik het niet nalaten daar, of althans op
de eilanden van den grooten indischen archipel, den oorsprong der
bewoners van Nippon te zoeken. Maar dit is slechts eene gissing,
die ik ook voor niet meer wensch te doen doorgaan. Vraagt men
den Japanneezen zelven, van waar zij zijn, dan bekomt men slechts
ontwijkende antwoorden: hetzij dan dat zij op dit punt even onwetend
zijn als wij, hetzij dat zij ongaarne het heiligdom der nationale
herinneringen en traditiën voor ongewijde blikken openen. Toch zijn
ons deze traditiën niet geheel onbekend. De japansche geschiedenis
en godsdienst zijn het onderwerp geweest van ernstige en ijverige
nasporingen, deels van de vroegere katholieke zendelingen, deels van
de geneesheeren of beambten in dienst der nederlandsche factorie. Het
is zoo: zulke fragmentarische studiën, hoe belangrijk ook op zich
zelven, zijn niet voldoende om ons een volledig inzicht te geven
in de ontwikkelingsgeschiedenis der japansche beschaving. Maar, in
afwachting van beter, moet men zich vergenoegen met wat men heeft,
en beginnen met nauwkeurig de overleveringen te verzamelen, die de
Japannees zelf uit den mond zijner priesters en de geschriften zijner
kroniekschrijvers ontvangt. Vatten wij dan in enkele trekken samen,
wat wij weten van de japansche kosmogonie en oudste geschiedenis.
In den beginne, aldus leert het japansche scheppingsverhaal, verhief
zich uit den oorspronkelijken chaos een god, die het Opperste Wezen
wordt genoemd, en wiens troon in het midden der hemelen is. Op hem
volgden twee andere goden, waarna er langzamerhand verandering in den
chaos ontstond: de fijnere deelen vormden den hemel, de grovere de
aarde. Toen de aarde, nog onbewoond, woest en ledig, op de wateren
dreef, ontstonden er zeven nieuwe hemelsche goden, waarvan de vier
laatsten gehuwd waren. Een dezer laatste goden, Izanaghi geheeten,
bevolkte de aarde, dat is hier Japan. Eens, zoo luidt de legende,
zag Izanaghi van het balkon zijner hemelsche woning, met zijne gemalin
Izanami op de jonge, nu voltooide aarde neder, en gevoelde zich zoo tot
haar aangetrokken, dat hij der godin voorsloeg daar een bezoek af te
leggen. De beide goden lieten hunne blikken dwalen langs de heerlijke
kusten der japansche binnenzee, en kozen eenstemmig het eiland Awadsi
tot hun verblijf; het schoone eiland, dat als een bloemruiker oprijst
uit de kalme wateren, aan de eene zijde door de stoute rotswanden
van Sikokf, aan de andere door de vruchtbare velden van Nippon
begrensd. Eenmaal daar gekomen, konden de beide hemelsche wezens van
dit heerlijk oord niet meer scheiden; maanden en jaren verliepen:
en er kwam een tijd, dat de stille dalen van Awadsi weergalmden van
het blijde gejubel der kinderen, die den goden in dit paradijs geboren
waren. Maar naarmate deze kinderen schooner opgroeiden, verduisterde
een smartelijk voorgevoel de vreugd hunner goddelijke ouders. Deze
wisten toch, dat hunne kinderen, als alles wat op aarde geboren wordt,
aan den dood onderworpen waren. Vooral de teerhartige Izanami kon de
gedachte niet verdragen, dat zij eenmaal haar kinderen de oogen zou
sluiten en zelve onsterfelijk voortleven. Het scheen haar beter, met
hen te sterven. Toen besloot Izanaghi aan deze spanning en kwellende
smart een einde te maken. Hij wist zijne gemalin te bewegen om met
hem naar den hemel terug te keeren, voor dat het gezicht van den dood
hun geluk zou hebben verwoest.
"Het is waar," zeide hij, "onze kinderen kunnen ons niet volgen naar
de woningen der zaligheid; maar ik zal de smart der scheiding weten
te verzoeten, door hun een geschenk na te laten, dat hen in staat
zal stellen zooveel mogelijk aan ons gelijk te worden."--
Dit gezegd hebbende, riep hij zijne kinderen bijeen, kondigde hun
de scheiding aan, vermaande ze tot kalmte, en gebood hun wel acht te
geven op zijne laatste woorden.
Eerst schilderde hij hun in beelden, waarvoor de menschelijke taal
geen woorden heeft, dien staat van onverstoorbare zaligheid, die het
deel is der hemelbewoners. Hij deed hun die zaligheid aanschouwen,
zoo als het oog het verre licht eener ster aanschouwt, die wel niet
te bereiken is, maar waarnaar toch, op den stillen bergtop, in zoeten
droom, de hand zich uitstrekt, of ze te grijpen ware!
"Alzoo," zeide hij, "zonder hier op aarde die volkomen zaligheid te
bezitten, die slechts voor hooger wereld is weggelegd, zult gij, reeds
in dit aardsche leven, er de heerlijke aanschouwing, den voorsmaak
van kunnen genieten, wanneer gij zorgvuldig mijne geboden bewaart."
Toen, met de rechterhand de schijf van gepolijst zilver opheffende,
die zoo menigmaal het reine gelaat zijner gemalin had weerspiegeld,
sedert zij op aarde was neergedaald, beval hij zijn kinderen te
knielen, en voer op plechtigen toon voort:
"Dit kostbaar aandenken laat ik u. Het zal u de heerlijke trekken
uwer moeder herinneren; maar tegelijk zult gij er uw eigen beeld
in kunnen aanschouwen. Die aanschouwing zal u wel menigmaal tot
droefheid stemmen, maar laat u dit niet ontmoedigen. Beijvert u
veel meer het aanbiddelijk beeld gelijk te worden van haar, die van
nu voortaan in den hemel woont. Iederen morgen zult gij voor dezen
spiegel nederknielen. Hij zal u de plooien en rimpels aanwijzen, door
aardsche zorgen in uw voorhoofd geploegd, of ook de onteerende sporen
van verkeerden hartstocht. Wischt die teekenen des kwaads uit, keert
terug tot de rust, de kalmte, de harmonie des levens: en dan, richt
vrijmoedig uw gebed tot ons, zonder gemaaktheid, zonder huichelarij:
want weet, dat de goden in uwe ziel lezen, zoo als gij in uwe eigene
oogen leest, zoo vaak gij ze op dezen spiegel vest.--En wordt, in den
loop van den dag, uw hart ontstemd door eenige beweging van ongeduld,
van naijver, van toorn, van begeerlijkheid, die gij niet dadelijk
onderdrukken kunt: spoed u dan naar het heiligdom, waarin gij des
morgens aangebeden hebt, hernieuwt daar uwe gebeden, uwe smeekingen,
uwe reinigingen.--Eindelijk, iederen avond, eer gij u ter ruste
begeeft, zult gij ernstig tot u zelven inkeeren, rekenschap doen van
uwe daden, en uwe ziel verheffen tot de aanschouwing der hemelsche
gelukzaligheid, waarheen wij u zijn voorgegaan."--
Hier zwijgt de liefelijke legende, maar de overlevering voegt er bij,
dat de kinderen van Izanaghi door een gedenkteeken de plek wijdden,
waar hun goddelijke ouders afscheid van hen genomen hadden. Zij
richtten er een altaar op van cederhout, zonder ander sieraad
dan de spiegel van Izanami en twee vazen van bamboes, die ruikers
droegen van de bloemen welke de godin het meest had bemind. Eene
eenvoudige vierkante hut met een rieten dak diende het kunsteloos
altaar tot beschutting. Zij kon met schermen worden afgesloten;
maar dit geschiedde alleen, wanneer het slechte weder zoodanige
voorzorg noodig maakte. Daar vierden de kinderen van Izanaghi,
iederen morgen en iederen avond, de eenvoudige eeredienst, hun door
hun vader voorgeschreven.
Zij regeerden op aarde, van geslacht tot geslacht, gedurende een
tijdperk van twee à drie millioen jaren, en werden op hunne beurt
zalige geesten, onsterfelijke kami's, goddelijke eer waardig.
Tot zoo verre de sage. Intusschen weten wij met zekerheid, dat bij
den aanvang van het historisch tijdperk van Japan, dat is ongeveer
zes eeuwen vóór Christus, er in dat land een eigenaardige godsdienst
bestond, die, zoo als reeds Kämpfer opmerkt, nergens elders wordt
aangetroffen, en niet van buiten is ingevoerd; eene godsdienst, die,
hoewel verbasterd en door andere sekten overvleugeld, zich tot op
onze dagen staande heeft gehouden. Het is de dienst der kami's of de
Sintodienst, zoo als de meer bekende, chineesche benaming luidt. Zij
is niet de vereering van de geesten der voorvaderen in het algemeen,
en nog minder der voorvaderen van deze of gene familie. De wezens,
onder den naam van kami's aangebeden, behooren wel is waar tot de
mythologische heldenlegende, waarvan de roem nog op enkele bestaande
geslachten afstraalt; maar zij zijn voor alles nationale godheden,
beschermgoden van het land van Japan en zijne bewoners. Ter eere van
deze mythologische helden en geniën zijn, sedert de oudste tijden,
in Japan tempels en kapellen opgericht, waar hun goddelijke eer
wordt bewezen. Deze eenvoudige gebouwen dragen den naam van mia's:
de beroemdsten zijn in het zuidwestelijk gedeelte van den japanschen
archipel, dat de bakermat der oorspronkelijke beschaving schijnt te
zijn geweest. Nog heden stroomen er, vooral in de lente, duizende
pelgrims uit alle gewesten des rijks heen.
De kapel, aan Ten-sjoo-daï-zin, de zonnegodheid, gewijd, in de
landstreek van Isyé, wordt geacht het zuiverste monument te zijn
van de oorspronkelijke godsdienst der Japanners. Kämpfer verzekert,
dat de Sinto-dienaars eenmaal in het jaar, of minstens eens in hun
leven, ter bedevaart naar Isyé gaan. "De tempel van Isyé," zegt hij,
"ligt in eene groote vlakte. Het is een onaanzienlijk houten gebouw,
laag van verdieping en gedekt met een vrij plat, overhangend rieten
dak. Men besteedt bijzondere zorg aan het onderhoud van dit gebouw,
dat in denzelfden staat bewaard wordt waarin het oorspronkelijk werd
gesticht; en wel, om daardoor tot bewijs te dienen van de groote
armoede hunner voorvaderen, die dezen tempel hebben opgericht, of, zoo
als zij zeggen, der eerste menschen. In den tempel ziet men niets, dan
een metalen spiegel, naar de wijze des lands geslepen, en uitgeknipt
papier langs de wanden. De spiegel is het zinnebeeld van het alziend
oog der groote godheid, die men hier aanbidt, en van hare wetenschap
van al wat in het hart harer aanbidders omgaat. Het witte uitgeknipte
papier verbeeldt de reinheid der plaats, en herinnert de geloovigen
aan het gebod, om slechts met een rein hart en een lichaam vrij van
alle smet het heiligdom te betreden."--
Deze beschrijving van een der beroemdste kami-tempels, hoe belangrijk
ook, is niet in alle opzichten volledig, of liever, past niet geheel
op later tijd. De kapel van Isyé behoort nog tot het tijdperk van
de kindsheid der kunst, die haar hoogste ontwikkeling eerst later,
onder de regeering der eerste Mikado's, heeft bereikt. Ik wil daarom,
ter aanvulling van Kämpfers bericht, de tegenwoordige inrichting van
een kami-tempel beschrijven.
Een zaak van veel belang is de ligging van het gebouw. Steeds kiest
men, voor het stichten van een mia, een schilderachtige plek, vooral
rijk aan hoog geboomte. Soms voert een laan van cederen of pijnboomen
naar het heiligdom, dat altijd voorafgegaan wordt door een of meer dier
op zich zelven staande tori's of poorten, waarvan ik reeds gesproken
heb bij de beschrijving van den tempel te Benten. Gewoonlijk worden
de mia's op heuvels gebouwd, waarvan sommigen door menschenhanden
zijn opgeworpen en met cyclopische muren bekleed. Een breede en zeer
goed onderhouden trap leidt naar den top. Aan den voet van dien
trap is de kapel der wasschingen: een eenvoudig afdak, waaronder
een steenen bekken, dat altijd met water is gevuld. De eigenlijke
tempel is een of twee el boven den grond verheven; hij rust op vier
stevige pilaren, en is, even als de meeste japansche huizen, door
een galerij of veranda omringd, waarheen men langs eenige trappen
opklimt. De tempel is van hout, aan drie zijden gesloten, en van
voren open, maar met beweegbare schermen, waardoor hij, zoo noodig,
kan afgesloten worden. Het inwendige van het heiligdom ligt dus
in den regel bloot voor aller oog. De strenge soberheid, die daar
heerscht, is echter niet zonder zekeren smaak en sierlijkheid. Het
houtwerk glimt van zindelijkheid; de matten, die den vloer bedekken,
zijn doorgaans van de fijnste soort. De metalen spiegel op het altaar
maakt in deze omgeving een zeer gelukkig effect, ook uit het oogpunt
der symboliek: want zijne zwijgende welsprekendheid wordt door niets
gestoord of verzwakt, daar de aandacht noch door standbeelden, noch
door schilderijen, noch door eenig ander voorwerp in de nabijheid wordt
afgetrokken.--Maar niet het minst eigenaardige van de kapel is haar
dak. Dit is van riet, pannen of planken, naar goedvinden. Doch het
bijzondere ligt in den vorm. Het dak der mia daalt naar alle zijden
zacht glooiend af en steekt nog buiten de balken der veranda uit:
het is dus, in verhouding vooral tot het gebouw, zeer hoog. Bovendien
verheffen zich, aan de beide uiteinden van den nok, de twee bovenste
armen van een groote X, of liever van een zoogenoemd Sint-Andries
kruis. Deze beide balken, die dus vrij in de lucht uitsteken, hebben
van boven een lange en breede sleuf, waarschijnlijk om hun een minder
zwaar voorkomen te geven. Eindelijk, en als om dit wonderlijk geheel
te volmaken, zijn van afstand tot afstand op den bovenrand van het dak
kleine houten blokken, niet ongelijk aan vuurpijlen, bevestigd. Wat dit
beteekenen moet of waartoe het dient, betuig ik niet te weten. Ziedaar,
waarschijnlijk, de mia in hare oorspronkelijke zuiverheid.--En waar
blijft nu, vraagt ge licht, die bijzondere decoratie, waarvan Kämpfer
spreekt: die strooken wit papier langs de wanden? Hoort deze eigenlijk
niet in den kami-tempel t'huis? Misschien wel: want in geheel Japan
en bij al de verschillende sekten, zoo talrijk in dat land, vindt men
dit gebruik terug van strooken papier, die aan de wanden der tempels
en aan de posten der huisdeuren worden vastgemaakt; ook de koorden
van gevlochten stroo, die nabij sommige heilige plaatsen en ook wel,
bij godsdienstige feesten, in de straten worden gespannen, zijn met
reepen papier getooid. Waarschijnlijk heeft dit eene symbolieke
beteekenis: ik weet echter niet welke. Maar ik ben zeer geneigd
te gelooven, dat dit gebruik van gewijd papier van boeddhistischen
oorsprong is. De priesters dier godsdienst bedienen zich, bij wijze
van wijwaterskwast, van een stokje, waaraan een bundel papieren
lintjes bevestigd is. Zij zwaaien daarmede heen en weer, niet alleen
bij hunne geestenbezweringen, maar vooral ook om de booze invloeden
in de lucht af te weren, wanneer zij den tempel binnengaan en het
altaar naderen. Van daar waarschijnlijk het gebruik, om in sommige
kami-tempels zulk eene soort van papieren kwast, go-heï genoemd, op
een der trappen van het altaar, vóór den gewijden spiegel, te plaatsen.
Van later tijd dagteekent ook het gebruik van nog eenige voorwerpen,
waarvan ik spreken moet, om mijne beschrijving volledig te
maken. Daartoe behooren, in de eerste plaats, aan den ingang van
sommige mia's, twee bronzen beelden van mythologische dieren: waarvan
het een, van fantastische gedaante, eene soort van hond, en het andere
eene soort van éénhoornig damhert, moet voorstellen. Beiden zitten op
hunne achterpooten, en verbeelden, naar men zegt, de twee reinigende
elementen, het water en het vuur.--Verder staat aan den voet van het
altaar eene houten offerkist. Soms bestaat het deksel uit traliewerk,
zoodat de geldstukken op den bodem der kist vallen en er niet meer
kunnen worden uitgehaald, dan door de priesters, die den sleutel
hebben; soms ook is het deksel glad en effen als een tafelblad, maar
omgeven met een hoogen rand. Dan werpen de geloovigen, luidruchtig
genoeg, hunne ijzeren muntstukjes, de szénis, op dit blad, na ze vooraf
in een papieren rolletje gewikkeld te hebben: de offerkist lijkt dan
wel wat op een grooten schotel met pastilles.--Eindelijk ziet men nog
dikwijls, aan den ingang der kapel, even als aan de boeddhistische
tempels, een of ander instrument opgehangen, om de bonzen, als zij
niet bij het altaar zijn, te kunnen roepen: nu eens is het een gong
of metalen schild, met het daarbij behoorende dikke touw met knoopen;
dan weder een bos belletjes, waaraan een koord is bevestigd.
Het bewijs, dat deze soort van voorwerpen eerst later in de
kami-tempels in gebruik zijn gekomen, ligt reeds in het zeker
zeer opmerkelijke feit, dat deze eeredienst oorspronkelijk geen
priesterschap kende. De mia's waren aanvankelijk, zoo als trouwens
uit de legende blijkt, niets meer dan kapellen, opgericht ter eere
en ter gedachtenis der nationale helden: ongeveer even als de kapel
van Willem Tell, aan het Vierwaldstädtermeer in Zwitserland. De heer
der streek, waar zulk een monument was opgericht, droeg natuurlijk
zorg voor de bewaring van dien schat: maar geen priester bediende het
altaar van den kami, geene bevoorrechte kaste plaatste zich tusschen
den geloovige en het voorwerp zijner aanbidding. Ook was het gebed,
dat voor den symbolischen spiegel van Izanami werd opgezonden,
niet uitsluitend of in de eerste plaats tot den kami gericht, aan
wiens nagedachtenis de kapel was gewijd: maar het gold bovenal de
onsterfelijke goden, wier middelaar slechts de kami was. Zoo stond
het heiligdom voor ieder geopend, vrij ten gebruike der aanbidders,
en was de eeredienst geheel zonder ceremonieel.
Dit is echter, gelijk te verwachten was, niet zoo gebleven. Jongere
zonen van aanzienlijke familiën werden meer bijzonder belast, eerst
met de zorg voor en de bewaking van, straks met den dienst in het
heiligdom. Ook de kami-dienst had eerlang hare ommegangen, hare
litanieën, hare offeranden, hare feesten, zelfs haar wonderdoende
beelden. Intusschen vormden hare priesters, in zoo verre aan de
oorspronkelijke instelling getrouw, nooit een eigenlijken geestelijken
stand. Zij trokken de gewijde kleederen aan, als zij de dienst
in de kapel moesten verrichten; maar, na het verlaten der heilige
plaats, hernamen zij het gewaad en de gewone wapenrusting van den
edelman. Echter duurde het niet lang, of er vormde zich onder hen eene
wezenlijke monnikenorde, die der Kanoesis, die zich meer bepaald aan
den dienst der bedevaartgangers wijdden. Twee oorzaken vooral hebben
medegewerkt, om den kami-dienst zijne oorspronkelijke zuiverheid te
doen verliezen: in de eerste plaats, de vestiging van het gezag der
Mikado's, en ten anderen, de invoering van het Boeddhisme in Japan.