Voorkomen der Japanneezen.--Lichaamsbouw.--Gelaatstrekken.--
Kleederdracht.--Woning en huisraad.--Levenswijze.--Huiselijk
leven. Opvoeding der kinderen.
Om van Benten naar buiten, naar het land, te gaan, is het niet noodig
de japansche stad te doorkruisen. Aan de grens der heilige plaats
begint een breede straatweg, die langs de rivier loopt en op paalwerk
rust; deze weg verheft zich boven de lage straten en het moeras van
Jokohama, en voert naar eene kleine voorstad, grootendeels door arme
werklieden bewoond, en waar een militair wachthuis en een kantoor der
douane worden aangetroffen. Hier gaat ge over de rivier, door middel
van eene fraaie houten brug, die hoog genoeg is om zeilvaartuigen door
te laten, en ge bevindt u op den straatweg aan den linkeroever. Volgt
ge dien weg in noordoostelijke richting, dan komt ge op den grooten
weg naar Kanagawa; slaat ge naar het zuidwesten af, dan bevindt ge
u weldra op een der landwegen, die naar de Mississippi-baai voeren.
Aan alle zijden is het land bebouwd en met talrijke woningen
bezaaid. De alleenstaande woningen nabij den weg, en zelfs de huizen
in de dorpen, zijn doorgaans geheel open. Om koelte te maken,
schuiven de bewoners de beweegbare schermen, waarmede zij hunne
woningen afsluiten, rechts en links weg: het inwendige der huizen
ligt alzoo geheel open voor de blikken der voorbijgangers. Onder
zulke omstandigheden is het niet moeielijk, zich van de inrichting
des huisgezins en de eigenaardigheden van het huiselijk leven een
vrij juist denkbeeld te maken.
Het conventioneele onderscheid tusschen de klassen der japansche
maatschappij berust niet op een wezenlijk verschil van ras of ook
maar van levenswijze. Van den top des heuvels, waarop de residentie
van den gouverneur van Kanagawa verrijst, ziet men aan de eene zijde
neder op eenige gebouwen, tot woning bestemd voor de yakoeninen en
hunne gezinnen; aan de andere zijden op groepen van kleine huizen of
hutten van werklieden en landbouwers. Menigmaal heb ik opgemerkt, hoe
èn hier èn daar dezelfde gewoonten, dezelfde levenswijze heerschten;
met dit verschil alleen, dat wat voor de arme woningen op de openbare
straat geschiedde, in het verblijf der yakoeninen beperkt bleef
tot de door houten beschotten omringde binnenplaatsen. Mijne latere
herhaalde bezoeken bij de hooge ambtenaren van den staat hebben mij in
de overtuiging bevestigd, dat de heerschende type en de levenswijze der
geheele bevolking van het midden des keizerrijks--dat wil zeggen, van
de drie groote eilanden Nippon, Kioe-Sioe en Sikokf--overal dezelfde
zijn, en zich in eenige algemeene trekken laten samenvatten.
De Japanneezen zijn van schrale en middelbare gestalte; veel
zwakker van lichaamsbouw dan de volkeren van zuiver germaansch ras,
gelijken zij wel eenigszins op de bewoners van Spanje en van zuidelijk
Frankrijk. De vrouwen zijn over het algemeen aanmerkelijk kleiner dan
de mannen: dit onderscheid is hier veel meer in het oog vallend dan
in Europa. Volgens Dr. Mohnike, voormalig geneesheer der hollandsche
factorie te Nagasaki, is de middelbare lengte der mannen vijf voet en
een à twee duim, parijsche maat, en die der vrouwen, vier voet en een à
drie duim.--Zonder rechtstreeks mismaakt te zijn, zijn de Japanneezen
toch verre van schoon. Zij hebben een groot hoofd, een korten hals,
eene breede borst, een lang bovenlijf, uitstekende heupen, magere
en korte beenen, maar kleine voeten, en fijn gevormde en dikwijls
bij uitstek fraaie handen. Is het voorhoofd soms wat al te schuin en
steken de wangbeenderen wat ver vooruit, dan gelijkt het hoofd, in
profiel gezien, meer op een driehoek dan op een ovaal. Dit is echter
niet algemeen: maar wel, de weinige diepte der oogholten en de van
boven bijna platte neus, waardoor de oogen veel meer naar voren komen
dan bij de Europeanen. Ook staan ze een weinig schuin. Toch--ik weet
zelf niet waarom--is de algemeene indruk niet die van de chineesche
of mongoolsche type: het hoofd van den Japannees is grooter, zijn
gelaat langwerpiger en, over het algemeen, regelmatiger; ook komt de
neus meer voor en is schooner van vorm, soms zelfs zweemt hij naar
een arendsneus. Moest ik eene vergelijking maken, dan zou ik die eer
zoeken onder de bewoners van den indischen archipel. Dr. Mohnike zegt,
dat de schedel van den Japannees die is van het touranische ras.--Alle
Japanners, zonder onderscheid, hebben glad, zwaar en raafzwart
hair. Het hair der vrouwen is hier niet zoo lang als in Europa of
Indië; dat der mannen komt misschien geheel met het hair der Javanen
overeen, en onderscheidt zich zeer duidelijk van de kroezige hairen der
oorspronkelijke bewoners van de Filippijnsche eilanden en der Alfoeren
uit zuidelijk Australië. De Japanneezen hebben een vrij zwaren baard,
maar zij laten dien niet groeien en scheren zich minstens om de twee
dagen. De kleur hunner huid verschilt bij de verschillende standen, en
doorloopt al de onderscheidene tinten tusschen de donkere koperkleur
uit de binnenlanden van Java en het matte of door de zon gebronsde
wit der bewoners van zuidelijk Europa. De meest heerschende tint is
olijfbruin; nooit ziet ge de leelijke gele kleur der Chineezen. In
tegenstelling met de Europeanen, zijn bij de Japanneezen doorgaans het
gelaat en de handen lichter van kleur dan het overige des lichaams. De
kleine kinderen en de jongelieden van beiderlei kunne hebben, even als
bij ons, eene frissche kleur en blozende wangen. De kleur der vrouwen
is lichter dan die der mannen: in de hoogere standen en zelfs onder de
burgerklasse ziet men vele bijna geheel blanke vrouwen; de adellijke
dames beschouwen de mat-witte tint als de meest gedistingeerde. Toch
zijn zij van hare europeesche zusters door twee onuitwischbare teekenen
gescheiden: vooreerst, door de schuine en ietwat uitpuilende oogen,
en ten andere door eene ingedrukte borst: een misstand, die zelfs
bij de schoonst gevormde jonge vrouwen voorkomt.--Mannen en vrouwen
hebben zwarte oogen, witte en sterke tanden, die door regelmatige
tusschenruimten gescheiden zijn en eenigermate vooruit steken. Het
gebruik wil, dat gehuwde vrouwen hare tanden zwart verwen: misschien
een flauwe herinnering aan Java of Achter-Indië, waar iedereen min of
meer zwarte tanden heeft, door het betel-kauwen. De bewegelijkheid
en de groote verscheidenheid van de gelaatstrekken der Japanners
schijnen mij enkel het gevolg hunner meer verstandelijke, meer vrije
ontwikkeling, waardoor zij zich van de overige aziatische volken
zoo gunstig onderscheiden. De veelvoudigheid van het individueel
karakter drukt zich bij hen, als bij ons, in de verscheidenheid der
physionomieën af.
Het nationale kleedingstuk der Japanneezen is de kirimon, eene soort
van kamerjapon, van voren open, en die bij de vrouwen iets langer en
van fraaier stof is dan bij de mannen. Dit kleed wordt op de borst
overgeslagen en door middel van een gordel saamgebonden: welke gordel
bij de mannen bestaat in een smalle zijden sjerp, en bij de vrouwen
in een breed stuk doek, dat op eene eigenaardige manier van achteren
wordt toegeknoopt. Linnen onderkleederen kent men in Japan niet,
maar ieder neemt er dagelijks een bad. De vrouwen dragen een hemd
van roode krip-zijde. Daarentegen gaan de boeren, de visschers, de
werklieden en koelies, althans in den zomer en als zij aan den arbeid
zijn, bijna geheel naakt; terwijl hunne vrouwen zich slechts een rok
om de heupen binden. Als het regent, slaan zij mantels van stroo of
geolied papier om, en dekken zich het hoofd met bamboezen hoeden,
die, even als op Java, den vorm van een schild hebben. Des winters
dragen de mannen uit het volk, onder den kirimon, een wambuis en een
nauw-sluitenden pantalon van blauw katoen; de vrouwen, een of meer
schoudermantels, met watten gevoerd. De lieden uit de burgerklasse gaan
nooit uit zonder wambuis en pantalon. De kleeding der verschillende
standen verschilt overigens minder in vorm dan wel in stoffage. De
edelen alleen hebben het recht zijden kleederen te dragen; echter
trekken zij hun pronkgewaden slechts aan, wanneer zij naar het hof
gaan of een beleefdheidsbezoek afleggen. De ambtenaren der regeering,
de yakoeninen, dragen, als zij in dienst zijn, een wijden pantalon en,
in plaats van den kirimon, een overkleed met wijde mouwen, dat tot de
dijen afdaalt en niet onsierlijk van vorm is. Het schoeisel is voor
allen hetzelfde, en bestaat in grof linnen sokken en sandalen van
gevlochten stroo of wel van hout, die met een om den grooten teen
geslagen riem worden vastgehecht. Als de wegen morsig zijn, bindt
men aan de voeten eenvoudige houten zolen, op twee dwarsplankjes
rustende. Het grootste gedeelte van het jaar loopen de lieden uit
het volk òf barrevoets òf hoogstens met strooien sandalen. Bij het
binnentreden eener woning, hetzij eigen of vreemde, ontschoeit men
zich en laat zijne sandalen op den drempel staan.
De vloeren der woningen in Japan zijn altijd met matten belegd. Daar de
kamers allen even groot zijn, zoo zelfs, dat er eene vaste maat voor
de matten bestaat,--zij zijn veranderlijk zes voet drie duim lang,
drie voet twee duim breed, en vier duim dik--kan men die altijd
en overal gebruiken. De matten zijn zeer netjes van rijststroo
gevlochten. Door middel der beweegbare schermen, die de afscheiding
tusschen de verschillende kamers vormen, verdeelt de Japannees zijne
woning in zoo vele vertrekken als hij verkiest, echter altijd met
inachtneming der strengste symmetrie, en zonder dat hem dit veel
tijd of moeite kost.--De mat vervangt de plaats van bijna alle andere
meubelen. Zij dient vooreerst voor matras: op haar vlijt de Japannees
zich des nachts neder, in een wijden kamerjapon en een grooten, met
watten gevoerden deken gewikkeld, terwijl een klein, bekleed houten
blok hem tot hoofdkussen dient; op de mat zet hij ook het porceleinen
en verlakt gereedschap neder, dat hij bij zijne maaltijden gebruikt;
de mat wederom is zijn divan, waarop hij nederhurkt met zijne gasten,
om, onder het genot van een kop thee, zonder melk of suiker, en het
rooken van tabak uit mikroskopische pijpen, uren en uren lang te
keuvelen. In de herbergen van Japan vindt men denzelfden toestel, die
op Java onder den naam van bali-bali bekend is: namelijk, eene soort
van beweegbaren houten vloer, of liever eene groote tafel, met matten
belegd en slechts een voet ongeveer boven den grond verheven. Daar,
op dien vloer, zet zich de reiziger neder, daar eet en drinkt hij,
daar houdt hij zijne siësta en praat er met zijne buren. Doch het huis
van iederen Japannees is eigenlijk niet anders dan een bali-bali in
het groot, een rustplaats, een tijdelijk verblijf, waarheen men zich
begeeft, nadat de arbeid op de straat of op het veld is afgeloopen;
het is niet het heiligdom van zijn gezin, niet het middelpunt van
geheel zijn leven. Trouwens, deze beteekenis van het huis is niet
wel te verwachten bij een volk , dat van den eenen dag op den anderen
leeft, het gisteren vergeet en zich om het morgen niet bekommert.
Eens woonde ik op eene school eene les bij: een half dozijn kleine
jongens zaten rondom hunnen meester neergehurkt, en zeiden in koor
eenige woorden op. Toen ik naar de beteekenis dier woorden vroeg,
antwoordde men mij, dat de kinderen het irova van buiten leerden: eene
soort van alphabet, waarin niet de klinkers en medeklinkers, maar de
acht-en-veertig grondklanken der japansche taal, in een vierregelig
versje zijn saamgevat. Het eerste woord van dit koepletje is irova:
van daar de naam van het alphabet. Ik liet mij dit versje voorzeggen:
en wat mij het meeste trof, was de beteekenis dezer woorden, die
dag aan dag, aan het andere uiteinde van ons halfrond, door zoo vele
duizende kinderen--immers even als wij met eene onsterfelijke ziel
begaafd?--worden opgezegd. Ziehier dit koepletje:
"Kleur en geur vervliegen.--Wat is er in onze wereld blijvend?--De
dag van heden is verzonken in den afgrond van het niet.--Hij was een
ijdel droombeeld: hij laat geen indruk achter."
Inderdaad, dit nationale a. b. c. liet mij een dieper blik slaan in het
eigenlijke volkskarakter, dan gansche boekdeelen konden doen. Sedert
eeuwen reeds roepen de wegstervende geslachten aan die na hen komen
toe: Er is niets blijvends in de wereld; het heden gaat als een
droom voorbij en laat geen indruk achter. Dat deze wijsbegeerte van
het niet de ziel niet geheel bevredigt, bewijst wel de ontwikkeling
van het godsdienstig gevoel ook in Japan; maar toch mag men aannemen,
dat zij in stilte machtig voortwerkt en haar invloed doet gevoelen in
menige betrekking des levens. Is zij het ook niet, die het comfort
van den huiselijken haard--immers de vrucht van zorg en overleg
voor de toekomst, vernietigt en de huiskamer, het heiligdom van
de herinneringen der kindsheid en van de traditiën der familie,
onmogelijk maakt? De woning van den Japannees is steeds voor de
behoefte van het oogenblik ingericht, en bewaart geene herinnering
aan de vervlogene dagen. Al wat zij poëtisch heeft, ligt in hare
overeenstemming met de buitenwereld. Zoodra de avond valt, worden
de schermen dichtgeschoven, de kamers worden tot slaapvertrekken
ingericht, en in eene hooge houten kooi, met geolied papier beplakt,
wordt een lamp aangestoken, wier schijnsel de duisternis verhelderen
moet, even als het flauwe licht der sterren daar buiten. Maar zoodra
de dag aanbreekt, wordt alles wat aan een slaapvertrek doet denken,
weggeruimd en in een hoek verborgen. Aan alle kanten worden de
schermen geopend en de woning wordt van het eene einde tot het
andere aangeveegd. De morgenlucht kan er vrij door spelen, en de
zonnestralen teekenen breede lichtstrepen op de glinsterende matten,
even als buiten op den akker. Gedurende de heete uren van den middag
daarentegen, wordt het huis zoo dicht gesloten, en weert men lucht
en licht zoo volkomen met zeilen en schermen af, dat men, den drempel
overschrijdende, zou wanen eene duistere grot binnen te treden.--Deze
eigenaardige levensbeschouwing, deze manier om slechts op de uiterlijke
omgeving te letten en het leven te beschouwen als eene reeks van uren,
dagen en jaren, elkander opvolgende zonder verband of samenhang; dit
zich geheel overgeven aan den indruk van het oogenblik,--verhoogt
zeker het genot, maar geeft ook aan de smart en den tegenspoed
eenigermate het karakter der fataliteit en berooft eindelijk den
dood van dat geheimzinnige en ontzagwekkende, dat hij altijd in onze
oogen heeft. Geheel het aanzijn mist daardoor diepte en beteekenis:
men droomt het door, zonder er verder eenige waarde aan te hechten,
dan die het oogenblik medebrengt.--Zij die bij deze levensmanier
het meeste winnen, zijn zonder twijfel de kinderen. Vooreerst is
het voor ieder uitgemaakt, dat het kind van zijn leeftijd genieten
moet. Maar bovendien: vader en moeder volgen denzelfden regel en
vinden in het betrachten daarvan hun grootste vreugd; wel verre dus
van hunne kinderen eenigszins in hun vermaak te storen, moedigen zij
ze daarbij veeleer aan en vermaken zich met hen. Men heeft gezegd, dat
de kinderen in Japan nooit schreien: hierin is voorzeker overdrijving,
maar dat ze bij uitstek veel pret hebben, is waar. Nog andere oorzaken
werken hiertoe mede. De Japannees heeft maar eene echte vrouw. Deze
trouwt zeer jong: hetgeen misschien in menig opzicht verkeerd is,
maar zeker niet uit het oogpunt der opvoeding, waarmede wij ons nu
bezig houden. Bijna zonder overgang verruilt het meisje haar pop voor
haar kind, en nog langen tijd blijft zij zelve kind. Aan den anderen
kant belet haar de gewoonte des lands, haar zuigeling te vertroetelen;
zij moet hem aanstonds aan de lucht gewennen en hem iederen dag naar
buiten brengen, en zelfs met ongedekt en kaalgeschoren hoofd aan de
zon blootstellen. Om zoo lang mogelijk haar kind te kunnen dragen,
zonder zich te veel te vermoeien, plaatst zij het op haar rug,
tusschen haar hemd en den kraag van haar kirimon. Menigmalen ziet
men de boerinnen dus beladen op het veld aan den arbeid, terwijl
achter haar chignon een klein hoofdje te voorschijn komt. Te huis kan
men de kinderen veilig aan zich zelven overlaten: zij mogen rollen,
stoeien, op handen en voeten kruipen, voortscharrelen over de matten,
naar hartelust: nergens toch staat er een meubelstuk, waartegen zij
zich zouden kunnen stooten, of iets, dat zij kunnen beschadigen of
omverwerpen. Tot speelkameraden hebben zij de huisdieren: eene soort
van kleine langharige honden, met korte pooten en waggelende van vet;
en eene bijzondere soort van katten, wit met gele en zwarte vlakken,
zeer slechte muizenvangers, schandelijk lui, maar zeer aanhalig. Even
als op Java, hebben deze dieren geen staart, of liever, hun staart
wordt aan den rug in een knoop saamgebonden en daardoor de verdere
groei belet.
In ieder welgesteld gezin vindt men een aquarium, vol purperen, zilver-
en goudkleurige, haast doorschijnende visschen: sommigen rond als een
bal, anderen voorzien met een breeden en langen staart, die tot roer
dient en als een fijn gaas door het water drijft. Men heeft ook kooien,
uit stengels van bamboesschors vervaardigd, in vorm aan eene sierlijke
woning gelijk, en waarin, op een bed van bloemen, groote vlinders of
krekels, wier geluid bij de inlanders zeer geliefd is, worden bewaard.
Ziedaar, in enkele trekken, de omgeving waarin de jonge Japanner
in volle vrijheid opgroeit: in de eerste en voornaamste plaats, de
natuur, het open veld; en daarna, als bijzaak, het ouderlijk huis,
dat voor hem niet veel meer is dan eene overdekte speelplaats. Zijne
ouders ontzeggen hem noch speelgoed, noch uitspanning, noch feestjes,
zoowel voor hun eigen vermaak als in het belang zijner opvoeding. Het
eigenlijke onderwijs bestaat in het van buiten leeren en opzeggen
van het irova en eenige andere leesoefeningen, en in het schrijven,
of liever teekenen met chineesche inkt, eerst van letters, dan van
woorden, dan van volzinnen. Men maakt daarbij volstrekt geen haast, en
wakkert ook niet, door het uitloven van prijzen, de eerzucht aan: het
geldt hier toch eene zaak, die door hare nuttigheid zich zelve genoeg
aanbeveelt, en eerst door lange oefening kan verkregen worden. Niemand
komt het in de gedachte, zijne kinderen niet te laten onderwijzen. Men
kent noch schoolreglementen, noch schoolplichtigheid, noch examen: en
toch kan de geheele volwassen bevolking, vrouwen zoowel als mannen,
lezen, schrijven en rekenen: dat is, juist wat de groote menigte
eigenlijk alleen behoeft. Zou het japansche stelsel van opvoeding
wel zoo verwerpelijk zijn?