V.

Voorkomen der Japanneezen.--Lichaamsbouw.--Gelaatstrekken.--

Kleederdracht.--Woning en huisraad.--Levenswijze.--Huiselijk

leven. Opvoeding der kinderen.

Om van Benten naar buiten, naar het land, te gaan, is het niet noodig

de japansche stad te doorkruisen. Aan de grens der heilige plaats

begint een breede straatweg, die langs de rivier loopt en op paalwerk

rust; deze weg verheft zich boven de lage straten en het moeras van

Jokohama, en voert naar eene kleine voorstad, grootendeels door arme

werklieden bewoond, en waar een militair wachthuis en een kantoor der

douane worden aangetroffen. Hier gaat ge over de rivier, door middel

van eene fraaie houten brug, die hoog genoeg is om zeilvaartuigen door

te laten, en ge bevindt u op den straatweg aan den linkeroever. Volgt

ge dien weg in noordoostelijke richting, dan komt ge op den grooten

weg naar Kanagawa; slaat ge naar het zuidwesten af, dan bevindt ge

u weldra op een der landwegen, die naar de Mississippi-baai voeren.

Aan alle zijden is het land bebouwd en met talrijke woningen

bezaaid. De alleenstaande woningen nabij den weg, en zelfs de huizen

in de dorpen, zijn doorgaans geheel open. Om koelte te maken,

schuiven de bewoners de beweegbare schermen, waarmede zij hunne

woningen afsluiten, rechts en links weg: het inwendige der huizen

ligt alzoo geheel open voor de blikken der voorbijgangers. Onder

zulke omstandigheden is het niet moeielijk, zich van de inrichting

des huisgezins en de eigenaardigheden van het huiselijk leven een

vrij juist denkbeeld te maken.

Het conventioneele onderscheid tusschen de klassen der japansche

maatschappij berust niet op een wezenlijk verschil van ras of ook

maar van levenswijze. Van den top des heuvels, waarop de residentie

van den gouverneur van Kanagawa verrijst, ziet men aan de eene zijde

neder op eenige gebouwen, tot woning bestemd voor de yakoeninen en

hunne gezinnen; aan de andere zijden op groepen van kleine huizen of

hutten van werklieden en landbouwers. Menigmaal heb ik opgemerkt, hoe

èn hier èn daar dezelfde gewoonten, dezelfde levenswijze heerschten;

met dit verschil alleen, dat wat voor de arme woningen op de openbare

straat geschiedde, in het verblijf der yakoeninen beperkt bleef

tot de door houten beschotten omringde binnenplaatsen. Mijne latere

herhaalde bezoeken bij de hooge ambtenaren van den staat hebben mij in

de overtuiging bevestigd, dat de heerschende type en de levenswijze der

geheele bevolking van het midden des keizerrijks--dat wil zeggen, van

de drie groote eilanden Nippon, Kioe-Sioe en Sikokf--overal dezelfde

zijn, en zich in eenige algemeene trekken laten samenvatten.

De Japanneezen zijn van schrale en middelbare gestalte; veel

zwakker van lichaamsbouw dan de volkeren van zuiver germaansch ras,

gelijken zij wel eenigszins op de bewoners van Spanje en van zuidelijk

Frankrijk. De vrouwen zijn over het algemeen aanmerkelijk kleiner dan

de mannen: dit onderscheid is hier veel meer in het oog vallend dan

in Europa. Volgens Dr. Mohnike, voormalig geneesheer der hollandsche

factorie te Nagasaki, is de middelbare lengte der mannen vijf voet en

een à twee duim, parijsche maat, en die der vrouwen, vier voet en een à

drie duim.--Zonder rechtstreeks mismaakt te zijn, zijn de Japanneezen

toch verre van schoon. Zij hebben een groot hoofd, een korten hals,

eene breede borst, een lang bovenlijf, uitstekende heupen, magere

en korte beenen, maar kleine voeten, en fijn gevormde en dikwijls

bij uitstek fraaie handen. Is het voorhoofd soms wat al te schuin en

steken de wangbeenderen wat ver vooruit, dan gelijkt het hoofd, in

profiel gezien, meer op een driehoek dan op een ovaal. Dit is echter

niet algemeen: maar wel, de weinige diepte der oogholten en de van

boven bijna platte neus, waardoor de oogen veel meer naar voren komen

dan bij de Europeanen. Ook staan ze een weinig schuin. Toch--ik weet

zelf niet waarom--is de algemeene indruk niet die van de chineesche

of mongoolsche type: het hoofd van den Japannees is grooter, zijn

gelaat langwerpiger en, over het algemeen, regelmatiger; ook komt de

neus meer voor en is schooner van vorm, soms zelfs zweemt hij naar

een arendsneus. Moest ik eene vergelijking maken, dan zou ik die eer

zoeken onder de bewoners van den indischen archipel. Dr. Mohnike zegt,

dat de schedel van den Japannees die is van het touranische ras.--Alle

Japanners, zonder onderscheid, hebben glad, zwaar en raafzwart

hair. Het hair der vrouwen is hier niet zoo lang als in Europa of

Indië; dat der mannen komt misschien geheel met het hair der Javanen

overeen, en onderscheidt zich zeer duidelijk van de kroezige hairen der

oorspronkelijke bewoners van de Filippijnsche eilanden en der Alfoeren

uit zuidelijk Australië. De Japanneezen hebben een vrij zwaren baard,

maar zij laten dien niet groeien en scheren zich minstens om de twee

dagen. De kleur hunner huid verschilt bij de verschillende standen, en

doorloopt al de onderscheidene tinten tusschen de donkere koperkleur

uit de binnenlanden van Java en het matte of door de zon gebronsde

wit der bewoners van zuidelijk Europa. De meest heerschende tint is

olijfbruin; nooit ziet ge de leelijke gele kleur der Chineezen. In

tegenstelling met de Europeanen, zijn bij de Japanneezen doorgaans het

gelaat en de handen lichter van kleur dan het overige des lichaams. De

kleine kinderen en de jongelieden van beiderlei kunne hebben, even als

bij ons, eene frissche kleur en blozende wangen. De kleur der vrouwen

is lichter dan die der mannen: in de hoogere standen en zelfs onder de

burgerklasse ziet men vele bijna geheel blanke vrouwen; de adellijke

dames beschouwen de mat-witte tint als de meest gedistingeerde. Toch

zijn zij van hare europeesche zusters door twee onuitwischbare teekenen

gescheiden: vooreerst, door de schuine en ietwat uitpuilende oogen,

en ten andere door eene ingedrukte borst: een misstand, die zelfs

bij de schoonst gevormde jonge vrouwen voorkomt.--Mannen en vrouwen

hebben zwarte oogen, witte en sterke tanden, die door regelmatige

tusschenruimten gescheiden zijn en eenigermate vooruit steken. Het

gebruik wil, dat gehuwde vrouwen hare tanden zwart verwen: misschien

een flauwe herinnering aan Java of Achter-Indië, waar iedereen min of

meer zwarte tanden heeft, door het betel-kauwen. De bewegelijkheid

en de groote verscheidenheid van de gelaatstrekken der Japanners

schijnen mij enkel het gevolg hunner meer verstandelijke, meer vrije

ontwikkeling, waardoor zij zich van de overige aziatische volken

zoo gunstig onderscheiden. De veelvoudigheid van het individueel

karakter drukt zich bij hen, als bij ons, in de verscheidenheid der

physionomieën af.

Het nationale kleedingstuk der Japanneezen is de kirimon, eene soort

van kamerjapon, van voren open, en die bij de vrouwen iets langer en

van fraaier stof is dan bij de mannen. Dit kleed wordt op de borst

overgeslagen en door middel van een gordel saamgebonden: welke gordel

bij de mannen bestaat in een smalle zijden sjerp, en bij de vrouwen

in een breed stuk doek, dat op eene eigenaardige manier van achteren

wordt toegeknoopt. Linnen onderkleederen kent men in Japan niet,

maar ieder neemt er dagelijks een bad. De vrouwen dragen een hemd

van roode krip-zijde. Daarentegen gaan de boeren, de visschers, de

werklieden en koelies, althans in den zomer en als zij aan den arbeid

zijn, bijna geheel naakt; terwijl hunne vrouwen zich slechts een rok

om de heupen binden. Als het regent, slaan zij mantels van stroo of

geolied papier om, en dekken zich het hoofd met bamboezen hoeden,

die, even als op Java, den vorm van een schild hebben. Des winters

dragen de mannen uit het volk, onder den kirimon, een wambuis en een

nauw-sluitenden pantalon van blauw katoen; de vrouwen, een of meer

schoudermantels, met watten gevoerd. De lieden uit de burgerklasse gaan

nooit uit zonder wambuis en pantalon. De kleeding der verschillende

standen verschilt overigens minder in vorm dan wel in stoffage. De

edelen alleen hebben het recht zijden kleederen te dragen; echter

trekken zij hun pronkgewaden slechts aan, wanneer zij naar het hof

gaan of een beleefdheidsbezoek afleggen. De ambtenaren der regeering,

de yakoeninen, dragen, als zij in dienst zijn, een wijden pantalon en,

in plaats van den kirimon, een overkleed met wijde mouwen, dat tot de

dijen afdaalt en niet onsierlijk van vorm is. Het schoeisel is voor

allen hetzelfde, en bestaat in grof linnen sokken en sandalen van

gevlochten stroo of wel van hout, die met een om den grooten teen

geslagen riem worden vastgehecht. Als de wegen morsig zijn, bindt

men aan de voeten eenvoudige houten zolen, op twee dwarsplankjes

rustende. Het grootste gedeelte van het jaar loopen de lieden uit

het volk òf barrevoets òf hoogstens met strooien sandalen. Bij het

binnentreden eener woning, hetzij eigen of vreemde, ontschoeit men

zich en laat zijne sandalen op den drempel staan.

De vloeren der woningen in Japan zijn altijd met matten belegd. Daar de

kamers allen even groot zijn, zoo zelfs, dat er eene vaste maat voor

de matten bestaat,--zij zijn veranderlijk zes voet drie duim lang,

drie voet twee duim breed, en vier duim dik--kan men die altijd

en overal gebruiken. De matten zijn zeer netjes van rijststroo

gevlochten. Door middel der beweegbare schermen, die de afscheiding

tusschen de verschillende kamers vormen, verdeelt de Japannees zijne

woning in zoo vele vertrekken als hij verkiest, echter altijd met

inachtneming der strengste symmetrie, en zonder dat hem dit veel

tijd of moeite kost.--De mat vervangt de plaats van bijna alle andere

meubelen. Zij dient vooreerst voor matras: op haar vlijt de Japannees

zich des nachts neder, in een wijden kamerjapon en een grooten, met

watten gevoerden deken gewikkeld, terwijl een klein, bekleed houten

blok hem tot hoofdkussen dient; op de mat zet hij ook het porceleinen

en verlakt gereedschap neder, dat hij bij zijne maaltijden gebruikt;

de mat wederom is zijn divan, waarop hij nederhurkt met zijne gasten,

om, onder het genot van een kop thee, zonder melk of suiker, en het

rooken van tabak uit mikroskopische pijpen, uren en uren lang te

keuvelen. In de herbergen van Japan vindt men denzelfden toestel, die

op Java onder den naam van bali-bali bekend is: namelijk, eene soort

van beweegbaren houten vloer, of liever eene groote tafel, met matten

belegd en slechts een voet ongeveer boven den grond verheven. Daar,

op dien vloer, zet zich de reiziger neder, daar eet en drinkt hij,

daar houdt hij zijne siësta en praat er met zijne buren. Doch het huis

van iederen Japannees is eigenlijk niet anders dan een bali-bali in

het groot, een rustplaats, een tijdelijk verblijf, waarheen men zich

begeeft, nadat de arbeid op de straat of op het veld is afgeloopen;

het is niet het heiligdom van zijn gezin, niet het middelpunt van

geheel zijn leven. Trouwens, deze beteekenis van het huis is niet

wel te verwachten bij een volk , dat van den eenen dag op den anderen

leeft, het gisteren vergeet en zich om het morgen niet bekommert.

Eens woonde ik op eene school eene les bij: een half dozijn kleine

jongens zaten rondom hunnen meester neergehurkt, en zeiden in koor

eenige woorden op. Toen ik naar de beteekenis dier woorden vroeg,

antwoordde men mij, dat de kinderen het irova van buiten leerden: eene

soort van alphabet, waarin niet de klinkers en medeklinkers, maar de

acht-en-veertig grondklanken der japansche taal, in een vierregelig

versje zijn saamgevat. Het eerste woord van dit koepletje is irova:

van daar de naam van het alphabet. Ik liet mij dit versje voorzeggen:

en wat mij het meeste trof, was de beteekenis dezer woorden, die

dag aan dag, aan het andere uiteinde van ons halfrond, door zoo vele

duizende kinderen--immers even als wij met eene onsterfelijke ziel

begaafd?--worden opgezegd. Ziehier dit koepletje:

"Kleur en geur vervliegen.--Wat is er in onze wereld blijvend?--De

dag van heden is verzonken in den afgrond van het niet.--Hij was een

ijdel droombeeld: hij laat geen indruk achter."

Inderdaad, dit nationale a. b. c. liet mij een dieper blik slaan in het

eigenlijke volkskarakter, dan gansche boekdeelen konden doen. Sedert

eeuwen reeds roepen de wegstervende geslachten aan die na hen komen

toe: Er is niets blijvends in de wereld; het heden gaat als een

droom voorbij en laat geen indruk achter. Dat deze wijsbegeerte van

het niet de ziel niet geheel bevredigt, bewijst wel de ontwikkeling

van het godsdienstig gevoel ook in Japan; maar toch mag men aannemen,

dat zij in stilte machtig voortwerkt en haar invloed doet gevoelen in

menige betrekking des levens. Is zij het ook niet, die het comfort

van den huiselijken haard--immers de vrucht van zorg en overleg

voor de toekomst, vernietigt en de huiskamer, het heiligdom van

de herinneringen der kindsheid en van de traditiën der familie,

onmogelijk maakt? De woning van den Japannees is steeds voor de

behoefte van het oogenblik ingericht, en bewaart geene herinnering

aan de vervlogene dagen. Al wat zij poëtisch heeft, ligt in hare

overeenstemming met de buitenwereld. Zoodra de avond valt, worden

de schermen dichtgeschoven, de kamers worden tot slaapvertrekken

ingericht, en in eene hooge houten kooi, met geolied papier beplakt,

wordt een lamp aangestoken, wier schijnsel de duisternis verhelderen

moet, even als het flauwe licht der sterren daar buiten. Maar zoodra

de dag aanbreekt, wordt alles wat aan een slaapvertrek doet denken,

weggeruimd en in een hoek verborgen. Aan alle kanten worden de

schermen geopend en de woning wordt van het eene einde tot het

andere aangeveegd. De morgenlucht kan er vrij door spelen, en de

zonnestralen teekenen breede lichtstrepen op de glinsterende matten,

even als buiten op den akker. Gedurende de heete uren van den middag

daarentegen, wordt het huis zoo dicht gesloten, en weert men lucht

en licht zoo volkomen met zeilen en schermen af, dat men, den drempel

overschrijdende, zou wanen eene duistere grot binnen te treden.--Deze

eigenaardige levensbeschouwing, deze manier om slechts op de uiterlijke

omgeving te letten en het leven te beschouwen als eene reeks van uren,

dagen en jaren, elkander opvolgende zonder verband of samenhang; dit

zich geheel overgeven aan den indruk van het oogenblik,--verhoogt

zeker het genot, maar geeft ook aan de smart en den tegenspoed

eenigermate het karakter der fataliteit en berooft eindelijk den

dood van dat geheimzinnige en ontzagwekkende, dat hij altijd in onze

oogen heeft. Geheel het aanzijn mist daardoor diepte en beteekenis:

men droomt het door, zonder er verder eenige waarde aan te hechten,

dan die het oogenblik medebrengt.--Zij die bij deze levensmanier

het meeste winnen, zijn zonder twijfel de kinderen. Vooreerst is

het voor ieder uitgemaakt, dat het kind van zijn leeftijd genieten

moet. Maar bovendien: vader en moeder volgen denzelfden regel en

vinden in het betrachten daarvan hun grootste vreugd; wel verre dus

van hunne kinderen eenigszins in hun vermaak te storen, moedigen zij

ze daarbij veeleer aan en vermaken zich met hen. Men heeft gezegd, dat

de kinderen in Japan nooit schreien: hierin is voorzeker overdrijving,

maar dat ze bij uitstek veel pret hebben, is waar. Nog andere oorzaken

werken hiertoe mede. De Japannees heeft maar eene echte vrouw. Deze

trouwt zeer jong: hetgeen misschien in menig opzicht verkeerd is,

maar zeker niet uit het oogpunt der opvoeding, waarmede wij ons nu

bezig houden. Bijna zonder overgang verruilt het meisje haar pop voor

haar kind, en nog langen tijd blijft zij zelve kind. Aan den anderen

kant belet haar de gewoonte des lands, haar zuigeling te vertroetelen;

zij moet hem aanstonds aan de lucht gewennen en hem iederen dag naar

buiten brengen, en zelfs met ongedekt en kaalgeschoren hoofd aan de

zon blootstellen. Om zoo lang mogelijk haar kind te kunnen dragen,

zonder zich te veel te vermoeien, plaatst zij het op haar rug,

tusschen haar hemd en den kraag van haar kirimon. Menigmalen ziet

men de boerinnen dus beladen op het veld aan den arbeid, terwijl

achter haar chignon een klein hoofdje te voorschijn komt. Te huis kan

men de kinderen veilig aan zich zelven overlaten: zij mogen rollen,

stoeien, op handen en voeten kruipen, voortscharrelen over de matten,

naar hartelust: nergens toch staat er een meubelstuk, waartegen zij

zich zouden kunnen stooten, of iets, dat zij kunnen beschadigen of

omverwerpen. Tot speelkameraden hebben zij de huisdieren: eene soort

van kleine langharige honden, met korte pooten en waggelende van vet;

en eene bijzondere soort van katten, wit met gele en zwarte vlakken,

zeer slechte muizenvangers, schandelijk lui, maar zeer aanhalig. Even

als op Java, hebben deze dieren geen staart, of liever, hun staart

wordt aan den rug in een knoop saamgebonden en daardoor de verdere

groei belet.

In ieder welgesteld gezin vindt men een aquarium, vol purperen, zilver-

en goudkleurige, haast doorschijnende visschen: sommigen rond als een

bal, anderen voorzien met een breeden en langen staart, die tot roer

dient en als een fijn gaas door het water drijft. Men heeft ook kooien,

uit stengels van bamboesschors vervaardigd, in vorm aan eene sierlijke

woning gelijk, en waarin, op een bed van bloemen, groote vlinders of

krekels, wier geluid bij de inlanders zeer geliefd is, worden bewaard.

Ziedaar, in enkele trekken, de omgeving waarin de jonge Japanner

in volle vrijheid opgroeit: in de eerste en voornaamste plaats, de

natuur, het open veld; en daarna, als bijzaak, het ouderlijk huis,

dat voor hem niet veel meer is dan eene overdekte speelplaats. Zijne

ouders ontzeggen hem noch speelgoed, noch uitspanning, noch feestjes,

zoowel voor hun eigen vermaak als in het belang zijner opvoeding. Het

eigenlijke onderwijs bestaat in het van buiten leeren en opzeggen

van het irova en eenige andere leesoefeningen, en in het schrijven,

of liever teekenen met chineesche inkt, eerst van letters, dan van

woorden, dan van volzinnen. Men maakt daarbij volstrekt geen haast, en

wakkert ook niet, door het uitloven van prijzen, de eerzucht aan: het

geldt hier toch eene zaak, die door hare nuttigheid zich zelve genoeg

aanbeveelt, en eerst door lange oefening kan verkregen worden. Niemand

komt het in de gedachte, zijne kinderen niet te laten onderwijzen. Men

kent noch schoolreglementen, noch schoolplichtigheid, noch examen: en

toch kan de geheele volwassen bevolking, vrouwen zoowel als mannen,

lezen, schrijven en rekenen: dat is, juist wat de groote menigte

eigenlijk alleen behoeft. Zou het japansche stelsel van opvoeding

wel zoo verwerpelijk zijn?

Japan De Aarde en haar Volken, 1867 · 第 6 / 12 题