IV.

Op het land en aan de zee.--De kustbewoners.--Japansche

landschappen.--De landbouw.--Rijstcultuur.

Ik heb u in onze buurt rondgeleid en met hare bewoners doen kennis

maken; volg mij nu naar buiten: ook daar wachten ons goede vrienden en

bekenden. Ge hebt immers toch ook een hart, om de sprake der heerlijke

natuur te verstaan; ge gevoelt u immers toch ook wel aangetrokken door

dat rijke leven rondom u, zich in zoo veelvuldige, zoo geheimzinnige

vormen openbarende? Voor mij ten minste: mijne trouwste gezellen zijn

hier de vogelen: zij verlaten mij bijna nooit, en ik... inderdaad,

ik schat hun gezelschap op hoogen prijs en reken hen onder mijne

beste vrienden in dit vreemde land. Toch durf ik mij niet vleien,

dat mijne vlugge gasten alleen om mijnentwil zich in zoo grooten

getale hier verzamelen. Juist aan den voet van ons terras spoelt de

zee voortdurend eene menigte overblijfsels van planten en gewassen

aan het strand; en met dezen ook duizende kleine visschen, schaal-

en weekdieren van allerlei soort, nu eens nog levend en half verbluft

door den plotselingen overgang, dan reeds gedood door den schok der

golven op de rotsige kust. Deze allen zijn de dagelijksche spijze

van een groot aantal vogels, verschillend in grootte, in gevederte,

in stem. Zoodra de eb begint, komen zij van alle kanten haastig

aanvliegen, en tijgen rusteloos aan den arbeid voor zich zelven en

voor hun kroost. Verheft zich de vloed weder, dan keeren zij, met

loome vlucht, naar hunne nesten terug. Waar huizen zij? Sommigen

op het wijduitgestrekte dak onzer woningen, anderen in de cederen

van den tuin, de pijnboomen van de wijk der yakoeninen, de gewijde

bosschage van Benten, of ook wel op de heuvelen en in de moerassen

rondom Jokohama. Onder deze vogels komt wel eene eerste plaats toe

aan de musch, den wereldburger, dien ge overal wedervindt en overal

dezelfde: altijd even rumoerig, even zelfzuchtig, even onbeschaamd:

rusteloos jacht makende op insecten en vliegen en wormen, en zijn

aandeel rijkelijk nemende van het graan, ginds bij de ontscheping

uit de zakken gevallen. Ons dak herbergt eene gansche kolonie van

duiven, die niemand weet van waar gekomen zijn, en die in volstrekte

onafhankelijkheid leven. Zij gelijken op onze europeesche duiven, even

als de musschen op alle musschen ter wereld. De raven echter schijnen

mij tot eene bijzondere soort, aan China en Japan eigen, te behooren:

zij zijn eer klein dan groot, en hun geschreeuw klinkt eenigszins

anders dan wij in Europa gewoon zijn. De kraaien maken een klagend

geluid, dat bijna op eene menschelijke stem gelijkt. Een lust is het,

den scherpen, doordringenden kreet van arend of sperwer te hooren:

vooral des avonds, bij het plechtstatig ruischen der golven en de

duizenderlei stemmen van het woud, als de frissche zeewind door de

hooge takken der ceders vaart.

Ik zeide het reeds: al deze gevleugelde gasten van Benten zijn zeer

tam en familiaar: de sperwers strijken onbeschroomd neder op onzen

vlaggestok of op ons dak, waar zij wellicht eene geheime bergplaats

hebben gevonden voor hun gevangen visch. Wandel ik door den tuin, dan

denken de raven en duiven, die op de paden heen en weder trippelen,

er niet aan, weg te vliegen: och neen, zij gaan eenvoudig wat op zijde,

om ruimte voor mij te maken, en staren mij, met schuin opgeheven kop,

nieuwsgierig aan. Maar er zijn nog andere vogels, die ik slechts

van verre kan zien. Dat zijn in de eerste plaats gansche zwermen

van zeemeeuwen, die om de ter reede geankerde schepen heenvliegen,

of de in zee geworpen balen van rijststroo napluizen, waarin de

mondbehoeften der bemanning aan boord werd gebracht. Verderop, in de

stille kreken van den zeearm, die ons van het dorp Kanagawa scheidt,

vlak tegenover mijne vensters, huizen over dag geheele benden van wilde

eenden en ganzen, die haar voedsel zoeken in de dichte rietbosschen;

is de zon ondergegaan, dan vliegen zij met groot gedruisch op, om

hunne nachtverblijven te gaan opzoeken in de kanalen van gindsche

rijstvelden, en beschrijven in de lucht allerlei sierlijke figuren en

slingerende lijnen. De moede karavane vervolgt zwijgend haren weg;

van tijd tot tijd slechts hoort ge twee of drie gerekte kreten,

als het kommando van een veldoverste, die zijne benden bijeenroept.

Al deze bewoners der lucht en der wateren hebben de gezelligheid

lief en leven in troepen bij elkander: maar er zijn ook anderen,

die de eenzaamheid zoeken. Zie daar een hunner, en niet een der minst

schilderachtigen: de schuwe reiger, geduldig wachtende op zijne prooi,

het oog onafgewend op de heldere wateren gevestigd, het lichaam in rust

op een zijner lange pooten, terwijl de andere tusschen zijne vederen

verscholen is. Hoe goed komt dat schitterend wit van zijn gevederte

uit tegen dien achtergrond van hooge rieten en de sierlijke stengels

der waterlelies. Soms ziet ge hem onder een gewelf van overhangende

pijn- of wilgentakken: eene geheimzinnige lichtverschijning te midden

der donkere schaduw: inderdaad, het is als wist deze vogel welke

omgeving het best voegt bij zijne eenzame, ietwat melancholische

figuur en levenswijze. Een geheel anderen indruk maakt de kraan. Als

deze schoone vogel, van zijne haast voor het oog onbereikbare hoogte

in de blauwe lucht, langzaam en statig naar de aarde daalt, doet

hij onwillekeurig aan een hemelbode denken. Geen wonder dan ook, dat

het volksgeloof den kraanvogel bijzonder heilig acht, als gewijd aan

den dienst van een of ander der talrijke halfgoden uit de japansche

mythologie. Onzichtbaar voor het sterfelijke oog, troont de hemelgeest

rustig op de breede vleugelen van den Tsouri, zoo als de Japanners

de kraan noemen; of liever, van Zijne Heerlijkheid den kraanvogel,

O-Tsouri-sama: want met dezen titel spreekt hem het landvolk aan,

als gold het een kami of een heilige. Met de schildpad is de kraan

voor de Japanners het symbool van een lang en gelukkig leven; naar

hunne schatting bestaat het geluk in gemoedsrust en kalmte van geest.

De meeste inlanders, die langs de baai wonen, leiden in menig

opzicht een leven, aan dat der zoo even genoemde vogelen niet

ongelijk. Terwijl de visschers gansche dagen ver van de kust zwerven,

en hunne ranke vaartuigjes zachtkens voortglijden te midden der zwermen

van zeevogels, even rustig dobberende op de deining der golven:--ziet

men, bij invallende eb, geheele scharen van vrouwen en kinderen zich

naar het strand spoeden. Tred voor tred volgen zij de wijkende zee,

en vergaderen in hare matten korfjes den overvloedigen en veelvoudigen

oogst, dien de oceaan achterlaat. Het zijn eetbare zeeplanten, oesters,

mosselen, kleine visschen, schelpdieren van allerlei soort. Krabben

en kreeften vooral wekken de begeerlijkheid op: en dat te meer,

omdat het vangen dezer wonderlijke schepsels, die zich met eene haast

onbegrijpelijke snelheid in alle richtingen kunnen voortbewegen, ver

van gemakkelijk is. Hoe ze, onder luid gelach en geschreeuw, worden

nagejaagd tot in hunne laatste schuilhoeken! en welk een pret, als

het vervolgde dier eindelijk onder een steen vlucht, die dan dadelijk

met een langen bamboes, aan het einde van een ijzeren haak voorzien,

wordt omgewenteld! Geen uitkomst meer voor den armen vluchteling,

die nu den buit, in de korf vergaard, helpt vermeerderen.

Wij zijn op zeer goeden voet met elkander, die brave kustbewoners en

ik. Als ik langs het strand wandel, bejegent mij menige vriendelijke

groet; de kinderen brengen mij mooie schelpen; de vrouwen pogen

mij de voortreffelijkheden te doen begrijpen van de afschuwelijke,

kleine monsters, die zij gretig in hare korfjes verzamelen. Deze

goedhartigheid en vriendelijkheid is trouwens aan de volksklasse in

Japan overal eigen. Meer dan eens werd ik, op mijne voetreizen in de

omstreken van Jokohama of Nagasaki, door de landlieden uitgenoodigd

hunne woning binnen te treden. Daar moest ik de bloemen in hun tuin

zien, en doorgaans sneden zij eenige der schoonsten af, om daarvan voor

mij een ruiker te vlechten. Vergeefs poogde ik hun daarvoor eenig geld

te doen aannemen; integendeel, ik mocht niet vertrekken, voor ik in

de huiskamer een kop thee had gedronken en van de rijsttaart gegeten.

Die wandelingen langs de baai van Jedo zijn zoo schoon, en vooral

in de lente. Bestijg dan een der heuvelen aan de kust, en laat

uwe blikken weiden over het binnenland tot aan den voet van den

Foesi-Jama: het is eene aaneenschakeling van boschrijke heuvelen en

vruchtbare dalen, doorslingerd met rivieren, hier en daar afgebroken

door kreken en inhammen, die van verre op meren gelijken. Langs de

oevers dezer wateren ziet ge, half in het geboomte weggescholen,

welvarende dorpen; en, verspreid te midden der vlakte, groote

bouwhoeven door tuinen omringd, waar schaduwrijke lanen heenvoeren. De

vroegtijdige ontwikkeling van den plantengroei in de rijstvelden

en op de bebouwde heuvelen geeft echter in Japan aan de lente een

eigenaardig karakter van rijpheid en van ernst, dat overal elders

aan dit lachende jaargetijde der hoop vreemd is. Ook dragen daartoe

bij de vele altijd groene boomen, die aan alle kanten, waarheen ge

ook ziet, uw oog treffen, en u des te meer het teedere groen onzer

ontluikende bosschen doen betreuren. En toch zoudt ge moeilijk

een weelderiger groeikracht, een rijker en vriendelijker lentedos

kunnen vinden. Tegen de sombere tinten van het dichte gebladerte

van eiken, dennen, cederen, cypressen, laurierboomen en bamboes;

die den achtergrond van het landschap vormen, komen zoo schoon en zoo

bevallig de schitterende kleuren uit der bloesems en bloemen, in de

hagen en de gaarden, en rondom de dorpen. Hier ziet ge de groote witte

bloemen van den wilden moerbeziënboom; elders prachtige camelia's,

die hier in het open veld groeien en de grootte onzer appelboomen

bereiken; nog verder bloeiende kersen- en pruimen- en perzikenboomen,

de meesten prijkende met dubbele bloemen, witte en vuurroode, soms

op denzelfden tak: want de Japanneezen, die op de vrucht dezer

boomen weinig prijs stellen, kweeken ze doorgaans alleen aan, om

dubbele bloesems te verkrijgen en alzoo de soorten te wijzigen en

te vermenigvuldigen. Het bamboes, dat dikwijls voor heg of staketsel

dient, mengt vaak zijn sierlijke bladeren met hunne bebloemde dorens

aan de buigende takken der jonge vruchtboomen, wier eenige tooi hunne

bloesemtrossen zijn. Maar schooner nog is het bamboes, wanneer het

alleen staat en in krachtige groepen, als bundels reusachtige rieten,

uit den grond rijst. Niets schilderachtiger, dan die hooge, gladde,

groene stengels; met hun gouden weerglans en dicht bewassen kronen;

en rondom de stevige middenzuilen, die slanke en buigbare twijgen met

hare wapperende pluimen, en die menigte lange bladeren, golvende op

den wind, als duizende wuivende wimpels.

De wegen zijn meestal met viooltjes omzoomd, maar deze missen haar

geur. Over het geheel is het getal welriekende bloemen hier uiterst

gering. Het is opmerkelijk, dat zangvogels, zoo als leeuweriken,

nachtegalen en anderen, even zeldzaam zijn. Aan dit gemis van

bloemengeur en vogelenzang is het wellicht voor een groot deel toe

te schrijven, dat de japansche landschappen, ondanks hun weelderigen

plantengroei en rijke fauna, niet dien indruk maken, dien men op het

eerste gezicht verwachten zou. Zeker is het, dat ge hier nooit die

zachte aandoening, die wegslepende bekoring gevoelt, die de aanblik van

een schoon europeesch landschap, bij het eerst ontwaken der natuur, in

ieder ontvankelijk gemoed onfeilbaar verwekt. Maar daargelaten nog in

hoeverre dit gevoel wordt verlevendigd door persoonlijke herinneringen,

plaatselijke omstandigheden en traditioneele begrippen, die in de

wereld van het verre Oosten niet te pas komen: zoo is er, naar ik meen,

nog een andere reden, waarom de natuur ons hier onverschilliger laat:

zij is te veel gecultiveerd. Met uitzondering van de weinige nog

overgebleven oorspronkelijke wouden, en van de opzettelijk aangelegde

bosschen, voor wier instandhouding de regeering nauwlettend waakt,

is de grond overal door den landbouw ingenomen. Dit is nu wel goed

en voortreffelijk in de oogen van een econoom of statisticus, in

wiens schatting heuvel en dal en gaarde, land en zee, geen andere

bestemming hebben dan zooveel mogelijk voort te brengen:--maar de

dichter, de kunstenaar, de minnaar der schoone natuur, zij allen,

die het maar niet kunnen gelooven, dat Gods prachtige schepping niets

meer zou zijn dan een markt of een koophuis, zij allen hebben daar wel

iets tegen in te brengen. Te midden dier overstelpende vruchtbaarheid

kan hun soms een zoo innig heimwee overvallen naar de bruine hei, naar

de blonde duinen, naar de groene grasvelden der oneindige prairieën,

naar de doodsche vlakte der woestijn zelfs! Wilt ge u een denkbeeld

maken van de japansche natuur, vergun mij dan u eene der valleien in

den omtrek van Jedo te beschrijven.--Wij zijn eerst in April, en reeds

staan de boekweitvelden, die de hooge bosschen boven op de heuvelen

omzoomen, in vollen bloei. De rogge- en tarwehalmen, die iets lager

groeien, en in November zijn gezaaid, zullen binnen vier of vijf weken

voor den sikkel des maaiers vallen. In Japan wordt het koren gezaaid,

even als men in Europa de aardappelen poot: dat wil zeggen, in rechte

lijnen en regelmatige vakken;--tusschen iedere voor blijft alzoo

eene open ruimte, en daar ziet ge weer een ander gewas uitspruiten:

dat zijn bonen, die op zullen schieten, zoodra het veld afgemaaid zal

zijn.--Dat groene tapijt, dat ge misschien eerst voor een grasveld of

uitspruitend koren hebt aangezien, is gierst, die in Maart is gezaaid,

en in September rijp zal wezen. In het veld daarnevens ziet ge een

boer, die zijn kleinen, met één paard bespannen ploeg voortdrijft. Hij

zal katoenzaad in de voren strooien; en in September of October

reeds zal uit ieder zaadje eene plant van twee of drie voet hoog

zijn opgeschoten, prijkende met een twintigtal rijpe bollen. Eenige

witte vogels, van het geslacht der steltloopers, der ooievaars of

kranen, schijnen den landman in zijn arbeid behulpzaam te zijn: met

deftigen stap volgen zij hem en steken telkens hunne lange bekken in

de geopende voor: zij verslinden gretig al de wormen en insecten, die

de ploeg uit hare stille verblijven heeft opgeschrikt.--De bodem der

vallei is voor de rijstcultuur bestemd. Ongeveer een maand geleden,

heeft men de besproeiingssluizen geopend en den grond onder water

gezet. Toen is de ploeg er doorheen gegaan, en de doorweekte bodem

bovendien gekneed door de buffels en de landlieden, die zelven

tot aan de knieën in het water plasten en de harde kluiten met de

spade verbrijzelden. Nadat zoo de grond tot een soort van vloeibare

pap was gevormd, is met het zaaien een aanvang gemaakt. Mannen en

vrouwen, voetje voor voetje over de uitstekende dijkjes voortgaande,

hebben met volle handen het zaad gestrooid in de afgepaste vakken,

die tot kweekbedden moeten dienen, en die daarop nog eens met eene

soort van egge zijn omgewoeld, om het zaad te bedelven en den grond

te effenen. Nu is het water weggeloopen; de kweekbedden zijn met een

kort, dicht gewas begroeid, dat met wortel en al wordt uitgetrokken:

maar alleen om de stengels zorgvuldig, in gelijke vakken, over te

planten in den weeken bodem der tot dusver ledig gebleven grootere

bedden. Daar moet nu de rijst verder groeien, tot zij tegen de

maand October haar volle rijpheid zal hebben bereikt. Maar in dien

tusschentijd heeft zij met een ergen vijand te kampen: een klein,

mooi vogeltje, met roode en witte vederen. Als eene vernielende

hagelbui strijken deze gasten in dichte zwermen op de volle halmen

neder, en doen de rijpe vrucht ter aarde vallen. Het is inderdaad een

genot hun gefladder en gewemel, hun getrappel en rumoerige beweging

te zien, en hunne luide vreugdekreten te hooren. Jammer maar, dat

de eigenaar van het rijstveld zelden in de rechte stemming is, om

dit genot te smaken. Veeleer verzint hij allerlei middelen, om de

aardige vogeltjes weg te jagen. Op de meest bedreigde punten zet hij

draaimolens van bamboes; stokken, met strooien mantels omhangen en

dito hoeden gedekt; poppen, met boog en pijlen gewapend, en mikkende

op de roovers..... Maar helaas! niets van dat alles heeft tot dusver

de diefachtige vogels kunnen bekeeren! Zoo heeft men zich verplicht

gezien, tot een uiterst middel de toevlucht te nemen; men heeft boven

het gansche rijstveld een net van gevlochten stroo uitgespannen, met

afhangende bossen en bundels van dezelfde stof. En zelfs dit helpt

niet, tenzij deze toestel voortdurend in beweging worde gehouden. Dat

is, als het niet waait, de taak van een kleinen jongen, die den

ganschen langen dag, door middel van een touw, het beschermende

net onophoudelijk heen en weer doet golven. Als het dijkje rondom

het rijstveld niet hoog genoeg is, om het kind behoorlijk te kunnen

plaatsen, richt men hem op vier bamboespalen een verheven zetel op,

door een rieten dakje beschermd.

De theeplant wordt in onze omstreken niet aangekweekt. Soms ziet

men haar wel, op zeer gunstig gelegen plaatsen; maar de eigenlijke

theedistricten liggen vele dagreizen ten noorden van de baai. Veel

dichter bij is de streek waar de zijde wordt vervaardigd en niets zou

beletten, dat deze industrie ook in onze onmiddellijke nabijheid werd

uitgeoefend, zoo er slechts de noodige plaats te vinden was voor het

planten der moerbeziënboomen. Het komt mij voor, dat het landvolk in

deze streek, en misschien over het algemeen aan de zuidkust van Nippon,

aan de bewoners van het binnenland de aankweeking der belangrijkste

uitvoerartikelen, zooals zijde, thee en zelfs katoen--die hier ook

maar schaars wordt aangetroffen--overlaat, om zich meer uitsluitend,

hetzij aan de vischvangst en scheepvaart, hetzij aan den eigenlijk

gezegden land- en tuinbouw, te wijden.

Ziedaar een getrouw beeld der japansche natuur in de vruchtbare

dalen, die op de golf van Jedo uitloopen. Ginds, bij den Foesi-Jama,

in de bergen van Akoni, zouden wij waarschijnlijk andere tooneelen

zien. Reeds de menschen, die van tijd tot tijd van daar komen om

in het lage land handel te drijven of werk te zoeken, onderscheiden

zich door hun krachtiger lichaamsbouw, hun fier voorkomen en vrije

manieren zeer duidelijk van de zachtaardige en vriendelijke, maar

tevens ook wat slaafsche en weekelijke bewoners der valleien. Doch

ongelukkig is de toegang tot die landstreek, voor als nog (1867), voor

de vreemdelingen zoo goed als gesloten, en zal, om niet slechts met den

landbouw, maar ook met de industriëele werkzaamheid van het japansche

volk volledig kennis te maken, later tijd moeten worden afgewacht.

Japan De Aarde en haar Volken, 1867 · 第 5 / 12 题