Op het land en aan de zee.--De kustbewoners.--Japansche
landschappen.--De landbouw.--Rijstcultuur.
Ik heb u in onze buurt rondgeleid en met hare bewoners doen kennis
maken; volg mij nu naar buiten: ook daar wachten ons goede vrienden en
bekenden. Ge hebt immers toch ook een hart, om de sprake der heerlijke
natuur te verstaan; ge gevoelt u immers toch ook wel aangetrokken door
dat rijke leven rondom u, zich in zoo veelvuldige, zoo geheimzinnige
vormen openbarende? Voor mij ten minste: mijne trouwste gezellen zijn
hier de vogelen: zij verlaten mij bijna nooit, en ik... inderdaad,
ik schat hun gezelschap op hoogen prijs en reken hen onder mijne
beste vrienden in dit vreemde land. Toch durf ik mij niet vleien,
dat mijne vlugge gasten alleen om mijnentwil zich in zoo grooten
getale hier verzamelen. Juist aan den voet van ons terras spoelt de
zee voortdurend eene menigte overblijfsels van planten en gewassen
aan het strand; en met dezen ook duizende kleine visschen, schaal-
en weekdieren van allerlei soort, nu eens nog levend en half verbluft
door den plotselingen overgang, dan reeds gedood door den schok der
golven op de rotsige kust. Deze allen zijn de dagelijksche spijze
van een groot aantal vogels, verschillend in grootte, in gevederte,
in stem. Zoodra de eb begint, komen zij van alle kanten haastig
aanvliegen, en tijgen rusteloos aan den arbeid voor zich zelven en
voor hun kroost. Verheft zich de vloed weder, dan keeren zij, met
loome vlucht, naar hunne nesten terug. Waar huizen zij? Sommigen
op het wijduitgestrekte dak onzer woningen, anderen in de cederen
van den tuin, de pijnboomen van de wijk der yakoeninen, de gewijde
bosschage van Benten, of ook wel op de heuvelen en in de moerassen
rondom Jokohama. Onder deze vogels komt wel eene eerste plaats toe
aan de musch, den wereldburger, dien ge overal wedervindt en overal
dezelfde: altijd even rumoerig, even zelfzuchtig, even onbeschaamd:
rusteloos jacht makende op insecten en vliegen en wormen, en zijn
aandeel rijkelijk nemende van het graan, ginds bij de ontscheping
uit de zakken gevallen. Ons dak herbergt eene gansche kolonie van
duiven, die niemand weet van waar gekomen zijn, en die in volstrekte
onafhankelijkheid leven. Zij gelijken op onze europeesche duiven, even
als de musschen op alle musschen ter wereld. De raven echter schijnen
mij tot eene bijzondere soort, aan China en Japan eigen, te behooren:
zij zijn eer klein dan groot, en hun geschreeuw klinkt eenigszins
anders dan wij in Europa gewoon zijn. De kraaien maken een klagend
geluid, dat bijna op eene menschelijke stem gelijkt. Een lust is het,
den scherpen, doordringenden kreet van arend of sperwer te hooren:
vooral des avonds, bij het plechtstatig ruischen der golven en de
duizenderlei stemmen van het woud, als de frissche zeewind door de
hooge takken der ceders vaart.
Ik zeide het reeds: al deze gevleugelde gasten van Benten zijn zeer
tam en familiaar: de sperwers strijken onbeschroomd neder op onzen
vlaggestok of op ons dak, waar zij wellicht eene geheime bergplaats
hebben gevonden voor hun gevangen visch. Wandel ik door den tuin, dan
denken de raven en duiven, die op de paden heen en weder trippelen,
er niet aan, weg te vliegen: och neen, zij gaan eenvoudig wat op zijde,
om ruimte voor mij te maken, en staren mij, met schuin opgeheven kop,
nieuwsgierig aan. Maar er zijn nog andere vogels, die ik slechts
van verre kan zien. Dat zijn in de eerste plaats gansche zwermen
van zeemeeuwen, die om de ter reede geankerde schepen heenvliegen,
of de in zee geworpen balen van rijststroo napluizen, waarin de
mondbehoeften der bemanning aan boord werd gebracht. Verderop, in de
stille kreken van den zeearm, die ons van het dorp Kanagawa scheidt,
vlak tegenover mijne vensters, huizen over dag geheele benden van wilde
eenden en ganzen, die haar voedsel zoeken in de dichte rietbosschen;
is de zon ondergegaan, dan vliegen zij met groot gedruisch op, om
hunne nachtverblijven te gaan opzoeken in de kanalen van gindsche
rijstvelden, en beschrijven in de lucht allerlei sierlijke figuren en
slingerende lijnen. De moede karavane vervolgt zwijgend haren weg;
van tijd tot tijd slechts hoort ge twee of drie gerekte kreten,
als het kommando van een veldoverste, die zijne benden bijeenroept.
Al deze bewoners der lucht en der wateren hebben de gezelligheid
lief en leven in troepen bij elkander: maar er zijn ook anderen,
die de eenzaamheid zoeken. Zie daar een hunner, en niet een der minst
schilderachtigen: de schuwe reiger, geduldig wachtende op zijne prooi,
het oog onafgewend op de heldere wateren gevestigd, het lichaam in rust
op een zijner lange pooten, terwijl de andere tusschen zijne vederen
verscholen is. Hoe goed komt dat schitterend wit van zijn gevederte
uit tegen dien achtergrond van hooge rieten en de sierlijke stengels
der waterlelies. Soms ziet ge hem onder een gewelf van overhangende
pijn- of wilgentakken: eene geheimzinnige lichtverschijning te midden
der donkere schaduw: inderdaad, het is als wist deze vogel welke
omgeving het best voegt bij zijne eenzame, ietwat melancholische
figuur en levenswijze. Een geheel anderen indruk maakt de kraan. Als
deze schoone vogel, van zijne haast voor het oog onbereikbare hoogte
in de blauwe lucht, langzaam en statig naar de aarde daalt, doet
hij onwillekeurig aan een hemelbode denken. Geen wonder dan ook, dat
het volksgeloof den kraanvogel bijzonder heilig acht, als gewijd aan
den dienst van een of ander der talrijke halfgoden uit de japansche
mythologie. Onzichtbaar voor het sterfelijke oog, troont de hemelgeest
rustig op de breede vleugelen van den Tsouri, zoo als de Japanners
de kraan noemen; of liever, van Zijne Heerlijkheid den kraanvogel,
O-Tsouri-sama: want met dezen titel spreekt hem het landvolk aan,
als gold het een kami of een heilige. Met de schildpad is de kraan
voor de Japanners het symbool van een lang en gelukkig leven; naar
hunne schatting bestaat het geluk in gemoedsrust en kalmte van geest.
De meeste inlanders, die langs de baai wonen, leiden in menig
opzicht een leven, aan dat der zoo even genoemde vogelen niet
ongelijk. Terwijl de visschers gansche dagen ver van de kust zwerven,
en hunne ranke vaartuigjes zachtkens voortglijden te midden der zwermen
van zeevogels, even rustig dobberende op de deining der golven:--ziet
men, bij invallende eb, geheele scharen van vrouwen en kinderen zich
naar het strand spoeden. Tred voor tred volgen zij de wijkende zee,
en vergaderen in hare matten korfjes den overvloedigen en veelvoudigen
oogst, dien de oceaan achterlaat. Het zijn eetbare zeeplanten, oesters,
mosselen, kleine visschen, schelpdieren van allerlei soort. Krabben
en kreeften vooral wekken de begeerlijkheid op: en dat te meer,
omdat het vangen dezer wonderlijke schepsels, die zich met eene haast
onbegrijpelijke snelheid in alle richtingen kunnen voortbewegen, ver
van gemakkelijk is. Hoe ze, onder luid gelach en geschreeuw, worden
nagejaagd tot in hunne laatste schuilhoeken! en welk een pret, als
het vervolgde dier eindelijk onder een steen vlucht, die dan dadelijk
met een langen bamboes, aan het einde van een ijzeren haak voorzien,
wordt omgewenteld! Geen uitkomst meer voor den armen vluchteling,
die nu den buit, in de korf vergaard, helpt vermeerderen.
Wij zijn op zeer goeden voet met elkander, die brave kustbewoners en
ik. Als ik langs het strand wandel, bejegent mij menige vriendelijke
groet; de kinderen brengen mij mooie schelpen; de vrouwen pogen
mij de voortreffelijkheden te doen begrijpen van de afschuwelijke,
kleine monsters, die zij gretig in hare korfjes verzamelen. Deze
goedhartigheid en vriendelijkheid is trouwens aan de volksklasse in
Japan overal eigen. Meer dan eens werd ik, op mijne voetreizen in de
omstreken van Jokohama of Nagasaki, door de landlieden uitgenoodigd
hunne woning binnen te treden. Daar moest ik de bloemen in hun tuin
zien, en doorgaans sneden zij eenige der schoonsten af, om daarvan voor
mij een ruiker te vlechten. Vergeefs poogde ik hun daarvoor eenig geld
te doen aannemen; integendeel, ik mocht niet vertrekken, voor ik in
de huiskamer een kop thee had gedronken en van de rijsttaart gegeten.
Die wandelingen langs de baai van Jedo zijn zoo schoon, en vooral
in de lente. Bestijg dan een der heuvelen aan de kust, en laat
uwe blikken weiden over het binnenland tot aan den voet van den
Foesi-Jama: het is eene aaneenschakeling van boschrijke heuvelen en
vruchtbare dalen, doorslingerd met rivieren, hier en daar afgebroken
door kreken en inhammen, die van verre op meren gelijken. Langs de
oevers dezer wateren ziet ge, half in het geboomte weggescholen,
welvarende dorpen; en, verspreid te midden der vlakte, groote
bouwhoeven door tuinen omringd, waar schaduwrijke lanen heenvoeren. De
vroegtijdige ontwikkeling van den plantengroei in de rijstvelden
en op de bebouwde heuvelen geeft echter in Japan aan de lente een
eigenaardig karakter van rijpheid en van ernst, dat overal elders
aan dit lachende jaargetijde der hoop vreemd is. Ook dragen daartoe
bij de vele altijd groene boomen, die aan alle kanten, waarheen ge
ook ziet, uw oog treffen, en u des te meer het teedere groen onzer
ontluikende bosschen doen betreuren. En toch zoudt ge moeilijk
een weelderiger groeikracht, een rijker en vriendelijker lentedos
kunnen vinden. Tegen de sombere tinten van het dichte gebladerte
van eiken, dennen, cederen, cypressen, laurierboomen en bamboes;
die den achtergrond van het landschap vormen, komen zoo schoon en zoo
bevallig de schitterende kleuren uit der bloesems en bloemen, in de
hagen en de gaarden, en rondom de dorpen. Hier ziet ge de groote witte
bloemen van den wilden moerbeziënboom; elders prachtige camelia's,
die hier in het open veld groeien en de grootte onzer appelboomen
bereiken; nog verder bloeiende kersen- en pruimen- en perzikenboomen,
de meesten prijkende met dubbele bloemen, witte en vuurroode, soms
op denzelfden tak: want de Japanneezen, die op de vrucht dezer
boomen weinig prijs stellen, kweeken ze doorgaans alleen aan, om
dubbele bloesems te verkrijgen en alzoo de soorten te wijzigen en
te vermenigvuldigen. Het bamboes, dat dikwijls voor heg of staketsel
dient, mengt vaak zijn sierlijke bladeren met hunne bebloemde dorens
aan de buigende takken der jonge vruchtboomen, wier eenige tooi hunne
bloesemtrossen zijn. Maar schooner nog is het bamboes, wanneer het
alleen staat en in krachtige groepen, als bundels reusachtige rieten,
uit den grond rijst. Niets schilderachtiger, dan die hooge, gladde,
groene stengels; met hun gouden weerglans en dicht bewassen kronen;
en rondom de stevige middenzuilen, die slanke en buigbare twijgen met
hare wapperende pluimen, en die menigte lange bladeren, golvende op
den wind, als duizende wuivende wimpels.
De wegen zijn meestal met viooltjes omzoomd, maar deze missen haar
geur. Over het geheel is het getal welriekende bloemen hier uiterst
gering. Het is opmerkelijk, dat zangvogels, zoo als leeuweriken,
nachtegalen en anderen, even zeldzaam zijn. Aan dit gemis van
bloemengeur en vogelenzang is het wellicht voor een groot deel toe
te schrijven, dat de japansche landschappen, ondanks hun weelderigen
plantengroei en rijke fauna, niet dien indruk maken, dien men op het
eerste gezicht verwachten zou. Zeker is het, dat ge hier nooit die
zachte aandoening, die wegslepende bekoring gevoelt, die de aanblik van
een schoon europeesch landschap, bij het eerst ontwaken der natuur, in
ieder ontvankelijk gemoed onfeilbaar verwekt. Maar daargelaten nog in
hoeverre dit gevoel wordt verlevendigd door persoonlijke herinneringen,
plaatselijke omstandigheden en traditioneele begrippen, die in de
wereld van het verre Oosten niet te pas komen: zoo is er, naar ik meen,
nog een andere reden, waarom de natuur ons hier onverschilliger laat:
zij is te veel gecultiveerd. Met uitzondering van de weinige nog
overgebleven oorspronkelijke wouden, en van de opzettelijk aangelegde
bosschen, voor wier instandhouding de regeering nauwlettend waakt,
is de grond overal door den landbouw ingenomen. Dit is nu wel goed
en voortreffelijk in de oogen van een econoom of statisticus, in
wiens schatting heuvel en dal en gaarde, land en zee, geen andere
bestemming hebben dan zooveel mogelijk voort te brengen:--maar de
dichter, de kunstenaar, de minnaar der schoone natuur, zij allen,
die het maar niet kunnen gelooven, dat Gods prachtige schepping niets
meer zou zijn dan een markt of een koophuis, zij allen hebben daar wel
iets tegen in te brengen. Te midden dier overstelpende vruchtbaarheid
kan hun soms een zoo innig heimwee overvallen naar de bruine hei, naar
de blonde duinen, naar de groene grasvelden der oneindige prairieën,
naar de doodsche vlakte der woestijn zelfs! Wilt ge u een denkbeeld
maken van de japansche natuur, vergun mij dan u eene der valleien in
den omtrek van Jedo te beschrijven.--Wij zijn eerst in April, en reeds
staan de boekweitvelden, die de hooge bosschen boven op de heuvelen
omzoomen, in vollen bloei. De rogge- en tarwehalmen, die iets lager
groeien, en in November zijn gezaaid, zullen binnen vier of vijf weken
voor den sikkel des maaiers vallen. In Japan wordt het koren gezaaid,
even als men in Europa de aardappelen poot: dat wil zeggen, in rechte
lijnen en regelmatige vakken;--tusschen iedere voor blijft alzoo
eene open ruimte, en daar ziet ge weer een ander gewas uitspruiten:
dat zijn bonen, die op zullen schieten, zoodra het veld afgemaaid zal
zijn.--Dat groene tapijt, dat ge misschien eerst voor een grasveld of
uitspruitend koren hebt aangezien, is gierst, die in Maart is gezaaid,
en in September rijp zal wezen. In het veld daarnevens ziet ge een
boer, die zijn kleinen, met één paard bespannen ploeg voortdrijft. Hij
zal katoenzaad in de voren strooien; en in September of October
reeds zal uit ieder zaadje eene plant van twee of drie voet hoog
zijn opgeschoten, prijkende met een twintigtal rijpe bollen. Eenige
witte vogels, van het geslacht der steltloopers, der ooievaars of
kranen, schijnen den landman in zijn arbeid behulpzaam te zijn: met
deftigen stap volgen zij hem en steken telkens hunne lange bekken in
de geopende voor: zij verslinden gretig al de wormen en insecten, die
de ploeg uit hare stille verblijven heeft opgeschrikt.--De bodem der
vallei is voor de rijstcultuur bestemd. Ongeveer een maand geleden,
heeft men de besproeiingssluizen geopend en den grond onder water
gezet. Toen is de ploeg er doorheen gegaan, en de doorweekte bodem
bovendien gekneed door de buffels en de landlieden, die zelven
tot aan de knieën in het water plasten en de harde kluiten met de
spade verbrijzelden. Nadat zoo de grond tot een soort van vloeibare
pap was gevormd, is met het zaaien een aanvang gemaakt. Mannen en
vrouwen, voetje voor voetje over de uitstekende dijkjes voortgaande,
hebben met volle handen het zaad gestrooid in de afgepaste vakken,
die tot kweekbedden moeten dienen, en die daarop nog eens met eene
soort van egge zijn omgewoeld, om het zaad te bedelven en den grond
te effenen. Nu is het water weggeloopen; de kweekbedden zijn met een
kort, dicht gewas begroeid, dat met wortel en al wordt uitgetrokken:
maar alleen om de stengels zorgvuldig, in gelijke vakken, over te
planten in den weeken bodem der tot dusver ledig gebleven grootere
bedden. Daar moet nu de rijst verder groeien, tot zij tegen de
maand October haar volle rijpheid zal hebben bereikt. Maar in dien
tusschentijd heeft zij met een ergen vijand te kampen: een klein,
mooi vogeltje, met roode en witte vederen. Als eene vernielende
hagelbui strijken deze gasten in dichte zwermen op de volle halmen
neder, en doen de rijpe vrucht ter aarde vallen. Het is inderdaad een
genot hun gefladder en gewemel, hun getrappel en rumoerige beweging
te zien, en hunne luide vreugdekreten te hooren. Jammer maar, dat
de eigenaar van het rijstveld zelden in de rechte stemming is, om
dit genot te smaken. Veeleer verzint hij allerlei middelen, om de
aardige vogeltjes weg te jagen. Op de meest bedreigde punten zet hij
draaimolens van bamboes; stokken, met strooien mantels omhangen en
dito hoeden gedekt; poppen, met boog en pijlen gewapend, en mikkende
op de roovers..... Maar helaas! niets van dat alles heeft tot dusver
de diefachtige vogels kunnen bekeeren! Zoo heeft men zich verplicht
gezien, tot een uiterst middel de toevlucht te nemen; men heeft boven
het gansche rijstveld een net van gevlochten stroo uitgespannen, met
afhangende bossen en bundels van dezelfde stof. En zelfs dit helpt
niet, tenzij deze toestel voortdurend in beweging worde gehouden. Dat
is, als het niet waait, de taak van een kleinen jongen, die den
ganschen langen dag, door middel van een touw, het beschermende
net onophoudelijk heen en weer doet golven. Als het dijkje rondom
het rijstveld niet hoog genoeg is, om het kind behoorlijk te kunnen
plaatsen, richt men hem op vier bamboespalen een verheven zetel op,
door een rieten dakje beschermd.
De theeplant wordt in onze omstreken niet aangekweekt. Soms ziet
men haar wel, op zeer gunstig gelegen plaatsen; maar de eigenlijke
theedistricten liggen vele dagreizen ten noorden van de baai. Veel
dichter bij is de streek waar de zijde wordt vervaardigd en niets zou
beletten, dat deze industrie ook in onze onmiddellijke nabijheid werd
uitgeoefend, zoo er slechts de noodige plaats te vinden was voor het
planten der moerbeziënboomen. Het komt mij voor, dat het landvolk in
deze streek, en misschien over het algemeen aan de zuidkust van Nippon,
aan de bewoners van het binnenland de aankweeking der belangrijkste
uitvoerartikelen, zooals zijde, thee en zelfs katoen--die hier ook
maar schaars wordt aangetroffen--overlaat, om zich meer uitsluitend,
hetzij aan de vischvangst en scheepvaart, hetzij aan den eigenlijk
gezegden land- en tuinbouw, te wijden.
Ziedaar een getrouw beeld der japansche natuur in de vruchtbare
dalen, die op de golf van Jedo uitloopen. Ginds, bij den Foesi-Jama,
in de bergen van Akoni, zouden wij waarschijnlijk andere tooneelen
zien. Reeds de menschen, die van tijd tot tijd van daar komen om
in het lage land handel te drijven of werk te zoeken, onderscheiden
zich door hun krachtiger lichaamsbouw, hun fier voorkomen en vrije
manieren zeer duidelijk van de zachtaardige en vriendelijke, maar
tevens ook wat slaafsche en weekelijke bewoners der valleien. Doch
ongelukkig is de toegang tot die landstreek, voor als nog (1867), voor
de vreemdelingen zoo goed als gesloten, en zal, om niet slechts met den
landbouw, maar ook met de industriëele werkzaamheid van het japansche
volk volledig kennis te maken, later tijd moeten worden afgewacht.