Onze buurt.--Het eiland Benten.--De tempel.--Theehuizen.--De wijk
der Yakoeninen.--Een bezoek mijner buurvrouwen.
Benten, eene der wijken van de japansche stad te Jokohama, ontleent
haar naam aan eene godin der zee, wier heiligdom op een eilandje
ten noordwesten van onze residentie wordt aangetroffen. Vóór de
komst der Europeanen was deze gewijde plek slechts door een nietig
visschersdorp omgeven, dat door een moeras van het niet veel meer
beteekenende Jokohama gescheiden werd. Tegenwoordig is de geheele
vlakte tusschen Treaty-point en de rivier nabij onze woning ingenomen
door straten, kaaien, woonhuizen en magazijnen. Alleen het eiland
Benten met zijne onmiddellijke omgeving heeft zijn vroeger voorkomen
behouden. Het eiland ligt in een kleinen inham, dien de rivier even
voor haar uitmonding in de reede van Jokohama vormt. Aan alle zijden
door een dam van granietblokken omringd, is het met de stad verbonden
door eene brug, die schier geheel wegschuilt achter het dichte gewas
van struiken, bamboes en biezen, die op deze plek het bed der rivier
halverwege innemen. Maar de eigenlijke toegang tot het eiland is
ook aan de andere zijde, meer ten westen: en deze toegang is beter
in overeenstemming met de heiligheid der plaats. Onder de straten
die van Benten naar het naast gelegen marktplein der japansche stad
voeren, is er eene die bovenal de aandacht trekt. Zij schijnt geheel
met pijnboomen beplant: en inderdaad, wanneer ge den slagboom zijt
doorgegaan, die hier des nachts iedere straat afsluit, ziet ge eene
lange laan van pijnboomen voor u, en vlak op den voorgrond eene dier
eigenaardige poorten, die men hier toris heet. Deze poorten bestaan
uit twee houten palen, die naar boven elkander langzaam naderen en in
een punt zouden samenloopen, indien zij niet, op zekere hoogte, door
twee dwarsbalken werden doorsneden en vereenigd: de beide uiteinden
van den bovensten en zwaarsten dezer balken zijn licht omgebogen. Een
tori verkondigt altijd de nabijheid van een tempel, eene kapel of
eene of andere gewijde plaats. Wat wij in onze prozaïsche nuchterheid
eenvoudig eene natuurkundige curiositeit noemen: eene grot, eene
levende bron, een reusachtige boom, eene fantastisch gevormde rots--is
voor den Japanner het voorwerp òf eener eerbiedige vereering òf eener
bijgeloovige vrees, naarmate hij meer of minder door de boeddhistische
geestenleer wordt beheerscht; en de bonzen uit den omtrek blijven nooit
in gebreke, aan dit volksgeloof eene zichtbare uitdrukking en wijding
te geven, door nabij de merkwaardige plek een tori op te richten.
Soms verrijzen, op regelmatige afstanden, verscheidene toris
achter elkander op den weg, die naar een of anderen beroemden
tempel geleidt: zóó aanschouwt ge hier, in haar eenvoudigsten vorm,
dezelfde kunstenaarsgedachte, die te Athene de propylaeën en te Rome
de kolonnade van Sint-Pieter schiep.
De pijnboomen der laan te Benten zijn slank, spichtig en, meerendeels,
eenigszins gebogen door den invloed der zeewinden. Van afstand tot
afstand dragen zij lange dwarsbalken waaraan de bonzen, op feestdagen,
opschriften, kransen en vlaggen hechten. Aan het einde der laan
verrijst een tweede tori, minder hoog dan de eerste, zoo als dat, om
den wille der perspectief, behoort. Daarbij gekomen, ontwaart ge met
verwondering, dat de laan een hoek maakt en zich rechtsom wendt. Het
ziet er hier geheimzinnig uit: de grond is met gras en struiken en
pijnboomen bedekt; links kabbelen de kalme golfjes der kleine baai,
door een arm der rivier gevormd; voor ons, eene houten brug, ernstig
en toch sierlijk, breed en sterk gewelfd; aan de overzijde der brug
een derde tori, fantastisch afstekende tegen het donker groen der
zware boomen op den achtergrond. Wij gaan over de brug, wier palen met
koperen ornamenten zijn versierd, en betreden eindelijk de gewijde
plek. De derde tori, van boven prijkende met een gouden opschrift
op een zwarten grond, is geheel uit graniet van zeldzame witheid
opgetrokken, even als de grafmonumenten, smaakvol ter linkerzijde
der laan gegroept. De tempel daar vóór ons duikt bijna geheel weg
in de dichte schaduw der ceders en pijnboomen. Nauwelijks bespeuren
wij, in de geheimzinnige schemering, de op de trappen neergeknielde
geloovigen, die der godin hunne hulde komen brengen. Is er niemand
in den tempel, dan kunnen zij een der dienstdoende bonzen roepen:
en wel door middel van een bundel schelletjes, die met een langen
lap in beweging worden gebracht. Aanstonds komt dan de bonze te
voorschijn, gereed om, al naarmate van hem verlangd wordt, raad te
geven, kaarsen of amuletten uit te deelen, de verplichting op zich
te nemen om gebeden op te zeggen, of wel litanieën te lezen: alles,
wel te verstaan, tegen betaling.--Alvorens het heiligdom te betreden,
moet de Japannees zich wasschen en het gelaat en de handen reinigen;
te dien einde heeft men, dicht bij den tempel, aan de rechterhand
eene kleine kapel gebouwd, waar ge een bekken met wijwater vindt voor
de wasschingen en handdoeken van krip-zijde. Twee andere naburige
kapellen bevatten, de eene de groote trom, die voor klok dient, en
de andere de ex-voto's der geloovigen. De bonzen, die in den tempel
van Benten dienst doen, schijnen juist niet in overdaad te leven:
hunne kleeding is doorgaans slordig en onzindelijk; de uitdrukking
van hun gelaat heeft iets stompzinnigs, iets dierlijks zelfs, en
tegenover vreemde bezoekers zijn zij meestal hoogst onaangenaam. Ook
is men onwillekeurig geneigd, zich op een eerbiedigen afstand van
deze heilige mannen te houden.
Ik ben nooit in de gelegenheid geweest, de dienst bij te wonen, dan
slechts eens: bij de processie ter eere der schutspatronesse. Het
schijnt, dat de bonzen, in gewone tijden, zich er toe bepalen om,
zoo te zeggen, eenige uren van den dag zitting te houden. Voor zoover
ik heb kunnen nagaan, kwamen maar weinig lieden hun raad of voorbede
inroepen: en dat waren meest vrouwen van boeren of visschers, of
ook doortrekkende pelgrims. Maar meermalen heb ik des avonds, bij
het ondergaan der zon en zelfs nog diep in den nacht, het geluid der
tamboerijnen gehoord, waaruit, behalve bij plechtige gelegenheden, het
geheele orkest van den tempel van Benten bestaat. De bonzen bespelen
dit vervelend instrument uren achtereen en altijd op dezelfde maat: en
niets evenaart den treurigen, somberen indruk van dit dof en eentonig
geluid, wanneer het, in de diepe stilte van den nacht, zich met het
zwaarmoedig suizen in de zware cederen en het geruisch der golven
vermengt. Het vervolgt u en stoort zelfs uw slaap, als een benauwde
droom. Maar weegt niet de godsdienst zelve, die dergelijke praktijken
in het leven roept, als een akelige en benauwde droom op den geest
van geheel het volk? Wel verre van de natuurlijke godsdienst te zijn,
is het heidendom de vijand der menschelijke natuur, de godsdienst van
den gevallen en ontaarden mensch; en vandaar dat zijn aanblik eene
onbeschrijfelijke ontroering, een instinktmatigen afkeer in onze ziel
verwekt: een gevoel, dat niet enkel een gevolg onzer christelijke
opvoeding, maar veeleer de onwillekeurige uiting onzer innigste
natuur is.
Tot de noodzakelijke omgeving van iederen japanschen tempel behooren
de theehuizen: dat zijn herbergen, waar men voornamelijk thee,
maar ook saki drinkt, een bedwelmenden drank, uit rijst gestookt;
ook zijn er vruchten, visch en taartjes van rijst of tarwe te krijgen,
en wordt er uit zeer kleine metalen pijpen fijn gehakte tabak gerookt,
die evenwel van alle narcotische bestanddeelen vrij is: het gebruik
van opium is in Japan onbekend. Deze etablissementen, waar ge altijd
door vrouwen bediend wordt, en waar, in den regel, niets uw gevoel
van betamelijkheid kwetst, zijn echter, bijna zonder uitzondering,
huizen van zeer slechten naam. Vooral is dit het geval met die,
welke men bij de toris te Benten aantreft. Misschien is dit nog een
overblijfsel uit den tijd, toen het kleine eiland, aan de godin der
zee gewijd, door vele pelgrims werd bezocht. Tegenwoordig staat de
tempel der godin bijna verlaten; maar in de nabijheid is een groot
militair etablissement, waarmede de tegenwoordige regeering, die
wel eenigszins het régime van den sabel huldigt, de stad Jokohama
begiftigd heeft. Dit etablissement beslaat de geheele ruimte tusschen
het eiland Benten en de hollandsche residentie.
Eene merkwaardige verzameling van hofjes, door ons de wijk der
Yakoeninen genoemd, wordt uitsluitend bewoond door de verschillende
ambtenaren, die van wege het gouvernement met den dienst der douane,
de policie in de haven en de publieke plaatsen, de instructie der
militie, de bewaking der japansche stad en van de toegangen naar
de europeesche wijk, zijn belast. De Yakoeninen dragen geen ander
uiterlijk teeken hunner waardigheid, dan een ronden punthoed van
verlakt karton, en, ter linkerzijde, twee sabels in den gordel:
een grooten met een lang gevest, en een kleinen die eenigszins op een
zwaard gelijkt en bij het gevecht van man tegen man wordt gebruikt. Die
sabels zijn dan ook het eenige krijgshaftige van deze ambtenaren,
wier getal eenige honderden beloopt, en die meest gehuwd en vaders
van gezinnen zijn. Zij zijn allen op dezelfde wijze gehuisvest,
zonder dat daarin eenig onderscheid van rang schijnt te bestaan.
Het is niet onaardig te zien, hoe de regeering van den Taïkoen het
heeft aangelegd om, met inachtneming van de regels der afgepaste
en strenge discipline, die dit gouvernement kenmerkt, een geheel
leger van ambtenaren als het ware in de stad te doen kampeeren. Het
is in zekeren zin de toepassing van het cellulaire stelsel op
het familieleven. Verbeeld u eene menigte houten woningen, die te
zamen een langwerpig vierkant vormen, en met de straat gemeenschap
hebben door middel van lage deuren, op regelmatige afstanden in eene
houten schutting aangebracht. Iedere dezer deuren geleidt naar eene
binnenplaats, met een kleinen tuin, een waterbak, een stookplaats
en andere aanhoorigheden; op den achtergrond ziet ge, gelijkvloers,
eene ruime kamer, die door middel van losse schutten, in twee of drie
vertrekken kan worden verdeeld. Deze plaats en deze kamer maken te
zamen de woning uit eener yakoeninenfamilie. Elk der vierkante vakken,
die de straten dezer wijk vormen, bevat ongeveer een dozijn zulke
woningen, zes aan zes geschaard; de kamers zijn gedekt met grijze
pannen, en alle daken zijn even hoog. Deze wijk der Yakoeninen is
inderdaad een meesterstuk van eenvormigheid en regelmatigheid! De
straten zijn doorgaans ledig, want de mannen brengen het grootste
gedeelte van den dag in de tol- of wachthuizen door; en gedurende
de afwezigheid van het hoofd blijft ieder gezin in zijn eigen perk
opgesloten. Zelfs wordt meestal gedurende dien tijd de lage deur
aan de straat niet eenmaal geopend. Intusschen heeft deze gewoonte
niets gemeens met de dwaze maatregelen, die in Turkije en andere
oostersche landen noodig worden geacht ter bescherming van de
deugd der gehuwde vrouwen: zij is veeleer een uitvloeisel van de
eigenaardige verhouding, waarin de japansche zeden den vader des
gezins plaatsen. De vrouw eerbiedigt hem als haar heer en meester. In
zijne beschermende tegenwoordigheid wijdt zij zich, zonder eenige
terughouding, aan de zorgen des huisgezins, zonder zelfs op de blikken
van den vreemdeling te letten. In zijne afwezigheid echter, neemt zij
eene terughouding in acht, die de vreemde bijna geneigd zou zijn aan
zedige ingetogenheid toe te schrijven, maar die slechts het gevolg
is van de afhankelijkheid, waarin het huwelijk haar plaatst.
Langzamerhand is er eene zekere vertrouwelijkheid ontstaan tusschen
onze residentie en de wijk der Yakoeninen. In Japan, zoo goed als
overal elders, wordt de vriendschap door kleine attenties, geschenken
en dergelijken, gekweekt. Wisten wij dat ergens eene kraamvrouw
of eene kranke was, dan werd daar suiker of koffie heengezonden;
en deze geschenken werden met dankbaarheid aangenomen.
Eens, dat ik alleen te huis was, des middags tusschen vier en vijf
uren, kondigde de monbar mij het bezoek aan eener vrouwelijke deputatie
uit de wijk der Yakoeninen, en vroeg mij wat hij doen moest. Deze
dames hadden van hare echtgenooten vergunning gekregen, om ons
te komen bedanken; en te gelijk wenschten zij van de gelegenheid
gebruik te maken, om ons europeesch ameublement eens op haar gemak
op te nemen. Ik antwoordde den portier, dat hij de bezoeksters moest
binnen leiden, en dat ik gereed was haar te ontvangen. Weldra hoorde
ik het geklepper van een aantal houten sandalen op de kiezelsteentjes
der paden van den tuin, en zag ik aan den voet der trap, tegenover
den salon, eene vroolijk glimlachende groep verschijnen, waaronder
ik al dadelijk vier gehuwde vrouwen, twee jonge meisjes en kinderen
van allerlei leeftijd onderscheidde. De eersten waren kenbaar aan den
stemmigen ernst van haar toilet: geen versiersel in hare haren, geene
schitterende kleuren aan haar gewaad, geen blanketsel op de wangen;
maar daarentegen de tanden zwart geverwd, zoo als het, naar japansche
zeden, aan eene gehuwde vrouw voegt. De jonge meisjes verhoogen de
natuurlijke blankheid harer tanden nog door de lippen met karmozijn
te verwen; zij blanketten zich het gelaat, vlechten door hare zware
lokken purperen linten en dragen een breeden veelkleurigen gordel. De
kleeding der kinderen bestaat uit veelverwige jurken en gordels:
hun haar wordt nooit gekapt; dikwijls zelfs zijn hunne hoofden kaal
geschoren, met uitzondering van enkele vlokken, in lengte en gedaante
verschillend, naarmate van den ouderdom en de kunne.
Na de gebruikelijke groeten en buigingen, begonnen de woordvoersters
der deputatie--want er spraken altijd twee of drie tegelijk--mij in
het japansch allerlei liefelijkheden en complimenten toe te voegen,
waarop ik in het fransch antwoordde, tegelijkertijd het gezelschap
uitnoodigende in den salon te komen. Blijkbaar had men mij begrepen;
ik hoorde welbekende dankbetuigingen: en toch, in plaats van de
trap te bestijgen, scheen men nog iets van mij te willen weten. Ik
begreep niet wat men verlangde; maar eindelijk kwam het gebarenspel
de taal te hulp, en nu begreep ik het. Moeten wij onze sandalen
in den tuin uitdoen, of is het goed, als wij ons eerst onder de
veranda ontschoeien? Wel, natuurlijk het laatste, dames! En zie, daar
besteeg het geheele gezelschap de trappen; de houten sandalen werden
uitgetrokken en op een rij gezet; en nu gingen allen naar binnen,
de kinderen blootsvoets, de volwassenen op katoenen sokken, even
als onze wanten in tweeën verdeeld: een vak voor den grooten teen,
en het andere en grootste voor het overige van den voet.
De eerste indruk was die eener ongekunstelde bewondering,
dadelijk gevolgd door een algemeen gelach: want de groote spiegels
der zaal weerkaatsten overal, ten voeten uit, de beelden onzer
bezoeksters. Terwijl de jongsten bezig waren dit ongekend en voor haar
zoo aanlokkend schouwspel te genieten, vroegen mij de moeders, wat de
schilderijen tegen den wand beteekenden. Ik beduidde haar, dat dit de
portretten waren van den Taïkoen van Holland, van zijne gemalin en van
verschillende groote daïmios of prinsen van den bloede. Zij maakten
toen eene eerbiedige buiging; maar eene van haar, nieuwsgieriger
dan de anderen, vroeg, met eenige aarzeling op een portret wijzende,
of dat de bêto van Zijne nederlandsche Majesteit was en hoe die in
zoo aanzienlijk gezelschap behoorde? Ik beantwoordde die vraag maar
toestemmend: want nooit zou ik haar aan het verstand hebben kunnen
brengen, dat een echte prins aldus, staande nevens zijn paard en met
den teugel in de hand, kon worden afgebeeld. Intusschen hadden anderen
nauwkeurig de damasten zittingen der stoelen en sofa's onderzocht,
en kwamen mij nu opheldering vragen omtrent het gebruik dezer meubels,
waarover zij het oneens waren. De stoelen, begrepen zij, waren bestemd
om er op te zitten; maar de sofas? Moest men daar niet met gekruiste
beenen op neêrhurken, vooral wanneer men zou eten aan de daarvoor
geplaatste tafel? Zij schenen de heeren en dames van het westen, die
zich het ongemak getroosten van met afhangende beenen op dit meubelstuk
te zitten, hartelijk te beklagen. Daar mijne kamer nevens den salon
was en de deur open stond, was zij spoedig ingenomen. Ook hier waren
allerlei zaken, die de aandacht mijner bezoeksters trokken; maar wat
haar het meest boeide, was een stel knoopen, waarop het kruis uit het
zwitsersche wapenschild was gegraveerd. Zij moesten er noodzakelijk
eenigen van hebben, al kon ik niet raden wat zij er mede zouden doen,
daar in Japan de kleederen beiden van mannen en vrouwen met zijden
koorden worden dicht gesnoerd.
Ik bood aan de dames eenige fleschjes reukwerk en aan de kinderen
prenten ten geschenke, zwitsersche landschappen en kleederdrachten
voorstellende. Voor afscheid liet ik aan de volwassenen een
photographisch album met familieportretten zien, dat zij met wezenlijke
belangstelling en aandoening beschouwden. In waarheid, hier in den
kring der natuurlijke banden van liefde en vriendschap, openbaart
zich aan alle plaatsen en onder alle volkeren de eenheid van het
menschelijk hart. Wat is de verscheidenheid der talen tegenover deze
eene algemeene spraak, die zich verstaanbaar maakt door een blik,
door den traan, die aan de wimpers beeft, door de zachte trilling
der zielvolle stem? In het oog van alle half beschaafde volken is de
reiziger een voorwerp van innig mededoogen, want hij is verwijderd
van alles wat het leven zoet en bekoorlijk maakt: het gezin, het
ouderlijk huis, het land der vaderen. Een heilige eerbied tempert het
medelijden, zoo het blijkt dat hij zijn vaderland verlaten heeft,
om in verre streken een vromen pelgrimstocht te volbrengen: maar
louter om stoffelijk belang zoo verre van het vaderhuis te zwerven,
is iets waarvan mijn beminnelijk gezelschap zelfs geen flauw begrip
heeft. Als zij vernemen, dat ik noch balling noch pelgrim ben, mengt
zich eene eigenaardige verbazing, haast eene zekere huivering in de
betuigingen van sympathie en vriendschap dezer goede vrouwen.--Wel,
wel, ik ben ver van Europa, in eene wereld, aan onze beschaving geheel
vreemd;--en het was hoog tijd, niet waar? dat men deze arme eilanders
uit hunne afzondering kwam scheuren, om hun denkbeelden in te prenten
die beter passen in onze industriëele eeuw!--