III.

Onze buurt.--Het eiland Benten.--De tempel.--Theehuizen.--De wijk

der Yakoeninen.--Een bezoek mijner buurvrouwen.

Benten, eene der wijken van de japansche stad te Jokohama, ontleent

haar naam aan eene godin der zee, wier heiligdom op een eilandje

ten noordwesten van onze residentie wordt aangetroffen. Vóór de

komst der Europeanen was deze gewijde plek slechts door een nietig

visschersdorp omgeven, dat door een moeras van het niet veel meer

beteekenende Jokohama gescheiden werd. Tegenwoordig is de geheele

vlakte tusschen Treaty-point en de rivier nabij onze woning ingenomen

door straten, kaaien, woonhuizen en magazijnen. Alleen het eiland

Benten met zijne onmiddellijke omgeving heeft zijn vroeger voorkomen

behouden. Het eiland ligt in een kleinen inham, dien de rivier even

voor haar uitmonding in de reede van Jokohama vormt. Aan alle zijden

door een dam van granietblokken omringd, is het met de stad verbonden

door eene brug, die schier geheel wegschuilt achter het dichte gewas

van struiken, bamboes en biezen, die op deze plek het bed der rivier

halverwege innemen. Maar de eigenlijke toegang tot het eiland is

ook aan de andere zijde, meer ten westen: en deze toegang is beter

in overeenstemming met de heiligheid der plaats. Onder de straten

die van Benten naar het naast gelegen marktplein der japansche stad

voeren, is er eene die bovenal de aandacht trekt. Zij schijnt geheel

met pijnboomen beplant: en inderdaad, wanneer ge den slagboom zijt

doorgegaan, die hier des nachts iedere straat afsluit, ziet ge eene

lange laan van pijnboomen voor u, en vlak op den voorgrond eene dier

eigenaardige poorten, die men hier toris heet. Deze poorten bestaan

uit twee houten palen, die naar boven elkander langzaam naderen en in

een punt zouden samenloopen, indien zij niet, op zekere hoogte, door

twee dwarsbalken werden doorsneden en vereenigd: de beide uiteinden

van den bovensten en zwaarsten dezer balken zijn licht omgebogen. Een

tori verkondigt altijd de nabijheid van een tempel, eene kapel of

eene of andere gewijde plaats. Wat wij in onze prozaïsche nuchterheid

eenvoudig eene natuurkundige curiositeit noemen: eene grot, eene

levende bron, een reusachtige boom, eene fantastisch gevormde rots--is

voor den Japanner het voorwerp òf eener eerbiedige vereering òf eener

bijgeloovige vrees, naarmate hij meer of minder door de boeddhistische

geestenleer wordt beheerscht; en de bonzen uit den omtrek blijven nooit

in gebreke, aan dit volksgeloof eene zichtbare uitdrukking en wijding

te geven, door nabij de merkwaardige plek een tori op te richten.

Soms verrijzen, op regelmatige afstanden, verscheidene toris

achter elkander op den weg, die naar een of anderen beroemden

tempel geleidt: zóó aanschouwt ge hier, in haar eenvoudigsten vorm,

dezelfde kunstenaarsgedachte, die te Athene de propylaeën en te Rome

de kolonnade van Sint-Pieter schiep.

De pijnboomen der laan te Benten zijn slank, spichtig en, meerendeels,

eenigszins gebogen door den invloed der zeewinden. Van afstand tot

afstand dragen zij lange dwarsbalken waaraan de bonzen, op feestdagen,

opschriften, kransen en vlaggen hechten. Aan het einde der laan

verrijst een tweede tori, minder hoog dan de eerste, zoo als dat, om

den wille der perspectief, behoort. Daarbij gekomen, ontwaart ge met

verwondering, dat de laan een hoek maakt en zich rechtsom wendt. Het

ziet er hier geheimzinnig uit: de grond is met gras en struiken en

pijnboomen bedekt; links kabbelen de kalme golfjes der kleine baai,

door een arm der rivier gevormd; voor ons, eene houten brug, ernstig

en toch sierlijk, breed en sterk gewelfd; aan de overzijde der brug

een derde tori, fantastisch afstekende tegen het donker groen der

zware boomen op den achtergrond. Wij gaan over de brug, wier palen met

koperen ornamenten zijn versierd, en betreden eindelijk de gewijde

plek. De derde tori, van boven prijkende met een gouden opschrift

op een zwarten grond, is geheel uit graniet van zeldzame witheid

opgetrokken, even als de grafmonumenten, smaakvol ter linkerzijde

der laan gegroept. De tempel daar vóór ons duikt bijna geheel weg

in de dichte schaduw der ceders en pijnboomen. Nauwelijks bespeuren

wij, in de geheimzinnige schemering, de op de trappen neergeknielde

geloovigen, die der godin hunne hulde komen brengen. Is er niemand

in den tempel, dan kunnen zij een der dienstdoende bonzen roepen:

en wel door middel van een bundel schelletjes, die met een langen

lap in beweging worden gebracht. Aanstonds komt dan de bonze te

voorschijn, gereed om, al naarmate van hem verlangd wordt, raad te

geven, kaarsen of amuletten uit te deelen, de verplichting op zich

te nemen om gebeden op te zeggen, of wel litanieën te lezen: alles,

wel te verstaan, tegen betaling.--Alvorens het heiligdom te betreden,

moet de Japannees zich wasschen en het gelaat en de handen reinigen;

te dien einde heeft men, dicht bij den tempel, aan de rechterhand

eene kleine kapel gebouwd, waar ge een bekken met wijwater vindt voor

de wasschingen en handdoeken van krip-zijde. Twee andere naburige

kapellen bevatten, de eene de groote trom, die voor klok dient, en

de andere de ex-voto's der geloovigen. De bonzen, die in den tempel

van Benten dienst doen, schijnen juist niet in overdaad te leven:

hunne kleeding is doorgaans slordig en onzindelijk; de uitdrukking

van hun gelaat heeft iets stompzinnigs, iets dierlijks zelfs, en

tegenover vreemde bezoekers zijn zij meestal hoogst onaangenaam. Ook

is men onwillekeurig geneigd, zich op een eerbiedigen afstand van

deze heilige mannen te houden.

Ik ben nooit in de gelegenheid geweest, de dienst bij te wonen, dan

slechts eens: bij de processie ter eere der schutspatronesse. Het

schijnt, dat de bonzen, in gewone tijden, zich er toe bepalen om,

zoo te zeggen, eenige uren van den dag zitting te houden. Voor zoover

ik heb kunnen nagaan, kwamen maar weinig lieden hun raad of voorbede

inroepen: en dat waren meest vrouwen van boeren of visschers, of

ook doortrekkende pelgrims. Maar meermalen heb ik des avonds, bij

het ondergaan der zon en zelfs nog diep in den nacht, het geluid der

tamboerijnen gehoord, waaruit, behalve bij plechtige gelegenheden, het

geheele orkest van den tempel van Benten bestaat. De bonzen bespelen

dit vervelend instrument uren achtereen en altijd op dezelfde maat: en

niets evenaart den treurigen, somberen indruk van dit dof en eentonig

geluid, wanneer het, in de diepe stilte van den nacht, zich met het

zwaarmoedig suizen in de zware cederen en het geruisch der golven

vermengt. Het vervolgt u en stoort zelfs uw slaap, als een benauwde

droom. Maar weegt niet de godsdienst zelve, die dergelijke praktijken

in het leven roept, als een akelige en benauwde droom op den geest

van geheel het volk? Wel verre van de natuurlijke godsdienst te zijn,

is het heidendom de vijand der menschelijke natuur, de godsdienst van

den gevallen en ontaarden mensch; en vandaar dat zijn aanblik eene

onbeschrijfelijke ontroering, een instinktmatigen afkeer in onze ziel

verwekt: een gevoel, dat niet enkel een gevolg onzer christelijke

opvoeding, maar veeleer de onwillekeurige uiting onzer innigste

natuur is.

Tot de noodzakelijke omgeving van iederen japanschen tempel behooren

de theehuizen: dat zijn herbergen, waar men voornamelijk thee,

maar ook saki drinkt, een bedwelmenden drank, uit rijst gestookt;

ook zijn er vruchten, visch en taartjes van rijst of tarwe te krijgen,

en wordt er uit zeer kleine metalen pijpen fijn gehakte tabak gerookt,

die evenwel van alle narcotische bestanddeelen vrij is: het gebruik

van opium is in Japan onbekend. Deze etablissementen, waar ge altijd

door vrouwen bediend wordt, en waar, in den regel, niets uw gevoel

van betamelijkheid kwetst, zijn echter, bijna zonder uitzondering,

huizen van zeer slechten naam. Vooral is dit het geval met die,

welke men bij de toris te Benten aantreft. Misschien is dit nog een

overblijfsel uit den tijd, toen het kleine eiland, aan de godin der

zee gewijd, door vele pelgrims werd bezocht. Tegenwoordig staat de

tempel der godin bijna verlaten; maar in de nabijheid is een groot

militair etablissement, waarmede de tegenwoordige regeering, die

wel eenigszins het régime van den sabel huldigt, de stad Jokohama

begiftigd heeft. Dit etablissement beslaat de geheele ruimte tusschen

het eiland Benten en de hollandsche residentie.

Eene merkwaardige verzameling van hofjes, door ons de wijk der

Yakoeninen genoemd, wordt uitsluitend bewoond door de verschillende

ambtenaren, die van wege het gouvernement met den dienst der douane,

de policie in de haven en de publieke plaatsen, de instructie der

militie, de bewaking der japansche stad en van de toegangen naar

de europeesche wijk, zijn belast. De Yakoeninen dragen geen ander

uiterlijk teeken hunner waardigheid, dan een ronden punthoed van

verlakt karton, en, ter linkerzijde, twee sabels in den gordel:

een grooten met een lang gevest, en een kleinen die eenigszins op een

zwaard gelijkt en bij het gevecht van man tegen man wordt gebruikt. Die

sabels zijn dan ook het eenige krijgshaftige van deze ambtenaren,

wier getal eenige honderden beloopt, en die meest gehuwd en vaders

van gezinnen zijn. Zij zijn allen op dezelfde wijze gehuisvest,

zonder dat daarin eenig onderscheid van rang schijnt te bestaan.

Het is niet onaardig te zien, hoe de regeering van den Taïkoen het

heeft aangelegd om, met inachtneming van de regels der afgepaste

en strenge discipline, die dit gouvernement kenmerkt, een geheel

leger van ambtenaren als het ware in de stad te doen kampeeren. Het

is in zekeren zin de toepassing van het cellulaire stelsel op

het familieleven. Verbeeld u eene menigte houten woningen, die te

zamen een langwerpig vierkant vormen, en met de straat gemeenschap

hebben door middel van lage deuren, op regelmatige afstanden in eene

houten schutting aangebracht. Iedere dezer deuren geleidt naar eene

binnenplaats, met een kleinen tuin, een waterbak, een stookplaats

en andere aanhoorigheden; op den achtergrond ziet ge, gelijkvloers,

eene ruime kamer, die door middel van losse schutten, in twee of drie

vertrekken kan worden verdeeld. Deze plaats en deze kamer maken te

zamen de woning uit eener yakoeninenfamilie. Elk der vierkante vakken,

die de straten dezer wijk vormen, bevat ongeveer een dozijn zulke

woningen, zes aan zes geschaard; de kamers zijn gedekt met grijze

pannen, en alle daken zijn even hoog. Deze wijk der Yakoeninen is

inderdaad een meesterstuk van eenvormigheid en regelmatigheid! De

straten zijn doorgaans ledig, want de mannen brengen het grootste

gedeelte van den dag in de tol- of wachthuizen door; en gedurende

de afwezigheid van het hoofd blijft ieder gezin in zijn eigen perk

opgesloten. Zelfs wordt meestal gedurende dien tijd de lage deur

aan de straat niet eenmaal geopend. Intusschen heeft deze gewoonte

niets gemeens met de dwaze maatregelen, die in Turkije en andere

oostersche landen noodig worden geacht ter bescherming van de

deugd der gehuwde vrouwen: zij is veeleer een uitvloeisel van de

eigenaardige verhouding, waarin de japansche zeden den vader des

gezins plaatsen. De vrouw eerbiedigt hem als haar heer en meester. In

zijne beschermende tegenwoordigheid wijdt zij zich, zonder eenige

terughouding, aan de zorgen des huisgezins, zonder zelfs op de blikken

van den vreemdeling te letten. In zijne afwezigheid echter, neemt zij

eene terughouding in acht, die de vreemde bijna geneigd zou zijn aan

zedige ingetogenheid toe te schrijven, maar die slechts het gevolg

is van de afhankelijkheid, waarin het huwelijk haar plaatst.

Langzamerhand is er eene zekere vertrouwelijkheid ontstaan tusschen

onze residentie en de wijk der Yakoeninen. In Japan, zoo goed als

overal elders, wordt de vriendschap door kleine attenties, geschenken

en dergelijken, gekweekt. Wisten wij dat ergens eene kraamvrouw

of eene kranke was, dan werd daar suiker of koffie heengezonden;

en deze geschenken werden met dankbaarheid aangenomen.

Eens, dat ik alleen te huis was, des middags tusschen vier en vijf

uren, kondigde de monbar mij het bezoek aan eener vrouwelijke deputatie

uit de wijk der Yakoeninen, en vroeg mij wat hij doen moest. Deze

dames hadden van hare echtgenooten vergunning gekregen, om ons

te komen bedanken; en te gelijk wenschten zij van de gelegenheid

gebruik te maken, om ons europeesch ameublement eens op haar gemak

op te nemen. Ik antwoordde den portier, dat hij de bezoeksters moest

binnen leiden, en dat ik gereed was haar te ontvangen. Weldra hoorde

ik het geklepper van een aantal houten sandalen op de kiezelsteentjes

der paden van den tuin, en zag ik aan den voet der trap, tegenover

den salon, eene vroolijk glimlachende groep verschijnen, waaronder

ik al dadelijk vier gehuwde vrouwen, twee jonge meisjes en kinderen

van allerlei leeftijd onderscheidde. De eersten waren kenbaar aan den

stemmigen ernst van haar toilet: geen versiersel in hare haren, geene

schitterende kleuren aan haar gewaad, geen blanketsel op de wangen;

maar daarentegen de tanden zwart geverwd, zoo als het, naar japansche

zeden, aan eene gehuwde vrouw voegt. De jonge meisjes verhoogen de

natuurlijke blankheid harer tanden nog door de lippen met karmozijn

te verwen; zij blanketten zich het gelaat, vlechten door hare zware

lokken purperen linten en dragen een breeden veelkleurigen gordel. De

kleeding der kinderen bestaat uit veelverwige jurken en gordels:

hun haar wordt nooit gekapt; dikwijls zelfs zijn hunne hoofden kaal

geschoren, met uitzondering van enkele vlokken, in lengte en gedaante

verschillend, naarmate van den ouderdom en de kunne.

Na de gebruikelijke groeten en buigingen, begonnen de woordvoersters

der deputatie--want er spraken altijd twee of drie tegelijk--mij in

het japansch allerlei liefelijkheden en complimenten toe te voegen,

waarop ik in het fransch antwoordde, tegelijkertijd het gezelschap

uitnoodigende in den salon te komen. Blijkbaar had men mij begrepen;

ik hoorde welbekende dankbetuigingen: en toch, in plaats van de

trap te bestijgen, scheen men nog iets van mij te willen weten. Ik

begreep niet wat men verlangde; maar eindelijk kwam het gebarenspel

de taal te hulp, en nu begreep ik het. Moeten wij onze sandalen

in den tuin uitdoen, of is het goed, als wij ons eerst onder de

veranda ontschoeien? Wel, natuurlijk het laatste, dames! En zie, daar

besteeg het geheele gezelschap de trappen; de houten sandalen werden

uitgetrokken en op een rij gezet; en nu gingen allen naar binnen,

de kinderen blootsvoets, de volwassenen op katoenen sokken, even

als onze wanten in tweeën verdeeld: een vak voor den grooten teen,

en het andere en grootste voor het overige van den voet.

De eerste indruk was die eener ongekunstelde bewondering,

dadelijk gevolgd door een algemeen gelach: want de groote spiegels

der zaal weerkaatsten overal, ten voeten uit, de beelden onzer

bezoeksters. Terwijl de jongsten bezig waren dit ongekend en voor haar

zoo aanlokkend schouwspel te genieten, vroegen mij de moeders, wat de

schilderijen tegen den wand beteekenden. Ik beduidde haar, dat dit de

portretten waren van den Taïkoen van Holland, van zijne gemalin en van

verschillende groote daïmios of prinsen van den bloede. Zij maakten

toen eene eerbiedige buiging; maar eene van haar, nieuwsgieriger

dan de anderen, vroeg, met eenige aarzeling op een portret wijzende,

of dat de bêto van Zijne nederlandsche Majesteit was en hoe die in

zoo aanzienlijk gezelschap behoorde? Ik beantwoordde die vraag maar

toestemmend: want nooit zou ik haar aan het verstand hebben kunnen

brengen, dat een echte prins aldus, staande nevens zijn paard en met

den teugel in de hand, kon worden afgebeeld. Intusschen hadden anderen

nauwkeurig de damasten zittingen der stoelen en sofa's onderzocht,

en kwamen mij nu opheldering vragen omtrent het gebruik dezer meubels,

waarover zij het oneens waren. De stoelen, begrepen zij, waren bestemd

om er op te zitten; maar de sofas? Moest men daar niet met gekruiste

beenen op neêrhurken, vooral wanneer men zou eten aan de daarvoor

geplaatste tafel? Zij schenen de heeren en dames van het westen, die

zich het ongemak getroosten van met afhangende beenen op dit meubelstuk

te zitten, hartelijk te beklagen. Daar mijne kamer nevens den salon

was en de deur open stond, was zij spoedig ingenomen. Ook hier waren

allerlei zaken, die de aandacht mijner bezoeksters trokken; maar wat

haar het meest boeide, was een stel knoopen, waarop het kruis uit het

zwitsersche wapenschild was gegraveerd. Zij moesten er noodzakelijk

eenigen van hebben, al kon ik niet raden wat zij er mede zouden doen,

daar in Japan de kleederen beiden van mannen en vrouwen met zijden

koorden worden dicht gesnoerd.

Ik bood aan de dames eenige fleschjes reukwerk en aan de kinderen

prenten ten geschenke, zwitsersche landschappen en kleederdrachten

voorstellende. Voor afscheid liet ik aan de volwassenen een

photographisch album met familieportretten zien, dat zij met wezenlijke

belangstelling en aandoening beschouwden. In waarheid, hier in den

kring der natuurlijke banden van liefde en vriendschap, openbaart

zich aan alle plaatsen en onder alle volkeren de eenheid van het

menschelijk hart. Wat is de verscheidenheid der talen tegenover deze

eene algemeene spraak, die zich verstaanbaar maakt door een blik,

door den traan, die aan de wimpers beeft, door de zachte trilling

der zielvolle stem? In het oog van alle half beschaafde volken is de

reiziger een voorwerp van innig mededoogen, want hij is verwijderd

van alles wat het leven zoet en bekoorlijk maakt: het gezin, het

ouderlijk huis, het land der vaderen. Een heilige eerbied tempert het

medelijden, zoo het blijkt dat hij zijn vaderland verlaten heeft,

om in verre streken een vromen pelgrimstocht te volbrengen: maar

louter om stoffelijk belang zoo verre van het vaderhuis te zwerven,

is iets waarvan mijn beminnelijk gezelschap zelfs geen flauw begrip

heeft. Als zij vernemen, dat ik noch balling noch pelgrim ben, mengt

zich eene eigenaardige verbazing, haast eene zekere huivering in de

betuigingen van sympathie en vriendschap dezer goede vrouwen.--Wel,

wel, ik ben ver van Europa, in eene wereld, aan onze beschaving geheel

vreemd;--en het was hoog tijd, niet waar? dat men deze arme eilanders

uit hunne afzondering kwam scheuren, om hun denkbeelden in te prenten

die beter passen in onze industriëele eeuw!--

Japan De Aarde en haar Volken, 1867 · 第 4 / 12 题