EEN VITTERIGE VELDWACHTER DREIGT ALLE PLEZIER TE BEDERVEN. DE
KLEERENROOF LEIDT TOT VREDESONDERHANDELINGEN.
Behoorlijk werd het pakket aan 't postkantoor te Zandstede bezorgd
en vlak achter het dorp sloegen de wandelaars een zandweg in, aan
weerskanten door dicht struikgewas omzoomd. 't Was hier brandend heet
tusschen de boomen en 't loopen door het mulle zand viel lang niet
mee. De dikke Hein pufte en hèm zoowel als de andere twee gutste het
zweet langs 't gelaat. Geen van drieën sprak een woord en zelfs de
hond slenterde weldra loom en lui achter hen aan. Op een draai van
't pad viel Hein onder een eikeboom neer en puffend hijgde hij:
"Nou verdraai ik het verder. Ik kan niet meer; ik smelt."
Zijn voorbeeld werd door de anderen gevolgd en zoo lagen ze lang uit
te blazen op 't mos.
"Nou de bessen," commandeerde Gommert en Jan, die den buit het laatst
had mogen meezeulen, want ze hadden het om beurt gedaan, maakte den
zak open en zei: "hou òp je pet!"
"Dien boer zal ik onthouden," zei Hein. "Dat is er één uit honderd. Zoo
zie je ze óók niet alle dag."
"Zijn bessen zijn puik," liet Gommert hooren, terwijl hij handig een
tros tusschen zijn tanden sloeg en ze afritste, zoodat alleen het
kale steeltje overbleef.
"En voor den dorst niks beter," viel Jan in. "Mijn tong was tenminste
weer al zoo droog als een stuk zoolleer.--Toch moeten we hier niet
te lang blijven," ging hij voort, "want kijk, daar recht vooruit heb
je de duinen al en daar moeten we wezen."
Na een klein half uurtje rezen ze overeind en stapten weer met nieuwen
moed voorwaarts.
Weldra hadden ze het duin bereikt.
"Wat is 't hier stil," zei Jan. "Als er nou opeens een hert tusschen
de struiken uitschoot, zou je er niks versteld van staan. 't Is er
net een plekje voor."
"Er zijn hier geen herten," zei Gommert.
"Dat weet ik ook wel, maar..."
"Ja, ja," vond Hein, "Jan heeft gelijk; ze zouden hier best op hun
plaats zijn."
Zware knoestige boomen verhieven hun bladerrijke kruinen, terwijl
andere weer tot de takken toe in 't zand bedolven waren; in 't zand,
dat door den wind landwaarts was ingeblazen, zoodat de stammen er
onder verdwenen.
"Kijk eens, wat leuk," zei Jan, "laten we hier eens inklimmen. De
stam zit heelemaal onder 't zand en je stapt zoo maar in de takken."
In een wip wiegelden ze op de zware knoesttakken van den ondergestoven
eik.
"Hoor jullie de zee wel?"
"Ja, maar 't lijkt ver af."
"Dank je de koekoek. De duinen zijn hier meer dan een half uur gaans
breed. Vooruit, dan klimmen we op dien hoogen heuvel daar."
Dat klimmen viel lang niet mee. Telkens gleed de voet terug in 't
gladde, mulle zand. Op handen en voeten kropen ze omhoog en toen ze
boven waren, stonden alle drie, diep onder den indruk van wat ze zagen,
zwijgend stil.
Daar strekte zich de indrukwekkende duinwereld voor hun oogen uit:
heuvel op heuvel; hier begroeid met een bruin-groen plantenkleed,
daar blinkend wit, hèl schitterend in den zonneschijn. In de verte
rees de vuurtoren kaarsrecht omhoog uit die gloeiende, schitterende
zandwoestenij.
"Da's prachtig!" 't Was Jan die de stilte verbrak.
"Prachtig! Eenig!" beaamden de anderen.
"En zoo stil," vond Gommert.
"Draai je 'ris om," zei Hein en daar weidde hun oog over het
uitgestrekte bosch, dat zich aan den voet van het duin vlijde en dat,
van uit de hoogte gezien, zich als een golvend veel-tintig groen tapijt
vertoonde. Het torentje van Zandstede piekte er, heel uit de verte,
als een prutserig spitsje uit op. De hond had voor al dat moois geen
oogen en liep snuffelend en heftig kwispelstaartend rond. Oók, toen
de jongens hun hooge standplaats verlieten en hun schreden richtten
naar den kant waar de zee moest zijn.
"Kijk hem!" wees Jan en daar zagen ze hun viervoetigen kameraad achter
een konijn rennen.
"O, kijk! kijk! wat een troep, daar! Kijk toch eens!" schreeuwde Hein.
En jawel, tien- twintig konijnen vlogen eensklaps naar alle zijden
heen op de vlucht. In een wip was er niet één meer te zien. De hond
liep ze als dol achterna, maar kon er geen te pakken krijgen.
"Een hol," zei Gommert, "een hol!"
"En hier óók een en hier ook," riepen Hein en Jan tegelijkertijd.
De laatste lag al op zijn buik en strekte zijn arm zoo ver mogelijk
uit in een groot konijnenhol.
"Voel je ze?" vroeg Hein. "Pak er dan een bij zijn ooren. Er zitten er
bepaald genoeg in. Kijk maar eens hier." En hij wees op de welbekende
groene bolletjes, die in massa bij het hol verspreid lagen.
"Als we nou eens een spa hadden," zei Gommert.
"Wat dan?"
"Wel, dan groeven we het hol op en dan hadden we er in eens een
heele boel."
"Kun je snappen," zei Jan. "Neen maat, dan had je niks, want zoo'n
hol heeft ik weet niet hoeveel uitgangen en als je hier graaft,
smeren de rakkers er ginder weer uit. Je krijgt ze zóó maar niet;
dan mot je vroeger opstaan."
"Laten we maar verder gaan," stelde Hein voor, "we komen op zoo'n
manier nooit aan den zeekant en daar moeten...."
"Wat mot jullie hier, met je hond hè?" klonk het eensklaps bar in
hun ooren en een veldwachter stond onverwachts voor hen.
"Niks," antwoordde Hein, "we kuieren maar zoo'n beetje."
"Da's nie waar. Jullie stroopt."
"Je stroopt! Nou nog mooier," viel Jan hem verontwaardigd in de
reden. "Wij stroopen! Neen veldwachter, da's nie waar!"
Hein en Gommert kropen al verschrikt in hun schulp.
"En ik zeg," hield de veldwachter vol, "dat je stroopt. Je loopt hier
met een hond."
"Da's waar," antwoordde Jan, "maar al loop je met een hond, daarom
stroop je nog niet."
"Goed en wel, stroopen of niet stroopen, maar je loopt hier met een
hond en da's verbooien."
"Wat?" vroeg Jan, die zich niet zoo heel gauw uit het veld liet slaan.
"Loopen met een hond; je bent er alle drie bij."
"'t Is onze hond niet."
"Dat kan je gemakkelijk zeggen," hernam de diender weer. "Dat zeggen
ze allemaal. Maar ik heb je lekker gesnord, mannetjes. Ik verbaliseer
jullie."
"Verbaliseer dan den hond," zei Jan weer. "Die is met ons meegeloopen,
want ik zeg je nog eens: hij is niet van ons."
"Mannetje," zei de veldwachter onverstoorbaar, "je zeurt. Ik trappeer
jullie met een hond in de duinen en ik heb dien hond achter konijnen
zien loopen en dus: jullie bent er bij," en tegelijk haalde de
onvriendelijke, niet te overtuigen politieman zijn zakboekje voor
den dag.
"Maar veldwachter," waagde nu Hein in 't midden te brengen, "'t is
heusch waar, 't is onze hond niet; hij is met ons meegeloopen van
Janskerke af en..."
"Och hou je mond," schoot de veldwachter boos uit. "Denk je soms,
dat ik hier voor mijn plezier loop? Je bent er bij en daarmee uit. 'k
Had jullie al een heele poos in de gaten en ik ben je nageloopen."
"Die hond is niet van ons," hield Jan beslist vol.
"Hij loopt je toch na?"
"Dat doe jij ook; dat zeg je zelf," zei Jan nu weer; "maar jij bent
toch ook niet van ons?"
"Je bent een brutale vlegel," barstte de veldwachter uit.
Jan werd ook nijdig en zei: "beschuldig ons dan ook niet valsch. Jij
zou iemand wel brutaal maken. We doen heelemaal geen kwaad en..."
"Zwijg, zeg ik je. Hoe heet je?"
"Jan Kodde, als je 't beslist weten wilt, maar we stroopen niet."
"Hoe schrijf je Kodde?"