Hein.
Dat stond dus voorloopig op zijn pootjes. En nou gauw die taalles
verder, want Jan had geen zin om straks van meester op zijn brood te
krijgen: "jij hebt geluierd." Dan zou hij zich dood geschaamd hebben.
Om vier uur--wat kan het toch soms lang duren, eer zoo'n schooltijd
om is--om vier uur schoten de drie op elkaar los. Druk redeneerend
sloegen ze den Achterweg in.
Jan, als ontwerper van het plan, ontvouwde het nu in schitterende
kleuren aan zijn twee reismakkers.
"We gaan om zeven uur op pad."
"Dàn pas?" klonk het wel wat teleurgesteld van Gommert. "Zouden we
niet wat vroeger gaan; om half zes of zes uur bijvoorbeeld."
"Och jò," besliste Jan: "da's veel te vroeg. Dan lig jij nog lang en
breed op één oor te droomen. Neen, om zeven uur, da's een mooie tijd;
wat jij Hein?"
"Mooie tijd," klonk het kort.
"Da's een. En dan verder: we nemen boterhammen mee."
"Hoeveel?"
"Hoeveel? Zooveel je er krijgt."
"Met wat?"
"Hoe bedoel je?"
"Met wat er bij?"
"Dat hangt hoogstwaarschijnlijk van je moeder af. Als die je er een
lap biefstuk of een bal gehakt bij wil geven, ben jij 't heertje en dan
bof je, en verder doe je maar met wat je krijgt. Waar of niet, Hein?"
"Nog al wiedes."
"En drinken? Zouen we geen kruik water mee nemen?"
"Ben je nou dol Gommert? We gaan immers niet door de woestijn,"
viel Hein nu uit. "Nee, geen water."
"'t Was toch nog zoo slecht niet," vond Jan.
"Nee, luister nou's hier," pleitte Hein. "Water wordt zoo lauw en zoo
wee als 'k weet niet wat. Er zijn huizen zat onderweg om te vragen,
of we eens drinken mogen en als we in de duinen zijn, is er heelemaal
geen nood meer, want in de duinputten, en die loop je vast tegen d'r
lijf, heb je puik water voor een heel dorp."
"Da's waar. Dus geen water. En nou weten we zoo wat alles. Gommert,
pas op, dat je op tijd present bent. Verslaap je niet baas, want dan
halen we je uit je wigwam. Reken daar op."
En op den morgen van den dag, dat de bovenmeester naar de
onderwijzersvergadering peddelde, stond het drietal precies op tijd
marschvaardig.
Jan met een stok over zijn schouder waaraan een blauw met wit geruit
zakje plezierig heen en weer bengelde. Hein met een pak aan zijn hand,
dat Gommert al dadelijk de vraag ontlokte:
"Groote goden, Hein, ben jij soms bijgeval bang om te
verhongeren? Hoeveel boterhammen heb jij toch in vredesnaam wel in
dat pak? Je lijkt wel een reiziger in manufacturen."
"Hou je in," verzocht Hein. "D'r zitten er maar acht in."
"Van een vierponder?"
"Natuurlijk!"
"Nou maar zeg, als jij van plan bent om die allemaal te
verdonkeremanen, dan ben ik bang, dat je uit mekaar spat."
"Maak je maar niks ongerust," kalmeerde Hein. "Tegen dien tijd zal
ik je waarschuwen; dan krijg jij tenminste de scherven niet tegen je
hoofd. 't Is een heele rek tot van avond, vergeet dat niet.--Heb jij
niks bij je?"
"En of! Hier!" zei Gommert op zijn blouse slaande. "Twee pakjes,
elk van drie."
"Zes maar?" vroeg Hein stom verbaasd. "Kerel, hoe hou je 't uit,
zes boterhammetjes voor een heelen dag."
"Maar 't zijn goeie."
"Nou enfijn!"--
't Was een uitgelezen Julimorgen. Het vroolijke zonnetje tintelde aan
den strakblauwen hemel en had zoo juist de laatste dampen opgezogen
van den zomernevel, die de velden en weiden had gedrenkt met zijn
parelenden dauw, waarvan nog diamanten druppels op de halmen fonkelden.
Allerwegen jubelden de leeuweriken hun warme trillers neer naar
de feestelijke aarde; schreeuwend flapwiekten de kieviten over het
gras, kortom: 't was een weertje zóó prachtig, een natuurstemming,
zóó opwekkend, dat Jan vroolijk inzette:
"De morgen breekt aan, de morgen breekt aan!"
en Gommert en Hein dadelijk bijvielen:
"Komt makkers, naar buiten, en stemmen we een lied
Tot welkom van bosschen en velden en vliet;
De vogeltjes groeten u allen gelijk,
Dat vroolijke volkje, gelukkig en rijk!"
Zóó helder klonk het frissche, twee stemmige jongensgezang, dat de
maaiers in de wei de blanke zeisen even lieten rusten en, aangestoken
door het prettige liedje, vriendelijk met de breedgerande stroohoeden
wuifden.
"Bij zulk weer zijn de menschen heel anders dan anders," merkte Hein
wijsgeerig op.
"Dat laat aan duidelijkheid niks te wenschen over," zei Jan. "Maar
wáár is 't. Als je al dat plezierige zoo rondom je ziet, zou je de
heele wereld wel willen rondloopen en àl maar zingen, tot je keel
als een notemuskaatrasp was."
Na een klein uur passeerden ze het dorp Janskerke. 't Was er stil,
zoodat het vroolijke getik op het aambeeld in de smidse hel uit de
zwijgende dorpsrust opschaterde.
"Wat zie je toch weinig jongens hier," merkte Hein op. "Je zou zeggen,
dat het Zondag was."
"Snap je dàt niet," zei Jan; "de lui zijn hier natuurlijk nèt zoo
ongelukkig als wij. D'r meester laat ze voor van vandaag aan d'r
lot over en is ook naar de stad. Jongen, jongen, wat een fortuintje
toch. Ik wou, dat het daags na de vergadering weer vergadering was. Wat
'n bof!"
"Kerels ja," beaamde Gommert. "Zoo'n dagje is een mirakel en het
prettigste vind ik 't altijd als je vacantie hebt, dat een ander
't niet heeft. Dan merk je pas goed dàt je 't hebt. Nou kunnen de
anderen jaloersch zijn en wij loopen hier als... als..."
"Als echte landloopers!"
"Na, wat jij landloopers noemt, Hein. Maar 't geeft ook niks
als wàt. Wij zijn vrij.--Kijk eens, wat een leuk hondje, wat 'n
lobbesje.--Kom Fikje, Fikje, kom."
En 't langharige poedeltje, dat uit een zijwegje vlak achter het dorp
kwam, naderde het drietal, kwispelend met zijn pluimstaartje.
"Hier, Kasje, Fidelletje, Polletje, m'n beestje," fleemde Hein
en maakte het bekende zuiggeluid met zijn vooruitgestoken lippen:
"Kom maar bij baasje."
Meteen had Jan zijn boterhamzakje al open en bood het vriendelijke
hondje een stukje brood aan. Het diertje scheen wel lust te hebben
in een vriendschapsverbond met zulke vrijgevige jongens en vormde
weldra de vierde in den wandelbond.
Nu Jan toch eenmaal zijn boterhamzak open had, kon hij alvast wel
eens proeven ook, meende hij, een voorbeeld, dat door Gommert, maar
nòg gretiger door Hein werd nagevolgd.
Pratende en etende vervolgden ze hun weg, tot ze bij een draai van
den lommerrijken straatweg een kermiswagen zagen staan, waarbij
twee schooierachtige jongens, met iets aan de voeten, dat vroeger
waarschijnlijk kousen heetten, rondslenterden.
Een havelooze vrouw, met zwarte verwarde haren over de schouders, zat
in de deuropening en terzijde van den weg liep een magere hit zijn
schonkig lichaam aan het gras te goed te doen. Nauwelijks hadden de
twee schooiersjongens onze etende vrienden in de gaten, of ze stoven
op hen toe en brutaal zei de oudste--want vragen was het niet--:
"Geef ons óók een stuukchen broot."
Jan monsterde hem even, kreeg medelijden met de havelooze,
verwaarloosde jongens, gaf een van hen een boterham en zei:
"Daar, eet maar op. Meer heb ik óók niet te missen."
Hein bleef niet achter en gaf den ander ook zijn deel. In minder dan
geen tijd was het brood verslonden. Het wijf had zwijgend toegezien
en riep nu met een schorre krijsch-stem:
"Die joengens moeten meer gefen. Sie haben genoeg!"
"Hoor je dat, Jan?" vroeg Hein, "wat die dame daar zegt?"
"Jawel. Maar ik bedank ze verschrikkelijk." En zich naar den wagen
wendend riep hij:
"Nee moeder! We geven nou niks meer. 't Is welletjes. Anders komen
we zelf te kort!"
"Wier moessen 't hebben," riep de wagenbewoonster. "Allo Heinrich
und jij Peter, pak aan!"
Daarvoor scheen het edele tweetal wel te vinden. Begeerig stak de
grootste zijn handen uit naar Jan's zak, maar deze weerde hem af en
zei: "Hou thuis je vuile vingers en blijf van mijn boterhammen af," en
tegelijkertijd verdedigde Hein zijn kostelijk bezit tegen den anderen.
Doch de schooiers lieten zich niet afschrikken en afschepen nog minder.
In enkele tellen rolde Jan over den weg met den vreemden knaap en
was Hein in een hevig gevecht gewikkeld met diens broer. Gommert
liet zich ook niet onbetuigd en probeerde Hein van zijn aanvaller te
verlossen. Doch nu maakte de vrouw ook aanstalten om een werkzaam
aandeel in den strijd te nemen. Ze greep een bezem uit den wagen
en snelde, zoo gauw haar slofschoenen het haar veroorloofden, op
de vechtenden toe. De vierde bondgenoot onzer vrienden ging als een
razende te keer, blafte van geweld en sprong het woedende wijf naar
de beenen. Het beestje wilde zijn pas verworven vrienden blijkbaar
niet aan hun lot overlaten.
Daar draaide Jan boven en in een ommezien had hij zijn stok te pakken,
waarmee hij zijn aanvaller begon te bewerken. Deze huilde moord en
brand, waarom zijn lieve mama haar schreden het eerst naar hem wendde
om haar zoon verademing te geven en net precies hief ze haar bezem
op om Jan een slag toe te brengen, toen Gommert haar onverhoeds van
achter aangreep en haar, zoo vuil als ze was, tegen de vlakte smeet.
Nu kende de woede van het groezelige vrouwmensch geen grenzen. Vloekend
krabbelde ze overeind en stoof op Gommert af.
Twee van die geslepen en geoefende vechtersbazen plus zoo'n groot,
met een bezem gewapend wijf, tegen drie jongens, al was daar ook
een hondje bij: dat was geen verhouding en de toestand der drie
plezier-wandelaars werd allesbehalve rooskleurig. Hoe de strijd zou
afloopen, behoeft niet te worden gevraagd. 't Was een geschreeuw
en geraas van belang en juist toen onze vrienden gevaar begonnen te
loopen van te worden verslagen, klonk hun een forsche stem in de ooren:
"Hei, hei, wat is dàt hier voor een heidensch schandaal?"
Oogenblikkelijk trad de wapenstilstand in en keken zes paar oogen naar
een forsch heer met een streng gelaat, die naast zijn fiets stond en
zijn vraag herhaalde:
"Wat is dat hier voor een schandaal, hè?"
"Mijnheer, dat volk wil ons onze boterhammen afnemen," zei Jan, die het
eerst tot bezinning kwam. Jan, Hein en Gommert stonden nu naast elkaar.
"Waar kom jullie vandaan, jongens?"
"Van Elswijk, meneer."
"En wat doen jullie hier?"
Als drie soldaten in 't gelid, stonden de Elswijkers voor hun
ondervrager.
"We waren op de wandeling, meneer en toen kwamen we hier langs en
toen aten we net een boterham en toen vroegen die twee jongens er om
een en we gaven ze d'r een en toen wilden ze er nog meer hebben en
toen schreeuwde dat wijf..."
Maar 't wijf was stilletjes afgedropen en het brave zonenpaar hield
zich achterbaks.
"Zoo, zoo," mompelde de vreemde. "En waarom gaan jullie niet naar
school?"
"'t Is meestervergadering vandaag meneer en.."
"O ja, da's waar ook. En nou wou jullie 't er zeker vandaag eens van
nemen, hè?"
"Ja meneer," zei Hein, "we zijn op een pleziertocht."
"Dat zag 'k zooeven," glimlachte de heer en zich eensklaps tot de
verbouwereerde wagenbewoonster wendend, snauwde hij barsch:
"En jij, gespuis, je spant onmiddellijk in en maakt dat je weg
komt... Neen, geen praatjes en geen smoesjes, hoor je. Ik ben de
burgemeester van Janskerke en binnen een kwartier is de veldwachter
hier om je buiten de gemeente te brengen. Ik waarschuw je: weest
voorzichtig, alle drie... Je man?... Nou ja, die zal wel van 't
zelfde slag wezen en die zal je wel weer vinden.--Dus je weet het
goed hè? Oogenblikkelijk vertrekken, of je gaat onverbiddelijk onder
den toren en dan: wee je gebeente.
"Jongens, jullie vervolgt je weg. Ik blijf nog even hier om dat zoodje
in de gaten te houden. Dag jongelui! Veel genoegen verder hoor!"
Beleefd gingen drie petten af en klonk het driestemmig:
"Dag burgemeester! Wel bedankt voor uw hulp."
"Wat 'n avontuur!" mopperde de dikke Hein. "Die vuile jongen had me
bijna geworgd. Wat tuig toch."
"'t Is nog goed afgeloopen," vond Gommert. "'t Leek de slag bij
Waterloo wel."
"Nee," lachte Jan, "bij Modderfontein! Groote genade wat een vuile,
vieze beweging. Maar 't liep best af. Die burgemeester kwam net
bijtijds. Wat een echte kerel!"
"Dat is 't," stemde Hein gul toe. "Een leukerd, eerste klas. Gelukkig,
dat we ons brood nog uit den strijd gered hebben. En onze Fik is
ook een beste. Hier pluimstaart, da's voor jou." En de viervoeter,
die telkens herdoopt werd, kreeg een korstje brood.
"Weet je wat ik nou wou?"
"Nee Gommert, gedachtenlezen kunnen we niet."
"Welnu, 'k wou, dat 'k wat te drinken had."
"Dat ben jij niet alleen; ik heb dan ook een gloeienden dorst."
"En ik," zei Hein.
"En weet je wat ik nou ga doen?" 't Was Gommert met een tweede
raadselvraag.
"Nou ga ik ginder naar die boerderij en dan vraag ik..."
"Hou de rest maar voor je. Dat snappen we. Vooruit naar de boerderij
en dan gauw weer verder, anders komen we nooit in de duinen."
Door het kleine, witgeverfde hekje, naast het groote inrijhek,
stapten ze het ruime boerenerf op en kwamen achter het huis. Onder een
zwaren kastanjeboom stond een frissche boerenmeid aan een tuimelkarn
te draaien.
"Wel," vroeg ze, "wat is er van jullie dienst?"
"Mogen we asjeblieft een beetje drinken, want we hebben zoo'n ergen
dorst."
"Nou, en of je," lachte de meid glunder. "Wat lust jullie 't liefst?"
"Asjeblieft wat water," vroeg Jan.
"'k Heb wat beters! Als je nog drie seconden wachten wilt kun je
versche karnemelk krijgen. Of is je dorst zoo groot, dat je niet
wachten kùnt?"
"O ja, graag! Karnemelk! Nou!"
"Nog een draai of wat..."
"Wil ik eens?" bood Jan aan.
"Jij bent een vent!" lachte de meid, "draai op."
En Jan had den draaier al beet, maar ging zoo driftig te werk, dat
de meid riep:
"Huila! Niet zoo haastig, Pietertje!"
"'k Heet geen Piet."
"Hoe dan?"
"Jan!"
"En jij?"
"Gommert."
"En jij, dikzak?"
"Ikke? Hein."
"Zoo. Nou jij nog een draai of wat, Hein en dan Gommert en dan is
't gebeurd."
En wáár was 't.
De vriendelijke meid schroefde het deksel los en de jongens riepen
uit één mond, toen ze in de ton keken: "Hè, wat 'n klonter boter!"
"Nee, geen klonter. Allemaal kleine klontertjes," zei de
karnster. "Maar 'k zal die er nou maar niet eerst uitscheppen, want
dan val jullie om van den dorst. Hier."
Ze schepte voorzichtig een grooten houten nap vol kostelijke karnemelk
en de jongens dronken, dronken! Alsof ze niet konden ophouden.
"Smaakt het jongens?" Een dikke oude boer met een paar bakkebaardjes
en kleine, goedige oogjes kwam van achter een hooge heg te voorschijn
met een mandje aan zijn arm.
"Als koek baas," antwoordde Jan, terwijl hij met de mouw van zijn
blouse de karnemelksdroppels van zijn mond veegde.
"Een raar soort koek!" lachte de boer. "Zuur en slap! Had jullie
zoo'n dorst?"
"Verschrikkelijk!"
"En waar is de reis heen, als ik vragen mag."
"Naar de duinen baas," zei Hein.
"Geen school vandaag, of al vacantie?"
"De meester is naar een vergadering," lei Gommert uit.
"Wat een ramp voor jullie," zei de boer, "om met zulk mooi weer buiten
te moeten loopen. Dus nou op reis naar Zandstede?"
"Ja baas."
"Zoo. Nou, dan moest jullie me eris een plezier doen. Wil je?"
"Zeker baas," antwoordden ze alle drie tegelijk.
"Wacht dan eens even."
De boer verdween in huis, doch kwam spoedig terug, op den voet gevolgd
door zijn, óók al welgedane wederhelft.
"Kijk jongens, dit pakje moet naar de post. Wil jullie 't eens voor
me meenemen?"
"Wel zeker," zei Jan gulweg. "Graag."
"Dat dacht ik wel."
"Maar kunnen we er vast opaan, dat je het niet vergeet?" vroeg
de boerin.
"We willen je er de hand op geven, vrouw," zei Gommert.
"Goed, goed!" lachte de boer vergenoegd. "Hier heb je twee
kwartjes. Meer kost het niet, want het weegt nog geen drie Kilo.--En
kijk nou eens hier. 'k Heb hier een mandje met lekkere aalbessen. Lust
je die?"
"En of, baas."
"Maar baas," maakte de meid zich nu bezorgd, "ze hebben pas d'r buiken
vol karnemelk gegoten en aalbessen op karnemelk, dat rijmt niet. Dan
krijgen de stumperds pijn in d'r buikjes."
"Da's waar, Koos," lachte de goeie boerin; "wacht even jongens."
Ze haalde een grooten, stevigen papieren zak en daarin kwam een flinke
portie bessen.
"Eet die nou niet op, vóór je een anderhalf uur verder bent," ried
ze. "Dan kan 't geen kwaad meer. Zul je? En zorg nou goed voor 't
pakje, hoor jongens. 't Is voor m'n zuster, zie je."
"Vrouw, je kunt er stellig op aan hoor. We hebben het hier veel te
goed gehad om niet ons woord te houden," verzekerde Jan.
"Goed. Dag jongens!"
En 't was een gedwarrel van "dag jongens, dag baas, dag vrouw, dag
Koos," van den baas en de vrouw en de meid van belang en het drietal,
den hond, die zich wat achteraf had gehouden, niet meegerekend, stapte
weer verder, vroolijk door de vriendelijke hofsteebewoners nagewuifd.