Jan's leuke aard kwam boven en hij antwoordde: "Dat hangt er van af."

"Hoe dat?"

"Als je inkt bij de hand hebt, doe je 't met inkt, maar met potlood

gaat het ook goed."

"Rakker, hou je me voor den gek? Ik bedoel met een C of met een K."

"Wij doen 't thuis, dien enkelen keer, dat het voorkomt, met een K,

maar 't zou met een C toch ook niet leelijk staan."

"Mond houwen! Waar woon je?"

"In een éénverdiepings-villa, één kamer en een achterhuis en ..."

"Begin je weer? Waar woon je? Op welk dorp bedoel ik?"

"In Elswijk."

"Hoe oud?"

"Twaalf."

"En jij?"

"Gommert Vos," bibberstemde Gommert.

"Oud?"

"Ook twaalf."

"En jij?"

"Hein Krul en dertien."

"Daar geloof ik niks van."

"Van wat niet?"

"Dat jij dertien bent."

"Kijk 'm maar naar zijn tanden," lachte Jan, die weer al heelemaal

in een vroolijke bui was.

"Jou zal ik wel krijgen," bromde de diender boos.

"Niet noodig," zei Jan, "je hebt me tot mijn spijt al. Maar dit zeg

ik je veldwachter: je bent een oneerlijke vent. We doen heusch niks

en die hond is niet van ons en toch pak je ons. Da's gemeen."

"Ruk uit, zeg ik je. Je zult er nader wel meer van hooren."

"Goed, we gaan, maar we deden geen kwaad."

"Dat ziet er mooi uit," jammerde Gommert, toen ze zoover waren, dat

de onvriendelijke en onheusche veldwachter uit het gezicht was. "Nu

zijn we er gloeiend bij."

"'k Wou, dat we maar niet gegaan waren," zuchtte Hein. "Mooie boel! Een

vrijen dag en per slot van rekening een proces verbaal op den koop

toe. Dan zit ik nog liever in school; daar ben je tenminste veilig."

"Och kerels," betoogde Jan. "Wees toch wijzer. Laat dien

vogelverschrikker van een veldwachter naar de maan loopen. 't Komt

allemaal op z'n pootjes terecht. Denk je nou, dat we daar ooit voor

veroordeeld kunnen worden? Die hond is immers niet van ons. Iedereen op

't dorp weet toch, dat wij geen van drieën een hond hebben!"

"Ja maar," opperde Gommert, "als die veldwachter nou strak en stijf

volhoudt, dat we stroopten!"

"Geen nood hoor!" lachte Jan. "Let er op: het heele zaakje loopt

best met een sisser af. Geloof me gerust. Laten we nou onzen

lekkeren dag niet laten verzuren door zoo'n ongelikten beer van een

veldwachter. Vooruit! en pret gemaakt, zooveel als we kunnen! Daar

dien heuvel op! Wie 't eerst boven is!"

Jan snelde voort en zijn voorbeeld werkte aanstekelijk: de twee

anderen kropen zoo snel ze konden omhoog, maar toen ze halverwege

waren, liet Jan, die ze een eindje vóór was, zich plotseling naar

beneden rollen. Hij tolde tegen Gommert aan, deze greep Hein bij

zijn linkerbeen en daar buitelden ze alle drie hals over kop weer

naar beneden.

't Was een gelach en gejoel, alsof er op heel de wereld geen

veldwachter bestond. Geen van drieën, die nog aan een proces verbaal

dacht: ze gingen heelemaal op in hun plezier.

"Zeg jongens," zei Hein eindelijk, "nou moeten we niet meer te lang

treuzelen, anders wordt het te laat om nog aan 't strand te komen. Ik

denk, dat het zoo zoetjes aan al een eindje over den middag heen

is en we moeten toch bepaald de zee zien. Je kijkt hier den wijden

plas regelrecht in. En als we dan nog tijd hebben, konden we vragen,

of we eens op den vuurtoren mogen kijken."

"Dan opschieten," besliste Jan. "Hein heeft gelijk: de zee moeten we

hier zien."

Dapper stapten ze voort en hoe verder ze kwamen, des te duidelijker

deed het geruisch der baren zich hooren.

Nog tien minuten en ze waren er. 't Was weer een heele klimpartij en

de duindorens lieten geducht door hun kousen heen voelen, dat ze niet

voor niemendal "dorens" heetten. Maar daar letten ze ternauwernood op.

Daar spreidde zich de groote Noordzee voor hun oogen uit en Hein wou

juist inzetten: "Wie gaat mee..." toen Jan hem een duw gaf en zei:

"Hou je grooten mond. Kijk eens."

"Wat?"

"Zie je dat, daar?"

"Waar?"

"Daar een eindje naar omlaag. Een stapeltje kleeren. Kleeren met

blinkende knoopen. Stil, buk je! Ga op je buik liggen! Gauw!"

De twee anderen begrepen er niets van, doch streken oogenblikkelijk

neer in 't zand en nu legde Jan hen uit:

"Die kleeren zijn van den veldwachter van zooeven, dat staat als een

paal boven water en daar ginder is dat onvriendelijke schandaal aan

't zwemmen; kijk maar, je ziet zijn hoofd net boven water."

Ja, dat zagen ze ook: een hoofd, en het sprak van zelf, dat het lichaam

waar dat hoofd aan vast zat, een poosje geleden in de kleeren stak,

die daar nu tegen het duin lagen. En welk lichaam!

Dat van den diender, die hen zoo buitengewoon aanminnig behandelde.

"En wat moet dat nu?" vroeg Gommert.

"Wat dat moet? Die kleeren pikken we weg en dan smeren we er mee

van door."

"Dat durf ik niet," wierp Hein tegen.

"Ik dan wel," besliste Jan. "Die vent heeft ons verbaliseerd zonder dat

we wat deden en nou neem ik zijn bullen in beslag. Hier hond! Verraai

jij ons nou niet! Hier zeg ik." De hond gehoorzaamde.

"Ja maar," opperde Gommert, "wat dan?"

"Wat dan? Da's nog al niet moeilijk. Dan krijgt ie ze niet terug,

vóór hij ons beloofd heeft, ons verder met rust te laten."

"Dat doet ie nooit."

"Nooit? Nee, dat zul je gewaar worden. We hebben niks noodig, dan

zijn jas en zijn broek en dan zul je eens een grap beleven. Ik vlieg

er om. De jas draag ik en wie neemt er de broek voor zijn rekening?"

"Ikke," zei Gommert, die pret in 't gevalletje begon te krijgen.

"Goed. En luister nou wel:

"We loopen er als hazen mee van door, daar, dien kant uit. Zorgt er

allebei voor, dat je bij mij blijft. Alle drie den zelfden kant uit

en nou gauw, anders is die vriendelijke sinjeur ons voor. Opgepast!"

Jan vloog overeind en ijlde naar omlaag. In tien sprongen was hij

bij de kleeren en pakte de jas en de broek beet, maar op het zelfde

oogenblik klonk van den waterkant een luid geschreeuw, onverstaanbaar

echter door het geruisch der golven. De veldwachter, want die was

werkelijk de zwemmer, sprong in minder dan geen tijd het water uit

en holde als een bezetene, hard roepend en zwaaiend met de armen in

zijn zwembroek het strand op naar de plek, waar zooeven zijn uniform

nog lag.

Zoo even! Zeker! Maar nu al niet meer. Want Janbaas gunde zich geen

tijd, om het fraaie schouwspel van den politieman, die er nu heelemaal

niet politie-achtig uitzag, gade te slaan. 't Zou anders wel de moeite

waard geweest zijn.

Vlug kroop Jan tegen het duin op, reikte Gommert de broek over en

commandeerde: "En nou loopen, loopen, wat we kunnen! We hebben een

goed stuk voor!"

Dat hadden ze inderdaad, want zoo'n drift had de veldwachter niet,

of hij begreep, dat hij, slechts gekleed, als je 't zoo noemen wilt,

in zijn zwembroekje, de jeugdige kleerenroovers niet achterna zitten

kon. Een, twee, drie gooide hij zijn hemd over 't hoofd, wrong zijn

lange, natte beenen in zijn onderbroek en daar begon de wilde jacht.

Jan wendde even het hoofd om en riep: "jongens, daar komt hij aan

gesputterd! Hoor 'm eens te keer gaan!"

"Wat nou?" vroeg Hein.

"Dat zul je wel zien. Vooruit maar! Ik zal je wel waarschuwen als

't ver genoeg is."

Veldwachters hebben nog al eens lange beenen en deze had er een

paar! Neen maar: reusachtig.

Zoo iets van die zevenmijlslaarsachtige uit Klein Duimpje. En

zijn costuum zat hem niet in den weg. Geen wonder, dat die lange,

zwaaiende en springende beenen al gauw op de veel kortere van de

jongens begonnen te winnen. Dat hoorden de vluchtelingen aan het

duidelijker wordend getier.

Wel tien minuten ging de jacht voort, hoogte òp, hoogte àf. De tong

hing den jongens uit den mond, die wijd geopend droog hijgde, dat

hun kelen er rauw van werden. Ze spraken geen woord en ze kònden

't niet ook.

"Halt!" hoorden ze hun achtervolger roepen.

"Sta!... beroerde... jongens!" Maar ook die groote baas was al buiten

adem en had de grootste moeite om die drie woorden uit te stooten.

Daar waren de drie vluchtelingen in een duinpan. In de lengte was

daardoor een breede, diepe sloot gegraven. Achter die sloot lag een

veldje met schrale aardappelstruiken en er òver lag een smalle plank.

"Daar... over!" hijgde Jan.

Drie paar voeten liepen over de plank en nu pas liet Jan een

half hoorbaar, hijgend uitgebracht "ho!" hooren. "Ver genoeg!" En

tegelijkertijd draaide hij zich om, greep de plank en:

"Help even! Pak an!"

De plank werd opgelicht, weggetrokken en nu was er een breede en

diepe sloot, vol water tusschen de jongens en den veldwachter. Deze

was intusschen genaderd en hijgde:

"Hier... mijn kleeren... duivelsche... apen!"

"Wacht!" antwoordde Jan, "even uitblazen... ... dan praten."

De diender, zelf half dood van 't rennen, bleef staan en zijn borst

ging op en neer als een blaasbalg.

Die toestand van wederzijdsch hijgen en blazen duurde een minuut

of wat, waarin acht oogen in verhouding van een tot drie elkaar

voortdurend aanstaarden. Eindelijk barstte de veldwachter los:

"Geef òp mijn bullen!"

"Met alle soorten van genoegen," zei Jan doodkalm, "maar eerst moet

je ons beloven, dat je geen proces verbaal tegen ons opmaakt."

"Dat doe ik niet."

"Best. Dan krijg jij de mooie spullen ook niet."

"Wacht, ik zal je..."

Maar de sloot was veel te breed om er over heen te springen en de

veldwachter had geen lust om het beetje ondergoed, dat hij aanhad,

doornat te maken.

Bovendien begreep hij, dat er met zachtheid hier toch wel wat te

bereiken zou zijn en daarom zei hij:

"Geef òp dan!"

"Beloof je 't dan?"

"Ja!"

"En geloof je nou nog, dat we stroopten?" vroeg Hein, die zich achter

de sloot volkomen veilig wist, moedig.

"Ja maar, jullie liep daar toch met een hond."

"Dat wàs immers onze hond niet... Alle menschen. Waar zou die rakker

gebleven zijn?"

Nu pas hadden de jongens er erg in, dat de vriendschap van hun

viervoetigen makker niet van het zuiverste water was. Fik, of hoe 't

beest dan anders heeten mocht, was in geen velden of wegen te zien. Hij

had zijn kameraads schandelijk in den steek gelaten, misschien wel

door het geschreeuw van den vertoornden veldwachter. Hoe 't zij:

het mormel was nergens te bespeuren.

"Zie je 't nou zelf?" vroeg Hein. "Het beest is er van door. Dat zou

hij niet gedaan hebben, als hij werkelijk van ons geweest was. Geloof

je 't nou, veldwachter, of geloof je 't niet?"

De politieagent begon nu toch zeker ook te twijfelen, want hij zei:

"'k begin het warempel te gelooven, dat je gelijk hebt, maar geef me

nou mijn jas en broek terug."

"Dus afgesproken: geen proces?" Jan wou vaste stekken steken.

"Geen proces?"

"En je doet ons niks?" 't Was Gommert, die de voorwaarden goed wou

omschreven zien.

"Neen, niks. Jullie kunt gaan, waarheen je wilt en ik keer terug om

de rest van mijn kleeren te halen."

"Afgesproken," zei Jan: "grijp!" En de opgerolde jas zeilde de sloot

over. Gommert liet de broek volgen en zei:

"Nou veldwachter, aju dan."

"Dag veldwachter," zei Jan. "We hebben je lekker te grazen gehad,

maar 't was je eigen schuld. Leer om leer, moet je maar denken."

"Hoepel nou maar gauw op," zei de veldwachter nu veel minder

onvriendelijk. Hij schoot in zijn broek, trok de jas aan en tippelde

op zijn bloote voeten terug naar het overige van zijn uitrusting,

dat nog ginds in 't zand lag te stoven.

"Da's goed afgeloopen!" barstte Hein los. "Je hebt het prachtig in

mekaar gezet, Jan!"

"En òf," zei Jan gevleid. "Laten we nou maar gauw voort maken, want

die heele historie heeft ons heel wat tijd gekost. Opgemarcheerd! Langs

het strand naar huis. Da's een mooie wandeling."

Zonder verdere lotgevallen kwamen de avonturiers thuis.

Kees Kodde lachte nog smakelijker dan moeder Trui toen Jan bij

't koffiedrinken 's avonds de geschiedenis met dien veldwachter

opdischte. Zijn beenen gloeiden van vermoeidheid toen hij met een:

"Welterusten Vader; nacht Moeder!" het laddertje opkroop. Knikkebollend

trok hij zijn kousen uit en weldra sliep hij als een roos.

De avonturen van Jan Kodde · 第 17 / 40 题