BUIGEN OF BERSTEN

Het jong hout staat, den rugge krom,

ootmoedig neêrgestopen;

terwijl de wind, den afgrond van

zijn diepe longen open,

gevaren komt, door bilk en bosch;

en, bruischende in de boomen,

losbandig, al den gruwel van

zijn' gramschap heen laat stroomen.

De boomen staan geworteld in

den bodem diepe, en, weren

en zal de wind hun sterkheid noch

hunne oude stammen deren;

ze zuchten en ze stenen wel,

ze roepen en ze razen,

maar wederstaan, zoo willen ze, en....

dat durven ze, die dwazen!

Ze 'n buigen niet. Hun' wortels staan

in de eerde neêrgegrepen

als ankers, die gebonden staan

doen ijzervast de schepen;

ze 'n buigen niet. Hun hoofdgewaai

scheurt af en weg: om 't even,

en zullen noch en willen ze, en

voor wie dat 't zij, begeven.

Het jong hout ligt den grond nabij,

voorover, neêrgedwongen;

verplettert en vernietigd haast.--

De wind komt losgesprongen

en, stampende op dat ligt.... "Zoo wel

den naasten als den versten,...

die boomen daar zal 'k buigen doen,

of willens nillens bersten!"

't Is donker, van al 't zand dat vliegt.

Geen hersendolle koeien

en kunnen, zoo de wind nu doet,

zoo ongedoevig loeien.

Ei! poffen nu, en paffen gaan

de pezen af, en kraken

de wortels: als geweren zijn 't,

die dood en donder braken.

De doelen staan, bij vijftigen,

bij honderden, te perre,

ter aarden uitgeheven, en....

de boomen zijn omverre,

de teenen in de lucht; tot in

den vasten grond gezonken,

verdwijnt, al even slaggelings

hun' kroone, in de elzentronken.

Het jong hout heft den hals weer op:

allengskens stilt het weder,

en legt het, op de rompen van

geroeide boshout, neder

zijn grimmigheid. Een slagveld is 't

vol lijken. Ongeschonden,

zoo staan de jonge stammen daar

nog, al die buigen konden.

22-23/5 '97.

Laatste verzen · 第 70 / 155 题