Gevlerikt, na der vliegen aard;
gereesemd, al omleegewaard
eenvervig, en van goude fijn,
des goudenregens blommen zijn.
Zij staan in krabben, lang en smal
van lijve, en recht een regenval
gelijken zij, van goude,... neen,
van zijde en licht en edelsteen,
't En is van al dat bloeit entwat
zoo geluw, in geen blommenstad;
't is geluw, naast aan 't groen,... 't en doet,
't is groen, ten geel'wen uitgezoet.
Als, ievers in den hof gestaan,
de goudenregens opengaan,
de duisterheid van 't groen verdwijnt,
"het regent en de zunne schijnt."
Hoe jammer dat zoo gauw voorbij,
uw vlagen gaan van goude, en gij,
o gulden regen, al te broos
van leven zijt ge, en tijdeloos!
Gij strooit den weg, nen dag nadien,
of twee, dat wij u open zien:
zoo derf is dan uw dood gelaat,
als kaf, daarop de vlegel slaat!
En, eens dat eene aan 't vallen is
de stervenstijd van allen is
gekommen: geen een blomme en kan 't
meer houden: 't goud is uitgebrand.
O goudenregen, heel en al
het jaar, zoo heet gij regenval:
doch regenval van goude, aleer
het meien zal, en zijt gij meer.
'k Verlange al, eer de maand daar is
weêromme, en tend de hoven, frisch,
vol goudeware en zonneschijn
geregend door uw' blommen, zijn.
24/5 '97.
=GIERZWALUWEN=
(CYPSELUS APUS)
"Zie, zie, zie,
zie! zie! zie!
zie!! zie!! zie!!
zie!!!"
tieren de
zwaluwen,
twee- driemaal
drie,
zwierende en
gierende:
"Niemand, die...
die
bieden den
stiet ons zal!
Wie? wie? wie??
wie???"
Piepende en
kriepende,
zwak en ge-
zwind;
haaiende en
draaiende,
rap als de
wind;
wiegende en
vliegende,
vlug op de
vlerk,
spoeien en
roeien ze
ringsom de
kerk.
Leege nu
zweven ze, en
geven ze
bucht;
hooge nu
hemelt hun'
vlerke, in de
lucht:
amper nog
hoore ik... en,
die 'k niet en
zie,
lijvelijk
zingen ze:
"Wie??? wie?? wie?
wie..."
25/5 '97.