IV

De peerdehoeven staan in 't zand,

bij duizenden, gedreven;

geen hooi en is er meer in 't land,

geen haver schier gebleven:

't is al gestolen, al geweerd,

voor vee en volk, voor man en peerd!

Waar gaat gij, edel died, naartoe:

gaan strijden op de heiden?

gaan straffen, met de geeselroe,

die u den vrede ontzeiden?

"Geen heidenen," zoo roepen ze al:

"de Vlaming is 't, die 't boeten zal!"

"Daar groeit en bloeit, te landewaard

der Vlamingen, een blomme,

die honing druipt, die boter baart

en goud: daar gaan wij omme!

't Is munte slaan, dat wij gaan doen,

terwijl de Vlaamsche bargen bloên!"

o Sigis, van Majorken, gij,

die koning zijt geboren,

wat hebt gij, man van 't zuiden, bij

den noordeling verloren?

Verliezen zult ge er... Winnen, neen,

't en zij, voor graf, nen tichelsteen!

En Robbert, op uw ros, Morel,

--pekzwart is het--gezeten,

gij zult uw' hoogen hals, in 't spel,

uw ros Morel vergeten:

Jan Breydel zal, in 't riet gevaân,

ten tweeden male, u ridder slaan!

Die heeren hunne rossen 't staal

nu stooten in de lenden:

verjagen zullen ze, altemaal,

en slaan die boersche benden!

Harop! De storme is los, en 't gaat

om dood!--De goedendag slaat! slaat!

V

Harop! De goedendag

slaat! slaat!

Harop! Den goeden slag

slaat! slaat!

Ruimt bane, eer, op

uw' vuile schansen,

den doodendans

de leeuwen dansen!

Harop! Den goeden slag

slaat! slaat!

Harop! De goedendag

slaat! slaat!

Door hooge en leege

en liên en lansen,

den zegedans, den zegedans

de leeuwen dansen!

Harop!

Den--goeden--dag!

De peerdehoeven staan in 't zand,

te Leyewaard gedreven;

maar keerwijs om, naar 't zuiderland,

geen twee, geen een op zeven;

ter Vlamingvaart zoo wilde elkeen:

ze gingen al, 't en keerde geen!

Laatste verzen · 第 56 / 155 题