De peerdehoeven staan in 't zand,
bij duizenden, gedreven;
geen hooi en is er meer in 't land,
geen haver schier gebleven:
't is al gestolen, al geweerd,
voor vee en volk, voor man en peerd!
Waar gaat gij, edel died, naartoe:
gaan strijden op de heiden?
gaan straffen, met de geeselroe,
die u den vrede ontzeiden?
"Geen heidenen," zoo roepen ze al:
"de Vlaming is 't, die 't boeten zal!"
"Daar groeit en bloeit, te landewaard
der Vlamingen, een blomme,
die honing druipt, die boter baart
en goud: daar gaan wij omme!
't Is munte slaan, dat wij gaan doen,
terwijl de Vlaamsche bargen bloên!"
o Sigis, van Majorken, gij,
die koning zijt geboren,
wat hebt gij, man van 't zuiden, bij
den noordeling verloren?
Verliezen zult ge er... Winnen, neen,
't en zij, voor graf, nen tichelsteen!
En Robbert, op uw ros, Morel,
--pekzwart is het--gezeten,
gij zult uw' hoogen hals, in 't spel,
uw ros Morel vergeten:
Jan Breydel zal, in 't riet gevaân,
ten tweeden male, u ridder slaan!
Die heeren hunne rossen 't staal
nu stooten in de lenden:
verjagen zullen ze, altemaal,
en slaan die boersche benden!
Harop! De storme is los, en 't gaat
om dood!--De goedendag slaat! slaat!
V
Harop! De goedendag
slaat! slaat!
Harop! Den goeden slag
slaat! slaat!
Ruimt bane, eer, op
uw' vuile schansen,
den doodendans
de leeuwen dansen!
Harop! Den goeden slag
slaat! slaat!
Harop! De goedendag
slaat! slaat!
Door hooge en leege
en liên en lansen,
den zegedans, den zegedans
de leeuwen dansen!
Harop!
Den--goeden--dag!
De peerdehoeven staan in 't zand,
te Leyewaard gedreven;
maar keerwijs om, naar 't zuiderland,
geen twee, geen een op zeven;
ter Vlamingvaart zoo wilde elkeen:
ze gingen al, 't en keerde geen!