VI

Onze Vrouwe, onze Vrouwe,

wij dragen ze u op,

de spooren der schoone gevelden:

de blinkende spooren,

gevonden--harop!--

op Groeninge'ns guldene velden.

't Zijn de guldene spooren

van menigen man,

die, gister nog, gekte, in zijn tale:

"Wie is er zoo dapper

van u, die mij kan

doen ruimen de rompvaste zâle?"

Hij verzuimde te keeren

terug: in den meersch

daar blonken zijn' dappere hielen;

gebluscht was de woede, en

daar lag, overdweers,

het ros, op den ridder, te ontzielen.

Onze Vrouwe, onze Vrouwe,

de zege is aan ons:

een riet heeft den reuze gedwongen:

tot 't einde der eeuwen

vertelle nu 't brons

van "_'t Vlaamsche gespuis, en hun jongen!_

Keizer Boudewijn's kerke is,

van beuken, te nauw,

om Groeninge'ns grootheid te hooren:

te Kortrijk vereeuwige

een beeldengebouw

_den slag van de Guldene spooren!_"

Laatste verzen · 第 57 / 155 题